Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WVDAPEL01

Een sprookje (mondeling), donderdag 20 maart 2014

077f5ddaabaf09e4b32bba621686e7df.jpg

Hoofdtekst

Odysseus was koning van een eiland bij Griekenland, eh, Ithaka heette dat eiland. Hij was zelf een Griek, hij was heel slim en hij was bekend over een heel groot gebied. Iedereen wist eigenlijk wie Odysseus was. En Odysseus die heeft heel veel reizen moeten maken, niet omdat die dat wilde maar dat was een soort straf. En hoe dat kwam dat ga ik jullie nu vertellen.
Ze hadden de oorlog gewonnen. De Trojaanse Oorlog was na tien jaar eindelijk beëindigd. Dat door een list van Odysseus. En nu eindelijk konden ze naar huis. Odysseus kon terug naar zijn eiland Ithaka. Hij kon terug naar zijn vrouw, terug naar zijn zoon die hij ook in tien jaar niet had gezien. Maar het liep wat anders. Ze waren op hun boot, Odysseus en de bemanning en dan moet je voorstellen dan zo’n grote roeiboot met een zeil. Ze moesten echt goed roeien mankracht inzetten om vooruit te komen. En toen kwam er storm en de boot dreef af. Ze raakte uit de koers. En toen zagen ze in de verte een eiland dat ze helemaal niet kenden. ’t Was een groot eiland en de rotsen rezen op uit het water. En het leek wel of de rotsen gekliefd waren. Er was een brede kloof tussen de rosten.
De mannen hadden honger. Ze hadden een paar dagen niet gegeten en daarom besloten ze om maar aan te leggen bij dat eiland. En toen ze daar hun boot hadden liggen voelde het meteen een beetje vreemd. Je hebt wel eens dat je ergens bent en dan denk je ‘ik weet niet wat het is maar het voelt anders’. Nou dat hadden zij eigenlijk ook. Want ze zagen helemaal niets wat op een mens week, eh wees. Er liepen schapen maar der was geen hutje, der was geen huisje, er was ook niet een akkerlandje, er liep ook geen herder bij de schapen en Odysseus werd nieuwsgierig. Hij wilde weten wie op dit eiland woonde. Was dat een wild volk? Waren dat barbaren? Of was het een beschaafd volk die wist wat gastvrijheid was? En hij koos twaalf van zijn mannen uit om met hem mee te gaan. En hij nam een geitenleren zak mee gevuld met wijn, sterke, zoete wijn. En dat had die dan als welkomstgeschenk. En met z’n dertienen gingen de mannen op onderzoek uit. En toen zagen ze in die rotswand een grot. Een grote grot en daar gingen ze naar binnen. En, ja wie hier mocht wonen… eh ’t moet wel een raar iemand zijn. D, de hele vloer lag helemaal bedekt met een dikke laag schapenmest en der lagen – ja, het stonk der ook nog – en der lagen kazen, maar niet van die kleintjes zoals bij ons in de supermarkt, nee, van die hele grote kazen. En er stonden emmers, bakken met melk. En dar war, had je der onder nog hokken, verschillende soorten hokken waar lammeren en schapen in zaten.
De mannen van Odysseus die die vertrouwden ’t niet: “Laten we teruggaan. Laten we teruggaan naar de boot waar de mannen op ons wachten”. Maar Odysseus wilde dat helemaal niet horen. “Nee, wij blijven hier. Ik wil weten wie hier woont”. En zo wachtten ze af. Ze namen nog wel een even een schaap want ze hadden honger immers. Slachtten deze, maakten een vuur en zo hadden ze een lekker boutje. En toen was het wachten. En zo het eind van de middag: STAMP, STAMP, STAMP, STAMP, STAMP, STAMP. Wie kan dat wezen? Ging die naar hun toe? Wat was dat voor ’n wezen? STAMP. STAMP, STAMP. En toen verscheen in de opening van de grot een enorme reus. Grote voeten, grote stevige benen, een enorm lijf en armen met handen groot was alles. En die handen die dreven alle schapen naar binnen waren toen boog die man z’n hoofd om ook zelf naar binnen te kunnen en AH…. ‘t, ’t was een cycloop. Dat was zo’n reus met één oog midden op het voorhoofd. En cyclopen dat belooft niet veel goeds. Dat zijn monsters. AH. De mannen hielden hun adem in, ze bewogen zo min mogelijk maar die reus of die dat monster, he die die die cycloop, die had een grote steen en daar sloot hij de opening mee af. Der kwam nog maar een klein streepje licht hier en daar naar binnen. En zo’n grote steen die niet met twintig man nog in beweging te krijgen was. Ze zate opgesloten. Ze konden geen kant meer uit. Ze hadden zich verstopt in het meest donkere hokje van de grot.
