Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN19 - De heilige Bonifacius

Een legende (boek), 1919

Bonifatius.jpg

Hoofdtekst

De Heilige Bonifacius

De heilige Bonifacius, die de goede tijding met zich mededroeg, alwaar hij stond en ging, was heelemaal uit Engeland gekomen, om deze onder de
menschen te verdeelen. Vreemd mag 't worden genoemd, dat ze voor hem even zwaar bleef, al reikte hij ze aan honderden over.
Maar toen hij bij den boozen koning Radbout kwam, lachte deze zóó, dat de baard ervan schudde.
"Bonifacius," schaterde hij, "komt ge uit zulk een ver land alleen, om ons dwaasheden te leeren? We hebben aan de oude goden genoeg, die ons volk tot dusver hebben beschermd."
"Mijn God is er een van liefde en barmhartigheid."
"Ga naar andere landen," zeide koning Radbout.
Toen trok de heilige Bonifatius uit het land der Friezen weg. In die dagen was hij nog een jong man, en hij zwierf onstuimig de groote wereld door, overal sprekend van den nieuwen God, die er een is van liefde en barmhartigheid. Hij kwam in 't land der Duitschers, maar nooit vergat hij de Friezen.
Koning Radbout, de machtige vijand der Christenen, stierf eindelijk, en zoodra hoorde dit Bonifacius, of hij trok naar Friesland terug. In die dagen was Willibrord bisschop te Utrecht. In iedere stad predikte Bonifacius, doch ook in de dorpen kwam hij. Hij hief het kruis hoog en riep met klinkende stem:
"Wees barmhartig!"
Er waren er, die hem vroegen, wat dit zeggen wilde?: "Wees barmhartig!" en hij zeide: "Aanzie de vogelen in den winter, als de akkers vol sneeuw liggen, en hun teedere snavel geen voedsel op den anders zoo milden bodem kan vinden. Ik heb een schamele vrouw gekend, die kruimelen broods voor de
arme dieren uitstrooide. Deze vrouw was barmhartig! Er ging een zwerver door 't land, en een kind liep tot hem, en gaf hem een penningske. Dit kind was barmhartig! Christus is voor ons allen gestorven, uit barmhartigheid!"
In de menigte, die om hem heen stond, waren er velen, die lachten, en hij verroerde zich niet. Hij was ouder geworden, en hij had geleerd, dat de spot van het volk den enkeling dooden kan. Toch waren er reeds vrouwen, die naar hem luisterden, en in den schemer bij hem kwamen.
De goede Bonifacius vertelde haar van de barmhartigheid, en hij zeide, dat ze eraan moesten denken en er over moesten spreken. hieruit begrepen ze, dat hij weder vertrekken wilde, en ze weenden.

