|
|
De Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut bevat momenteel 42454 verhalen uit heden en verleden. Alle genres zijn vertegenwoordigd: sprookje, sage, legende, raadsel, mop, stadssage (broodje-aapverhaal) en dergelijke. De oudste verhalen stammen uit de middeleeuwen, de jongste verhalen dateren - bij wijze van spreken - van gisteren. De verhalen zijn zowel in het Nederlands, het Fries als in allerhande streektalen.
In 1994 is er begonnen met de opbouw van de Volksverhalenbank. Enerzijds is de bank
bedoeld als een modern medium voor opslag en conservering van het vluchtige
culturele erfgoed dat de mondelinge overlevering van verhalen toch is. Anderzijds is de bank een onderzoeks-instrument waarin wetenschappers, studenten, journalisten, vertellers en andere belangstellenden kunnen zoeken. Tot 2004 moesten belangstellenden naar het Meertens Instituut komen om de database te raadplegen, maar met de invoer van het 30.000e
verhaal heeft de bank voldoende volume gekregen om een ontsluiting via internet te rechtvaardigen.
Niet dat de Volksverhalenbank nu voltooid is. Alleen al het archief van het Meertens Instituut herbergt nog vele duizenden optekeningen en opnames van vertelsessies. Maar er worden ook elke dag weer vele verhalen verteld: dat zijn niet altijd nieuwe verhalen, maar toch minstens oude verhalen in een nieuwe versie herverteld. Overigens spelen ook boeken, tijdschriften en kranten nog altijd een grote rol in de verspreiding van volksverhalen, en het belang van internet neemt hedentendage alleen maar toe. Ook uit deze bronnen worden verhalen in de database opgenomen – zelfs de anonieme ‘gePhotoshopte’ moppen die vandaag de dag via email de wereld overvliegen.
Naast de complete verhalen zelf (druk op de link “tekst”), herbergt de databank ook de nodige context-informatie, zoals: waar en wanneer is het verhaal verteld en door wie? Tot welk (internationaal) verhaal-type behoort de vertelling? Komt het verhaal ook voor bij de gebroeders Grimm of Charles Perrault? Tevens bevat de Volksverhalenbank een lexicon waarin ruim 200 verhaaltypen (van Aladdin tot Zwaan Kleef Aan) nader besproken worden.
Zelf een verhaal toevoegen
Deze optie is toegevoegd aan de internet-versie van de Volksverhalenbank. Wie de link “zelf een verhaal aanleveren” aanklikt, kan als gebruiker de Volksverhalenbank aanvullen met een eigen vertelling: de zojuist gehoorde mop, een favoriet sprookje, een bijzonder raadsel, een akelig broodje-aapverhaal. Dit aanleveren van verhalen wordt gemodereerd, dat wil zeggen: de verhalen worden eerst beoordeeld op hun bruikbaarheid, vooraleer ze daadwerkelijk aan de Volksverhalenbank worden toegevoegd.
Hoe moet u zoeken?
Er zijn twee manieren om te zoeken:
1. Eenvoudig zoeken. U zoekt à la Google op een trefwoord of een naam of een combinatie hiervan. De naam kan een naam van een personage of een plaats in het verhaal zijn, of de plaats of provincie van vertellen. Als u bijvoorbeeld zoekt op “Roodkapje Friesland” dan vindt u de Roodkapje-versie die de 81-jarige mollenvanger Anders Bijma aan verzamelaar Ype Poortinga vertelde op 28 september 1971 in het Friese Boelenslaan.
2. Geavanceerd zoeken. Deze optie is vooral bedoeld voor de experts, die bijvoorbeeld weten dat het sprookje van Roodkapje het internationale catalogusnummer “AT 0333” heeft – zij vullen in het veld “volksverhaal type” dit nummer in, en vinden zodoende alle Roodkapje-verhalen (ook parodieën en moppen) die er in de database zitten. Geavanceerd zoeken kan in alle velden.
Wat betekenen de velden en links?
Hieronder volgt puntsgewijs en alfabetisch gerangschikt een korte uitleg bij de verschillende velden en links:
- aard bron: een indicatie uit wat voor type bron het verhaal afkomstig is. Bijv. mondeling (m), manuscript (h), brief (s), boek (b), krant (k), tijdschriftartikel (a), elpee (l), vragenlijst (v), kluchtboek (u), email (e), internet (i).
- Aarne Thompson: klik op deze link voor de internationale catalogus van sprookjes en grappige sprookjes (moppen, anecdotes) getiteld: The Types of the Folktale (Engelse editie 1965). Alle typenummers uit deze catalogus beginnen altijd met AT. Bijv. AT 0709 = Snow-White (Sneeuwwitje).