De cycloop die begon de schapen te melken n toen die klaar was maakte hij een vuur. En toen zag hij de mannen. “Hé, vreemdelingen. Wat doen jullie daar? Waar komen jullie vandaan?”. Odysseus stond op en die, die, die zei: “Wij zijn Grieken en, en we hebben schipbreuk geleden, heel veel van onze mannen zijn verdronken en wij zijn aangespoeld hier op dit eiland. Geeft u ons bescherming?”. “Bescherming? Bescherming? Wij cyclopen geven niemand bescherming. En ik, Polyphemus, al helemaal niet!”. En hij strekte zijn hand uit en hij greep een van de mannen, hij smeet hem tegen de muur en hij vrat hem op.
Klas: Ieuw.
J; AH. En nog een keer ging zijn arm en hij pakte een andere man en hij smeet hem tegen de rotswand en hij vrat hem op. Toen pakte hij zo’n grote emmer melk, goot dat naar achteren, ging liggen en viel in slaap. Wat moesten ze doen? Hoe kwamen ze hier toch uit? Die rots, die konden ze met geen, met met z’n z’n dertienen niet in beweging krijgen en en ze zaten gevangen. Even zat Odysseus nog te denken om met z’n zwaard het hart van de cycloop in z’n hart te steken, maar dat was niet zo’n goed idee. Want als die cycloop dood was, wat dan? Dan konden ze der helemaal niet meer uit, hè. Nee, dan, dan, dan zouden ze een langzame hongerdood sterven dus dat was niet zo’n goed idee.
De volgende ochtend die cycloop was nog maar net wakker, en ja hoor, zijn arm die greep weer een man, hij smeet hem tegen de wand aan en hij vrat hem op. Voor z’n ontbijt. En nog één, iemand die wilde wegrennen, die pakte die ook en hij smeet hem tegen de want aan en hij vrat hem op. En toen ging ie naar buiten met z’n schapen. En hij sloot de ingang van de grot weer helemaal af. Hoe kwamen ze hier uit? Odysseus had een plan. Odysseus was een slimme man. En die had nu meerdere plannen had gemaakt. En nou had die een plan om het ene oog van de cycloop door te doorsteken. Te doorboren, zodat die blind werd. Ja, een beetje griezelig verhaal. Gaat over monsters hè. Zodat die blind werd. En hij vond in de grot een boomstam. En een paar van z’n mannen die maakte die boomstam mooi glad. En zelf maakte hij het eind van de boomstam mooi, maakte die mooie punt. Heel scherp, heel scherp. Hield hem nog even in het vuur om hem nog scherper, nog puntiger te maken. En toen die tevreden was verstopte hij de boomstam onder de mest. En toen wachtten ze af.
Aan het eind van de middag. STAMP, STAMP. Toen kwam die weer aan. STAMP, STAMP, STAMP. Hij verscheen weer in de opening van de grot. Hè, tuurlijk eerst die grote steen weer weggedaan. Hij verstond, kwam in de opening, dreef z’n schapen naar binnen, sloot de opening weer af en ’t eerste wat die deed.. WOEAHA, WOEAHA, WHRAM. En nog één, WOEAHA, WOEAHA, HAM. Zo! En toen stond Odysseus op en zei: “Weet u dat na mensenvlees wijn voortreffelijk smaakt? Moet je echt proberen”. Hij had immers die grote leren zak meegenomen met van die hele sterke wijn. Hij schepte daar een kom aan, uit, en gaf ‘em aan Polyphemus, aan die cycloop. En die proefde eerst: “hmm”, en nog een keer: “hmm”. Nou het smaakte hem heel goed en hij, en Odysseus gaf hem nog een kom en toen nog een kom. ’t Was eh… het beviel hem prima en hij werd een beetje vrolijker. Hij zei eh: “Zo, mannetje. ‘k heb helemaal niet gevraagd hoe je heet. Hoe heet je eigenlijk?”. Maar voor dat Odysseus antwoord gaf, gaf hij die cycloop nog een kom met wijn. En toen zei die: “Ik, ik heet Niemand. Me vader en me moeder noemen me Niemand. M’n vrienden noemen me Niemand. Ik ben voor iedereen Niemand”. “Nou dat is dan best. Ik zeg dan ook Niemand tegen jou, en weet je, ik heb ook een welkomstgeschenk. Jou eet ik als laatste op”. Nah ja, daar wordt je niet vrolijk van. Maar Odysseus die had een plan. De cycloop was al een beetje begonnen met dubbele tong te praten en hij viel neer in een diepe dronkemans slaap. En toen haalde de mannen de boomstam onder de mest vandaan en nou moesten de –iemand die naar binnen wil komen? Oh –