Hij troostte haar. "Ween niet, lieve vrouwen," zeide de goede Bonifacius.
"De vruchten zijn nog niet rijp en mijn handen mogen ze niet plukken. Daarginds in het Hessenland verwacht men mij. Wees toch niet bedroefd, ik kom immers weder? Ook ik ben barmhartig. Ik weet, dat dit volk gebrek lijdt en ik zal rijkdom geven."
"Zal het niet nog vele jaren duren," huiverde een stem. "Zullen we u wel weder zien?"
"Dood en leven zijn niet in de handen van stervelingen, doch dit beloof ik, dat ik de Friezen niet vergeten kan."
De goede Bonifacius was een oud man geworden, met een langen, grijzen baard, toen hij naar Friesland terugkeerde.
Velen, die hij vroeger gekend had, waren gestorven. Hoe vreemd! Zijn goed tijding werd verteld in steden en dorpen.
"Is dat niet Bonifacius, die ons van de barmhartigheid heeft verteld?" vroegen de menschen elkander.
"Ja, ik ben 't, Bonifacius," glimlachte de heilige, "ik ben oud geworden, lieve mannen en vrouwen, maar ik kom niet met andere woorden tot u."
"Ja, ja," zeiden de menschen verrukt tot elkander, "hij heeft ons geleerd, wat barmhartigheid is, vele jaren geleden. Hoe vreemd, dat dit woord nog sterker is dan een zwaard.
Toen trok de goede Bonifacius ten derde en ten laatsten male door Friesland, en eens kwam hij in een dorp; hij was arm en hongerig van het vele zwerven. Hij schudde zijn tabberd, doch geen druppeltje geld viel eruit,
Toen gevoelde hij, dat zijn maag jengelde en jammerde. Hij liep de straat van het dorp eens door, tot hij plotseling stilstond. Uit een der huizen vleide een stroomende geur van pasgebakken brood, die zijn neusgaten kittelde en zijn maag in behagelijke wellust deed opspringen van vreugde. Zooiets lekkers, als daar zooeven uit den warmen oven was geschoven, had hij (dit wist hij zeker) in jaren niet gegeten, en zoo vlug een jongeling liep hij op den winkel toe. De bakker stond in de deur, en zijn gelaat was norsch. Die goede Bonifacius, ach! al was hij en oud man geworden, hij wist nog niet, hoe wreed de menschen tegenelkaar kunnen zijn. Hij meende maar, dat alle handen in Friesland nu wel gaarne geven zouden, en hij wendde
zich tot de bakker.
"Vriend", zeide hij,"ge zult me misschien wel kennen. Ik ben Bonifacius, en ik kom uit Engeland, om ulieden te leeren, wat barmhartigheid is. geef me daarom uit barmhartigheid een der twee brooden, die ik ginder zie staan,
nog dampend van den warmen oven. ik heb zulk een honger, want in twee dagen heb ik niets gegeten!"
Hij streek met zijn hand over zijn maag en zijn volle blik richtte zich op de wasemende spijs.
De bakker ging met beide schouders tegen de deur van den winkel staan.
" Die brood wil eten, moet geld kunnen doen rinkelen. hebt ge geld, Bonifacius?"
"Geld?" voreg de goede heilige. "Hoe kan ik geld bezitten, ik, die preek van de barmhartigheid? Komen de armen niet het eerst tot mij, lieve vriend? Ziet!" hij schudde zijn tabberd weder, en geen penninkske kwam eruit."Ziet!"
hij liet zijn rimpelige hand kijken, en de schaduw der beenderen was tusschen 't gele vleesch gelegd.
"Zonder geld geef ik geen brood!"
Toen werd Bonifacius zeer vertoornd, omdat hij overal met barmhartigheid had gesproken, en daarvoor met gevaar voor eigen leven driewerf naar de Friezen was gegaan. Hij strekte zijn hand naar de twee brooden uit,
waarboven de vaag-blauwe wolk der verschheid hing. Het weeke deeg schrompelde ineen, de wasem vloeide, en onwilleleurig liep de bakker naar de brooden, als werd zijn bezit aangerand.
"Wie zijt ge?" riep hij daarna angstig uit en hij viel voor de heilige neder.
Het dorp ontwaakte uit zijn starheid. van alle zijden kwamen den menschen, en ze betastten de brooden, één voor één, ziende van den bakker naar den heilige, van de heilige naar den bakker.
"Steen zijn ze geworden," mompelde men.
De goede Bonifacius glimlachte, en hij gevoelde zijn lust naar lijfbehoud niet meer; te sterker echter drong hen de honger zijner ziel, en ten laatsten male sprak hij van de barmhartigheid. opdat dit een teeken zou worden voor de ongeloovigen, toonde men de steenen Bonifacius-brooden nog langen tijd na den dood van den martelaar, die bij Murmerwoude werd verslagen door wreede handen.

Onderwerp

VDK 0751E* - De stenen broden    VDK 0751E* - De stenen broden   

Beschrijving

Bonifacius wordt door koning Radbout verdreven, komt na zijn dood terug, trekt na enige jaren verder om het christendom te prediken, en komt als oude man terug. Arm en hongerig vraagt hij bij een bakker om een brood, maar krijgt niets. Als straf verandert Bonifacius het brood in steen. Na zijn dood, Bonifacius werd bij Murmerwoude verslagen, zijn de broden nog lang getoond als teken voor de ongelovigen.

Bron

J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.121

Naam Overig in Tekst

Bonifacius    Bonifacius   

Radbout    Radbout   

Friezen    Friezen   

Duitsers    Duitsers   

Christenen    Christenen   

Hessenland    Hessenland   

Bonifatius    Bonifatius   

Willibrord    Willibrord   

Naam Locatie in Tekst

Engeland    Engeland   

Friesland    Friesland   

Murmerwoude    Murmerwoude   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20