- Aarne Thompson Uther: klik op deze link voor de internationale catalogus van sprookjes en grappige sprookjes (moppen, anecdotes) getiteld: The Types of International Folktales (Engelse editie 2004). Alle typenummers uit deze catalogus beginnen altijd met ATU. Bijv. ATU 0555 = The Fisherman and His Wife (Piggelmee).
- beeld: klik op deze link om de bijbehorende afbeelding(en) te bekijken.
- Brunvand: klik op deze link voor de catalogus van stadssagen (urban legends, broodje-aapverhalen), als ‘A Type-Index of Urban Legends’ opgenomen in The Baby Train and Other Lusty Urban Legends (Engelse editie 1994). De typen hebben in dit boek geen nummers en zijn ten behoeve van de Volksverhalenbank toegevoegd; ze beginnen steeds met BRUN. Bijv. BRUN 02000 = The Microwaved Pet (over het onfortuinlijke hondje dat door het vrouwtje in de magnetron wordt gezet om te drogen).
- corpus: de naam van de collectie of het bestand waarin het verhaal bewaard wordt. Bijv. CBAKKER staat voor de Collectie Bakker en JAARSMA voor de Collectie Jaarsma. CBOEKENO staat voor de Collectie Boekenoogen.
- datering: het moment van het vertellen van het verhaal. Bijv. Anders Bijma heeft zijn Roodkapje-versie aan Ype Poortinga verteld op 28 september 1971.
- geluid: klik op deze link om het geluidsfragment te beluisteren van een verhaal (sommige geluidsbestanden zijn nogal groot en vergen de nodige tijd om te downloaden).
- Grimm: klik op deze link door naar de Kinder- und Hausmärchen van de Gebroeders Grimm in de Duitse editie van 1812-1814. Bijv. onder Roodkapje treft u dan Rotkäppchen aan.
- id nummer: elk verhaal krijgt een uniek nummer mee, waardoor verhaal en context aan elkaar gelinkt kunnen worden. Bijv. de Roodkapje-versie die Anders Bijma verteld heeft, heeft als id nummer ABIJMA22. Alle verhalen uit de Collectie Jaarsma hebben een id nummer dat begint met CJ. Alle verhalen uit de Collectie Bakker beginnen met CBAK, en alle verhalen uit de Collectie Boekenoogen beginnen met CBOEK.
- Kloekenummer: specifieke code die aan elke plaats in Nederland of Vlaanderen is gegeven door de dialectoloog G.G. Kloeke. Op basis van de Kloekenummers kunnen verspreidingskaarten getekend worden. Bijv. Amsterdam = E109.
- lexicon: klik op deze link voor het lexicon met informatie over bepaalde verhaaltypen, zoals Sneeuwwitje of Roodkapje. Alle lemma’s uit het boek Van Aladdin tot Zwaan Kleef Aan van Ton Dekker, Jurjen van der Kooi en Theo Meder zijn in het lexicon opgenomen. Het lexicon is vervolgens nog aangevuld met nieuwe verhaaltypen, met name sagen en stadssagen. In het lexicon wordt onder meer aandacht besteed aan herkomst, verspreiding, populariteit en interpretatie van bepaalde volksverhalen.
- literair: komt het verhaal uit een literaire bron of niet (m.a.w. is het verhaal achter de schrijftafel tot stand gekomen of niet?)? Een mondeling verteld volksverhaal is niet-literair, het broodje-aapverhaal dat Harry Mulisch opnam in zijn boek De Elementen is wel literair. Bepaalde op rijm gezette volksverhalen worden ook als literair aangemerkt.
- namen: alle namen die in het verhaal voorkomen. Als richtlijn voor een naam is hier genomen: alles wat men in het Nederlands met een hoofdletter zou moeten schrijven.
- notulist: degene die het verhaal heeft opgetekend - in veel gevallen de volksverhaal-verzamelaar. Bekende Nederlandse verzamelaars zijn onder andere: C. Bakker, G. J. Boekenoogen, A.A. Jaarsma en Y. Poortinga.
- omschrijving: de titel die in een catalogus aan een bepaald volksverhaaltype gegeven wordt. Bijv. The Glutton; Red Riding Hood (= AT 0333 = Roodkapje).
- opmerkingen: in dit veld wordt – indien nodig – allerlei overige informatie opgenomen, die relevant zou kunnen zijn voor een beter begrip van het verhaal. In dit veld wordt tevens aangetekend of er bijbehorend beeld of geluid beschikbaar is bij het verhaal.
- Perrault: druk op deze link voor de Sprookjes van Moeder de Gans van Charles Perrault in de oorspronkelijke Franse tekst uit 1695-1697. Bij Roodkapje vindt u onder deze link Le petit chaperon rouge.
