Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN17 - De macht van het gebed

Een legende (boek), 1919

Gertrudis.jpg

Hoofdtekst

De macht van het gebed.

Liefde! is er geen ander pad,
Dan door leed tot u te komen,
Hebt gij nooit een tot u genomen,
Die zijn bitterheid nog niet geleden had?
Willem de Merode.

Het begon met een geschiedenis van liefde en het eindigde met het woord vaarwel, zooals elke historie: hiervoor bestaat geen uitzondering. Het waren een jonge ridder en een jonge non, wonend in een klooster. Hij had haar lief, en hij dacht dag en nacht aan haar. Haar stem volgde hem, zijn ziel klonk met de hare samen, als twee klokken, die tegelijkertijd beieren. De smart der verlangende liefde mocht hij niet kennen: nòg grooter was zijn leed. De smart der verlangende liefde heeft een zacht-streelende bekoring. "Ach liefste! die zoo verre van mij woont, denk jij aan mij, zooals ik aan jou? Ik heb je lief. Ik zal je nooit kunnen zeggen, lieveling, dat ik van je houd. Tusschen ons zijn groote landen zonder wegen. Ik herinner me nog alles van je. Je moet niet denken, dat ik je vergeten ben. Zie de zonnebloem, hoe ze haar leven naar het licht wendt. Maar zóó lang duurde het, dat de zon niet scheen. Ik weet niet. of je mij nog liefhebt. Vaak denk ik, dat je me vergeten bent. Hoe kan dit ook anders, jij, die in een andere wereld leeft, waar ik nooit kan komen?" Dit zijn de woorden van een minnaar, het geloof de verlangende liefde; hem is het geoorloofd alles te zeggen, waardoor
hij zijn geliefde winnen kan. Maar niet dezen ridder, wiens liefde niet verlangen mocht, al zong Gertrude's naam hem. Hij kon zijn armen nooit
naar haar uitstrekken, en hij was veroordeeld eenzaam te blijven. Den blijden dwaalweg der liefde ging hij nimmer.
Er is altijd één groote zomerdag in het leven van alle gelieven, die eindeloos schijnt te duren, al hoort men den tijd voorbijgonzen. Maar zelfs dezen eenen dag had hij niet genoten. Hij had zijn leed in zich op te sluiten, en haar naam fluisterede hij alleen, wanneer hij ver van de menschen was.
'Gertrude!" Haar visioen riep hij echter nooit op. Zij woonde in het klooster, en zij diende Maria, de Moeder der smarten, en zijn bad tot haar als een verzonkene in het gebed dit alleen vermag.

Moet een elk de vuren vlam
Uwer heilgenade zengen?
Kunt gij dien slechts in uw hemel brengen,
Die gebrijzeld en gebroken tot u kwam?