Klas: Da’s Marjo, da’s Marjo. Begint net leuk te worden.
J: Ja, toen haalde ze de boomstam onder de mest vandaan. “En jongens nou moeten we meteen, meteen goed mikken. Het moet wel meteen goed gaan dus bij drie steken”. En de mannen: “Een, twee, ja en nu”, PAK! “OOOOH”, de cycloop die schreeuwde, die gilde. De hele omgeving was te horen, de grot trilde der zelfs van. En de cyclopen van het eiland die kwamen allemaal daar naartoe en zeiden: “Wat is er aan de hand? Wat is er, wat gebeurd hier?”. En Polyphemus die riep: “Niemand heeft mij blind gemaakt! Niemand heeft m’n oog doorgestoken! Niemand heeft het gedaan!”. “Nou ja… eh, waarom schreeuw je dan zo?”. Ze dachten die is een beetje gek geworden. En ze gingen weer naar hun eigen grot toe. Z’n ja…
En ja, de volgende ochtend moesten natuurlijk de schapen weer naar buiten. En Polyphemus, de cycloop, die dacht slim te zijn. De grote rots rolde hij maar voor de helft terug, dat er een opening was waar net ongeveer drie schapen tegelijk naar buiten konden. En elk schaap dat naar buiten ging voelde hij goed. Der mocht geen man ontsnappen. Niet op de schaap gaan zitten, niet dertussen door gaan lopen. Dus hij voelde alle schapen en zo leidde hij alle schapen naar buiten. En het laatste was de ram. De sterke ram. “Maar,” zei Polyphemus, “maar rammetje, wat loop jij toch langzaam. Anders ben je altijd een van de eerste die naar buiten wil. Ach, je hebt natuurlijk medelijden met je baasje die nu blind is. Kon je maar praten en aan mij vertellen waar ergens in deze grot de mannen zich ophouden”. Maar ook de ram ging naar buiten en Polyphemus die had er niet, die dacht slim te zijn. Maar Odysseus was nog veel slimmer. Die had drie schapen naast elkaar en hij had de poten aan elkaar gebonden met wilgentakken. En onder het middelste schaap hing steeds een van zijn mannen deronder. En zo konden ze ontsnappen. En onder dat ram, dat sterke ram, daar hing Odysseus zelf. Hij hield zich vast aan de vacht en ging zo naar buiten. Ze waren vrij! Het was hen gelukt! Ze omhelsden elkaar en ze namen de schapen mee naar de boot. En daar zaten hun vrienden al op hun mannen te wachten. En ze waren nog maar net in de boot toen bovenaan de rots Polyphemus kwam. Hij had het in de gaten en hij was kwaad, hij was woest. Hij brak een stuk van de rotsen af en hij smeet het hun achterna. En gelukkig raakte het hun boot niet. Der kwamen hoge golven, het water spatte, de boot stond onder water maar ze konden de boot recht houden. En Odysseus die werd een beetje overmoedig. En dat had die dus net niet moeten doen. Want hij riep naar Polyphemus daar boven op die rots: “Hé Polyphemus! Als een mensenkind jou vraagt wie jou blind gemaakt heeft zeg dan Odysseus. Odysseus heeft het gedaan!”. En toen die cycloop dat hoorde, oeh wat was ie kwaad, oeh wat was ie kwaad. En toen riep ie: “Hé, jij zal gestraft worden! Mijn vader Poseidon, de god van de zee zal jou laten zwerven. Zwerven jaren over de zee”. En hij pakte een grote rots en hij smeet hem dat nog achterna.
Odysseus lette der helemaal niet op wat ie had gezegd. Maar het is wel zo gegaan. Tien jaar heeft ie over de zee moeten zwerven, vele avonturen mee moeten maken voordat ie eindelijk voet aan wal kon zetten op Ithaka, het eiland waar hij koning van was. Het eiland waar zijn vrouw eigenlijk nog op hem wachtte, en zijn zoon die hij in twintig jaar niet had gezien.