- regio: plaats en provincie van vertellen: waar heeft de verteller het verhaal verteld? (En dus niet: waar komt het verhaal oorspronkelijk vandaan, want dat is vaak hoogst speculatief). Bijv. Anders Bijma heeft zijn Roodkapje-versie aan Ype Poortinga verteld te Boelenslaan, Friesland.
- schriftbron: bibliografische beschrijving (of anderszins) van de bron waaruit het verhaal afkomstig is. Regelmatig betreft het een optekening uit de mondelinge overlevering, maar een verhaal kan ook uit een boek, tijdschrift, krant of brief afkomstig zijn, of via email zijn toegezonden.
- Sinninghe: druk op deze link voor de catalogus van Nederlandse sprookjes, grappige sprookjes (moppen, anecdotes), sagen, oorsprongssagen en legenden, getiteld Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten (Duitse editie, 1943). Deze catalogus heeft in het begin dezelfde opbouw als die van Aarne-Thompson, maar de typenummers voor sagen en legenden zijn nieuw. Typenummers in deze catalogus beginnen steeds met: AT (sprookjes), SINAT (door Sinninghe toegevoegde sprookjestypen), SINSAG (sagen), SINUR (oorsprongssagen) en SINLEG (legenden). Bijv. SINSAG 0031 = Die Prophezeiung des Meerweibes (een zeemeermin of zeemeerman kondigt de ondergang van een stadje aan).
- subgenre: het specifieke genre waartoe het volksverhaal behoort. We onderscheiden: sprookje, sage, mop, raadsel, stadssage (= urban legend), legende, kwispel en personal narrative.
- taal: de taal waarin het verhaal is verteld en/of opgetekend. Bij standaard-Nederlands staat ABN ingevuld (al is niet elke tekst even beschaafd!). Andere mogelijkheden: Fries, Gronings, Waterlands, Liemers, Middel-neder-lands, 17e eeuws. Ook kan er een tweede taal zijn opgenomen, zoals het Engels.
- tekst: klik op deze link om de letterlijke tekst van het verhaal op te vragen in de oorspronkelijke taal.
- Theo Meder: klik op deze link voor de aanvullende volksverhaal-catalogus ten behoeve van de Volksverhalenbank van het Meertens Instituut. De typenummers beginnen steeds met TM. Bijv. TM 3101 = Heks maakt kind (mens) ziek.
- titel: lang niet elk volksverhaal heeft een titel. In tegenstelling tot schrijvers en voorlezers, beginnen mondelinge vertellers een verhaal meestal niet met het noemen van een titel (“Roodkapje. Er was eens een meisje...”). Toch zitten er in de Volksverhalenbank ook vertellingen die expliciet een titel hebben meegekregen (bijv. “Roodkapje” bij het verhaal van Anders Bijma, een titel die de verzamelaar er in het transcript van de bandopname boven heeft gezet).
- trefwoorden: de trefwoorden die zijn toegekend om het verhaal te kunnen vinden. Veelvuldig gebruikte, algemene trefwoorden zijn bijvoorbeeld: hekserij, toverij, spokerij, spookdier, naloop, dood, moord, geestelijke, militair, rover, koning, boer.
- type: volksverhalen krijgen in catalogi vaak een (internationaal) nummer, waarmee de identificatie vergemakkelijkt wordt. Van de volgende catalogi is gebruik gemaakt: Aarne-Thompson (AT: internationale sprookjes en moppen), Van der Kooi (VDK: Friese sprookjes en moppen), Sinninghe (SINAT, SINSAG, SINUR, SINLEG: Nederlandse sprookjes, moppen, sagen en legenden), Brunvand (BRUN: stadssagen) en Theo Meder (TM: aanvullende catalogus Meertens Instituut voor alle genres). Niettemin kan het voorkomen dat verhalen geen typenummer krijgen, omdat geen catalogus erin voorziet, of omdat het om persoonlijke of familie-vertellingen gaat. Bijv. AT 0333 (= The Glutton; Red Riding Hood = het sprookje van Roodkapje)
- uniek id: zie “id nummer”.
- Van der Kooi: klik op deze link voor de catalogus van Friese sprookjes en grappige sprookjes (moppen, anecdotes), getiteld Volksverhalen in Friesland (Nederlandse editie 1984). De catalogus is hetzelfde opgebouwd als Aarne-Thompson, maar er zijn nieuwe verhaaltypen aan toegevoegd: de typenummers beginnen steeds met respectievelijk AT en VDK. Bijv. VDK 0958G* = De Appelvangproef.
- verhaalopbouw: de samenvatting van de plot in modern Nederlands (voor de complete tekst in de oorspronkelijke taal moet op de link “tekst” worden geklikt).