Nooit vernam ze zijn liefde, en toch dwaalde hij langs akker en weg, terwijl zij zich wijdde aan den dienst des Heeren. "Wat zal er met mij geschieden?" zoo vroeg hij zichzelven dikwijls af. "Waarom moet ik zoo lijden?" Die zóó denkt, vindt niet makkelijk troost. Troost is er voor den man, die zegt: "Ik laat mijn neksspieren niet buigen. In de smidse des levens neem ik den zwaarsten hamer." Dit was de wreedheid en de voortdurendheid van zijn
machtige liefde, dat de eene smart de andere moest volgen, als in den nacht. Doch ach! geen zijner smarten vervloeide. Toen kwamen de dagen, toen kwamen de dagen, dat hij bang werd voor zichzelf. Zóó scherp lag de pijn in zijn wezen, dat hij in een ander mensch was verkeerd. Hij vluchtte.
"Hoe krijg ik de rust weder?" dacht hij, als hij over den weg reed, gelijk een dolleman. "O!" dat ik deze moet minnen, die ik niet minnen mag. Ik ben jong en der liefde waardig. Ware zij nog in de wereld — had zij haar gelofte
niet afgelegd — zie! de bloeiende, geurende weide, hoog van gras, die gelieven verbergen kan. Of zou zij met mij in het woud willen dolen, achter de hooge stammen der boomen, tot waar het kreupelbosch het dichts is? Ik voel in mijn hart, dat daarginds schoone muziek te hooren ..... waarvan ik altijd verre zal blijven."Maar al te lang kon hij deze gedachte niet verdragen —Zoo hij Gertrude den beker zijner liefde niet kon reiken, opdat zij dronk en zich verzadigde, kon hij haar klooster bedenken. Aldus vond zijn min, woordeloos, woorden. Hij was een koen ridder, die vele schatten had vergaard, en deze ging hij het klooster geven, dat door zijn werk tot rijkdom kwam. Kostbare edelsteenen, saffieren, karbonkelen, jaspissen, onyzen, kameolen, al deze wonderbaarlijke steenen met hun diepe lichten, schonk hij de kerk. Hij riep schilders tot zich, en gaf hun goud, opdat zij Jezus' heilig leven op het doek zouden malen. Dan kwamen de doeken, en men aanschouwde den Heere aan het kruis, of wel zag men Hem gaan met Zijn discipelen; of wel zag men Christophorus, groot van geloof, het Kindeke door de wilde wateren dragend. Men zag ook de Heilige Moeder gods met het Kindeke op haar schoot. Daarom zegenden allen het klooster, ook omdat de vrome nonnen van het vele goed, dat zij verwierven, aalmoezen konden ronddeelen. Er was weinig armoede meer in het land. De ridder zag, dat zijn rijkdommen verminderden, en weder werd hij door zijn liefde gekweld. Al deze jaren, dat hij het klooster had bedacht, schenen hem in een afgrond verzonken te zijn, en de nieuwe dagen dreigden hem. Wat moest hij beginnen, indien hij geen schatten meer brengen kon?
Hij trok ten strijde, en rijk was zijn buit, daar hij in velerlei landen kampte. Wonderen waren het, die hij verwierf, en die hij naar het klooster zond. Hij veroverde kransen van goud, zilveren bekers met edelsteenen bezet, tafelen van citroen- en rozenhout, marmeren beelden, geheimzinnig glaswerk, dat van binnenuit vlammen scheen te schieten, paarlen, welker waarde niet te schatten was. Maar alles, wat hij zond, had een glans, die niet van eenige stof afkomstig kon zijn. Als woorden, door een waarlijken minnaar gezegd, klonken goud en zilver. De armen van den ridder werden langzamerhand minder krachtig, en na een zwaren tocht gevoelde hij zich moede. Hij zond weinig goederen meer naar het kooster, en op een
dag bemerkte hij tot zijn schrik, dat hij arm was geworden. Al zijn geld en goed, en zijn moed had hij verspeeld, en hoewel hij zijn ouderdom reeds voelde, bleef zijn liefde zichzelf gelijk, en hij staarde voor zich uit, een man, die zijn ongeluk ziet.
"O, Gertrude!" zoo peisde hij, "bestond mijn leven niet hierin, dat ik u dienen moest, en waarom kan ik u nooit meer mijn liefde zeggen? Nu waarlijk leef ik verder van u dan ooit, want eens ben ik u genaderd, vloek en zegen voor mij dien dag! Wat moet ik zonder u nog doen? Waarom ben ik mijn jeugd verloren? Nog eenmaal jong te zijn, en opnieuw te schenken uit den bodemloozen beker. Voor andere menschen komt het oogenblik, dat zij
terugzien, en welgelukzalig zijn zij, die zich herinneren. Maar ik! wee mij! heb steeds gehandeld als een jongeling, en aan niets anders gedacht dan aan de toekomst. Ja, al den tijd, dat ik haar heb liefgehad, heb ik aan den volgenden dag gegeven. De volgende dag was voor mij steeds schooner dan het heden, en thans ....Wee mij, die haar mijn smart niet zeggen kan." zoo sprak hij tot zichzelven. Iederen dag reed hij uit, zonder gewin. Weder fluisterde hij in eenzaamheid.
"Zal je niet denken, dat ik je vergeten ben? Nu zal je gelooven, dat mijn liefde een einde heeft, als de bloei van bloesemen, te hevig opgegaan. Liefste! er is niets eervoudiger en geheimzinniger dan mijn trouw. Uit de verte lijd ik, God alleen weet hoeveel. Zullen je zusteren niet vragen: "is de ridder gestorven, dat de laatste olie uit zijn handen droop?" Zult ge dan niet gaan tot de wachteres uwer wilde stofwolk op den weg zaagt waaien?" Zult gij om mij schreien, denkend, dat ik gestorven ben? Neen, ge moogt
niet schreien om een wereldling, die u heeft lief gehad. Slechts moogt ge voor hem bidden, Gertrude, zuster Gertrude!" Toen zag hij op, en een vreemde gedaante met hoornen op den kop en pooten instee van beenen strond voor hem. De ridder herkende hem en sloeg de hand voor 't gelaat.
Was hij alreeds zóó diep verloren?
"Ridder!" zoo zeide de duivel, "Waarom vreest ge mij? Zijt ge niet van God verlaten geweest, zoolang ge hebt geleefd? Ge hebt nog meer geleden dan Job, ja. ik kan verklaren, dat ik niet velen heb gekend, die ongelukkiger waren dan gij. Maar — zoo vraag ik u —weet ge wel zeker, dat ge deze pijn moet doorstaan? Hebt ge wel zeker, dat ge deze pijn moets doorstaan? Hebt ge nooit over uw redding nagedacht?" De ridder deinsde terug.
"Wat wilt ge van mij, gij, die altijd, de vele jaren mijner liefde, op den achtergrond hebt gestaan, en die u thans op den voorgrond stelt. Waarom zijt ge niet eerder gekomen, als dit uw plan was."
"Ik wacht altijd op het goede oogenblik, dat de menschen radeloos zijn. Dan kom ik in hun leven, en loer .....en grijp. Wat ik te bieden heb, is veel, en wat ik vraag, is weinig, maar voor mij genoeg."
"Ik weet, wat gij vraagt", zeide de ridder somber, "Al weet ik niet, wat ge ervoor geven wilt, ditmaal. Doch geloof nooit, dat het voor mij niet kostbaar is, om mijn ziel te missen. Ge eischt immers mijn ziel, evenals gij ze steeds opvordert, er rijk aardsch gewin tegen aan doenspelend? Door u wordt de poort des hemels ons ontzegd, en aan u is ten slotte de schat."
"Neen, neen, edele ridder, ge moet u niet om 't hiernamaals bekommeren! Ge hebt Gertrude lief! Ge hebt Gertrude lief! Ik begrijp niet, dat ge nog om iets anders denkt. Hoe kunt gij dit?
"Ik kan dat ook niet", riep de ridder radeloos. "Ge weet wel, dat er voor mij maar één rijkdom is ter aarde en ten hemel, en deze is mijn liefde voor Getrude!"
"Zoo er maar één rijkdom is ter aarde en ten hemel, en ik kan u dien geven, waarom wilt ge er dan niet voor ruilen, wat voor u immers geen rijkdom is? Hoort, wat ik u bieden kan! Schatten en schatten, zoveel ge verkiest, goed en zilver en diamant, al wat voor geld te koop is. Geen uur, of ge kunt Getrude bewijzen, dat ge nog aan haar denkt. geen zorgen meer, omdat uw armen krachteloos worden. ouderdom bestaat er niet meer voor u, ge leeft voor uw liefde, en Gertrude prijst u in haar gebeden. Hoelang zal dit geduren? Zeven jaren. Doch bedenk, dat zeven jaren voor u de eeuwigheid zijn. Wat hebt ge er zonder mij van te verwachten? Immers niets! Kom ridder, bezegel dit met uw bloed, en ge geniet weder als vroeger."
"Wijk van mij, satan, ge maakt mij den strijd te zwaar. Waarom wilt ge, dat ik u toebehoor? Zoek rijkere zielen, zie, ik smeek u! Als zij het wist ze zou het nooit toestaan!"
"Als zij het wist? Nu spot ge immers met uzelven en met mij. Zij zal het nooit weten. Zeven jaren lang zal ze denken, dat gij al uw geschenken in den strijd verworven hebt. Wees niet dwaas."