Onderwerp

AT 1137 - The Ogre Blinded (Polyphemus)    AT 1137 - The Ogre Blinded (Polyphemus)   

Beschrijving

Odysseus komt met zijn mannen op een vreemd eiland en ze besluiten op onderzoek uit te gaan. Ze komen in een grot vol met schapen en grote vatten melk. Ze blijven daar enige tijd totdat ’s avonds een groot monster de grot in loopt en een grote zware steen voor de grotopening legt. De cycloop merkt dat er mensen zin zijn grot zijn en wil ze niet laten gaan. Odysseus bedenkt een list om alsnog levend weg te kunnen komen. Hij slijpt een stuk hout tot een scherpe speer en met behulp van zijn mannen steekt hij deze in het oog van de cycloop. De woedende cycloop is nu blind en wil zich wraken. Om te zorgen dat zijn gevangenen niet wegglippen maar zijn schapen wel buiten kunnen grazen schuift de cycloop de steen voor de grot maar een heel klein stukje opzij. Zo kan hij regulieren wat er uit de grot gaat. Odysseus bindt zichzelf en zijn mannen vast aan de onderkant van de schapen en als de cycloop voelt wat er naar buiten gaat merk hij niet dat de schapen de mannen mee naar buiten dragen. Zo ontsnapt Odysseus van de cycloop.

Bron

Vertelgenootschap Apeldoorn

Motief

G100 - Giant ogre.    G100 - Giant ogre.   

K1011 - Eye-remedy.    K1011 - Eye-remedy.   

K521.1 - Escape by dressing in animal (bird, human) skin.    K521.1 - Escape by dressing in animal (bird, human) skin.   

K602 - ”Noman.“    K602 - ”Noman.“   

K603 - Escape under ram’s belly.    K603 - Escape under ram’s belly.   

Commentaar

Verteld door een lid van Vertelgenootschap Apeldoorn op een basisschool tijdens de Wereldverteldag 2014

Naam Overig in Tekst

Odysseus    Odysseus   

Polyphemus    Polyphemus   

Trojaanse Oorlog    Trojaanse Oorlog   

Poseidon    Poseidon   

Naam Locatie in Tekst

Ithaka    Ithaka   

Griekenland    Griekenland