- verteller: de naam van de verteller van het verhaal. (En dus niet: de oorspronkelijke verteller, want die is bij volksverhalen zelden te traceren. Bij email geldt als verteller: degene die het verhaal heeft opgestuurd en dus de laatste verteller is voor opname in de Volksverhalenbank)
Welke informatie is afgeschermd?
Om uiteenlopende redenen wordt niet steeds alle informatie getoond. Hier volgt een kort overzicht:
1. Privacy. Bij alle verhalen worden zoveel mogelijk de namen van de vertellers vermeld: zij zijn immers de ‘auteurs’ of – liever gezegd – de ‘performers’ van de verhalen. Om redenen van privacy is het echter niet mogelijk om de persoonlijke gegevens van de vertellers op te vragen. Op verzoek zijn ook sommige namen van vertellers afgeschermd. Als vertellersnaam staat dan ANONIEM vermeld.
2. Auteursrecht. Op bepaald materiaal berust auteursrecht, zoals krantenartikelen, persfoto’s en journaaluitzendingen. Ook dit materiaal wordt afgeschermd.
3. Aanstootgevend materiaal. Sommige verhalen en afbeeldingen kunnen als aanstootgevend worden ervaren. Omwille van de wetenschappelijke volledigheid worden ze wel verzameld, maar niet vrijgegeven. Tot de afgeschermde categorieën behoren uitingen van racisme, sexisme, majesteitsschennis, godslastering en pornografie.
Voor wetenschappelijke doeleinden kan alle afgeschermde informatie wel (op afspraak) geraadpleegd worden op het Meertens Instituut.
Aan de Nederlandse Volksverhalenbank werkten mee:
- Theo Meder (coördinator Volksverhalenbank, ontwerper database, volksverhaal-onderzoeker)
- Eric Venbrux (antropoloog)
- Maarten van der Peet (programmeur, webtechniek)
- Minke Priester (stagiaire, vormgeefster, antropologe)
- Ellen van der Grijn (beheerder Volksverhalenbank; documentaliste)
- Cor Hendriks (stagiair, invoerkracht)
- Ingeborg Soldaat (invoerkracht)
- Vivien Waszink (invoerkracht)
- Annemieke van der Velden (stagiaire)
- Natanja Leest (stagiaire)
- Paulien Daudeij (stagiaire)
- Jikke Pen (stagiaire)
- Henrik Tijmes (stagiair)
- Paula van den Berg (stagiaire)
- Nico Weenink (stagiair)
- Coretta Wijbrans (stagiaire)
- Miranda Bensing (stagiaire)
- Mereie de Jong (stagiaire)
- Liesbet Altena (stagiaire)
- Leonoor Soet (stagiaire)
- Wendy de Visser (stagiaire)
- Barley Verhagen (stagiaire)
- Diana Giesbergen (stagiaire)
- Anouk Siegenbeek Van Heukelom (stagiaire)
- Elise de Bree (stagiaire)
- Rachèl Gerrits (stagiaire)
- Ilja Hijink (stagiaire)
- Saskia Jägers (stagiaire)
- Véronique Pluijmaekers (stagiaire)
- Moniek Vis (stagiaire)
- Roos de Wilde de Ligny (vrijwilligster)
- Anya Boelhouwer (stagiaire)
- Freek van der Heide (stagiair)
- Loes Hendriks (stagiaire)
- Linda de Boer (stagiaire)
- Marianne van Zuijlen (beheerder Volksverhalenbank, documentaliste)
- Ruben A. Koman (projectleider)
- Ester Fabriek (stagiaire)
- Iris Savelkouls (stagiaire)
- Saskia van Oostveen (stagiaire)
- Stephan de Vos (vrijwilliger)
- Oscar Strik (vrijwilliger)
- Larissa Hageman (stagiaire)
- Ilse Slootweg (stagiaire)
- Miranda Huivenaar (stagiaire)
- Teun Cortooms (stagiair)
- Flora Illes (stagiaire)
- Nóra Rácz (stagiaire)
- Eszter Bárdos (stagiaire)
- Manon ter Hofstede (stagiaire)
- Frans Camphuijsen (stagiair)
- Olga Mackaay (stagiaire)
- Dorine Boudewijn (stagiaire)
- Susanne Groenendijk (stagiaire)
- Sophie van Setten (stagiaire)
- Cynthia Hensen (stagiaire)
- Petra Visser (stagiaire)
- Janneke Vos (stagiaire)
- Olga Leonhard (stagiaire)
- Roel van den Assem (stagiair)
- Martha Houweling (stagiaire)
- Elize Zonnenberg (stagiaire)
- Naomi de Moor (stagiaire)
- Daphne van Helvoort (stagiaire)
|