De ridder boog zij hoofd, ter onderwerping. De duivel nam het zwarte perkament uit zijn kleed, en legde het den armen minnaar voor, die met zijn bloed teekende. De duivel verdween. Zeven jaren lang scheen het, of de ridder geen leed kende. Ieder dag werd hem tot heugenis van zonneschijn. Hij zond het klooster geschenken, rijker dan ooit.
De jaren, blonde bodes van het geluk, snelden den ridder voorbij, hij zag hun gloeiende kanpengezichten, en hij verblijde zich reeds rijker. Niemand wist, dat hij een verbond met den Duivel had gesloten. Gertrude bad voor
hem tot de Heilige Moeder Gods, zonder te beseffen, welke zonde hij had bedreven, en hoe de arme gever Gods genade meer behoefde dan eenig sterveling. De eerste zes jaren waren aan den horizon verdwenen — het zevende, met zijn krans van crocus en sneeuwklok, begon den
meedogenloozen wedloop. De ridder, die hem zag, hield zijn adem van schik in. O, wreede tijd, o jonge bode ieder jaar weder, met den glimlach om den mond!
Toen de zeven jaren verzameld stonden in de onzichtbare hemelen, wist de ridder, dat hij den zwaartsen tocht zijns levens moest aanvaarden, doch eerst ging hij naar het convent, om háár eenmaal te zien, om wier wil hem
eeuwige verdoemenis wachtte. Met loomen tred liep hij tot aan het klooster, en daar bemerkte hij het nonneke, Gertrude bij name. Het was hem niet geoorloofd haar dicht te naderen, en haar glimlach was niet van deze aardsche liefde. Hij kon zijn hand niet op zijn hart leggen. Hoe wist zij, dat hij haar minde? Ze nam een beker en vulde dien vol met wijn.
"Vaarwel!" zoo zeide ze. Hij dronk haar toe, maar antwoordde haar niet. Hij durfde haar geen oogenblik aan te zien. Hij wierp zich op zijn paard, en reed weg. Zijn ziel snikte: "vaarwel! vaarwel!" Gertrude boog zich voor het altaar terneder, en bad. Hoe gevoelde ze het, dat hij haar voorspraak meer dan ooit behoefde? Haar woorden gingen recht naar den Hemel.
Rijdend, rijdend over het wijde veld, kwam de ridder aan de plek, waar satan hem wachtte.
"Hier hebt ge me," zeide hij ademloos. "Neem mijn ziel." De duivel zag hem duister aan.
"Niet kan ik uw ziel nemen —," antwoordde hij droeve, smartelijk-bewogen om de schat, die hem ontging, " alle machten des hemels spannen samen om u te redden. Ben ik niet de arme Lucifer, en weet ik niet, hoe sterk de
hemel is? Wee mij, ik heb u verloren door de macht van Gertrude's gebed. Voor het altaaar knield ze neder!"
Hij omhulde zijn gelaat met den mantel. De ridder keerde tot zichzelf in, en hij staarde naar zijn zonden. Geen schatten zond hij meer naar het convent,
waar Gertrude leefde, doch hij werd monnik, en hij verwierf zich door vasten en gebed hemelsch gewin.

