Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SOLDAA13 - Dertiende vertelling

Een sprookje (boek), 1804

Hoofdtekst

Dertiende vertelling
Daar was eenmaal een Boer die had drie zoons en de oudste en de jongste moesten 's nagts de schapen hoeden heel ver van het huis en dan kwam er altijd een zwart keerl aan die stal haar altijd ieder nacht een schaap af doe zei de middenste dat hij wol de schapen ook eens een nacht hoeden.
ik zal die zwarte man wel krijgen. Doe nam hij een vatje met brandewijn met en een oordstkop en toen was er één schaap dat een lam kreeg en dat Lam moest hij dragen. en toen hij daar kwam, kwam die zwarte Reus er al aan en zeide dat lam moet ik hebben. Neen zeide hij dat wil ik houden, Neen, dat wil ik hebben. toen koom aan dan willen wij eens drinken en hij dronk een kop vol op doe smaakte het hem zoo lekker dat zij dronken het heele vatje leeg en toen werd de reus zoo dronken dat hij niet staan kon en toen sneed die middenste zoon de reus de hals uit en de kop er af en begroef die in het zand en toen ging hij 's morgens weer naar huis en kwam bij huis, toen zagen de andere broeders hem al en zeiden hoe dat het ofgeloopen was. doe zeide hij heel goed hij wilde mijn lam hebben maar ik heb het nog toen zeiden de andere broeders hij moest er vannacht maar weder heen doe zeide hij dat zij hoefden niet bang te zijn dat de zwarte reus was doodt en hij legd daar en daar en zijn kop legt onder het zand ik wil aan het reizen en zien wat bang is.
toen ging hij weg en kwam bij een boerenplaats die aan het kerkhof stondt en vroeg daar of zij ook wisten wat bang was, toen zeiden zij ja wij durven na 10 uuren niet weer over het kerkhof gaan daar spookt het zoodadig. Nu daar wil ik wel reis een nacht wezen toen ging hij 's nachts op het kerkhof en zou de boer zijn koeijen hoeden en hij nam een hoedstok mede en toen hij aan de andere zijde van het kerkhof kwam stond daar een tafel met heren er om heen en waren aan het kaartspelen. toen kwam hij daar bij en zij vroegen hem of hij ook met speelen wilde Jawel zeide hij maar ik heb geen geld, dat is niets wij zullen malkaar zooveel geld niet ofwinnen nu zij speelden met elkander en toen won die niet wist wat bang was van de eene heer 2 1/2 st. toen zeide hij betaal mij maar reis of hij zeide niets toen kreeg hij zijn hoederstok en sloeg er mank en toen werden zij een toen zeide hij ik moet zeggen gij zijt dubbelde menschen, toen ging hij 's morgens weer naar de boer toen zeide boer hoe het afgeloopen was toen zeide hij och wat zou het wezen het bennen schelms ik heb van de eene heer 2 1/2 st. gewonnen en hij wilde mij niet betalen toen zeide de boer dan moet gij hier vannacht maar weer wezen. Neen zeide hij dat is mij de pijn niet waardig het bennen schelms en toen reisde hij voort en kwam bij een heer en toen vroeg hij daar of zij ook wisten wat bang was toen zeide de heer ja wij hebben een kamer daar durven wij 's nachts niet inkomen. Nu daar wil ik wel reis wezen toen zeide de heer als gij er drie nachten in wilt wezen en in het leven blijft dan zult gij mijn dochter hebben of 100 ducaten geld toen zeide hij goed en toen het avond werde ging hij in de kamer en zeide tegen de heer dat hij moest meel, kaarzen turven hout en kussen hebben dat ik wil vannacht pannekoeken bakken en wat bier moet ik ook hebben toen zeide de heer dat in de kelder was bier daar zoude hij maar heengaan en tappen wat toen dede de heer de deur op het slot en ging weg. Toen ging hij die niet wist wat bang was in de kelder en wilde bier tappen toen hij daar in de kelder kwam stond daar een trilbil bij het vat toen zeide hij tegen hem ga maar naar mijn vuur ik heb een mooi vuur aan maar hij sprak niets en toen zeide hij koom aan ik zie wel dat gij verkleumd zijt de lippen zitten u op