Maar voor hem, die een zwaren tocht zou ondernemen, werd een beker gevuld met wijn, men zeide dit droeve woord, zoo somber van klank: "vaarwel" en men wenschte hem heil met dronk van Sint Geerteminne, ter herinnering aan de vrome non Gertrude, die gebeden had, vóór de ridder reed tot aan de plek, waar de Duivel hem wachtte.

Onderwerp

SINSAG 0865 - Die Macht des Gebetes; Teufel kann mit seinem Opfer nicht an einem Betenden vorbeigehen.    SINSAG 0865 - Die Macht des Gebetes; Teufel kann mit seinem Opfer nicht an einem Betenden vorbeigehen.   

Beschrijving

Een ridder is verliefd op een non, maar zij blijft zijn hele leven onbereikbaar. Als uiting van zijn liefde bedeelt hij het klooster met zijn rijkdom. Op het moment dat hij arm is, komt de duivel, aan wie hij in ruil voor zeven jaar rijkdom zijn ziel geeft. Op de laatste dag van de overeenkomst met de duivel gaat de ridder langs bij het klooster, ontmoet haar en zegt haar vaarwel. De non bidt voor hem. Hij gaat naar de duivel, biedt zijn ziel aan, maar die kan zijn ziel niet aannemen, want het gebed van de non voor de ridder is sterker dan de macht van de duivel.


Bron

J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 108-114

Commentaar

Zie WVHIL074: Van Sinte Gheertruden Minne van Willem van Hildegaersberch.

Naam Overig in Tekst

Gertrude    Gertrude   

Maria    Maria   

Heer    Heer   

Christophorus    Christophorus   

Kindeke    Kindeke   

Heilige Moeder Gods    Heilige Moeder Gods   

Lucifer    Lucifer   

Sint Geerteminne    Sint Geerteminne   

Duivel    Duivel   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20