elkander vrozen en hij droeg hem na het vuur en leide hem bij het vuur op de kussens en hij begon te pannekoeken bakken en toen hij omzag stond daar een tavel met eene grote menigte Heren er om toe, en trilbil die bij het vuur lag sprong knaphandig overeind en ging bij de tavel zitten. toen vroegen de Heren hem of hij met hun eeten wilde, toen zeide hij jawel en die heer was er ook bij daar hij 2 1/2 st. van gewonnen had, toen zeide hij maar hij wilde liefst bij de heer zitten daar hij 2 1/2 st. van gewonnen had toen zeiden zij neen dat is zoo een groot heer daar kunt gij niet bij zitten O dat is ook niets die 2 1/2 st. zal mij ook niet arm of rijk maken en toen hij bij de tavel zat wilden zij hem de kop onder de tavel drukken toen zeide hij zoo niet en hij nam het vuur van de haard en smeet hun daar mede in de witte pruiken dat zij gingen schutkopt de kamer uit.
En toen het morgen geworden was kwam de heer bij hem en zeide leeft gij noch Ja zeide hij waarom zoude ik niet leven gij hebt mij daar vannacht mooi bedrogen. hoe zoo zeide de heer gij wilde mij de kop onder de tavel drukken maar ik nam het vuur en gooide u het in de pruiken dat gij schutkopt de kamer uit ging daar heb ik niet bij geweest zeide de heer. Nu dat is ook gelijke veel maar de heer had er niet bij geweest.
De dag die ging voorbij, toen het avond geworden was zeide hij Nu moet ik helfte meer turf keerzen, meel enz hebben goed zeide de heer en hij bragt hem er weer in de kamer en deed de kamer op het slot. Toen hij weer bier tappen zoude stond trilbil daar al weer. Nu zeide hij ik zal er u nu niet weer heen dragen als gisteravond hij schopte hem en schopte hem in drie schoppen naar het vuur en lag hem op de kussens en hij begon te bakken toen hij zoo beginnen zoude keek hij om en de tavel stond al weer gereed met de Heeren er om toe en trilbil knaphandig van de kussens af bij de tavel. Nu zei hij die niet wist wat bang was ik moet zeggen dat die niets uit de week zetten kunnen die bennen altijd eerst aan de tavel toen vroegen de Heren hem of hij met eeten wilde Jawel zeide hij maar hij wilde liefst bij de heer zitten daar hij 2 1/2 st. van gewonnen had. Of hij daar van sprak of niet dat kon niet helpen daar kon hij niet bij zitten, O dat is ook niets die 2 1/2 st. zal mij ook niet arm of rijk maken en toen hij weer bij de tavel zat wilden zij hem de kop onder de tavel drukken. Neen zoo niet zeide hij en hij nam het vuur en gooide haar dat in de witte pruiken dat zij gingen schutkopt de kamer uit toen het morgen geworden was kwam de Heer weer bij hem en zeide leeft gij nog ja zeide hij waarom zoude ik niet leven gij hebt mij daar mooi bedrogen, toen ik met u eeten zoude wilde gij mij de kop weer onder de tavel drukken maar ik nam het vuur en gooide het hun in de witte pruiken, dat zij gingen schutkopt de kamer uit, daar heb ik niet bijgeweest zeide de Heer. Dat is mij ook net gelijke veel wie het geweest zijn. Nu nog een avond of nacht.
Toen het weer avond geworden was zeide hij nu moet ik weer van elks helfte meer hebben. goed zeide de heer al wild gij nog van elks helfte meer hebben gij kunt het wel krijgen en de heer ging met hem naar de kamer en deed de kamer op slot en toen hij weer bier tappen zoude stond trilbil al weer bij het vat en hij schopte hem weer in drie schoppen naar het vuur en lag hem op de kussens heen en toen hij zoo beginnen zoude te bakken kwam er een vierendeel van een mensch uit de schoorsteen vallen met een been er aan en toen kwam er nog een vierendeel met een been en toen nog een vierendeel met een arm er aan en toen nog een vierendeel met een arm en de kop toen zeide hij die niet wist wat bang was ik heb wel vaak zeggen hoort dat vier vordels was een helen en het werde ook een hele, toen zeide hij ik moet zeggen dat gij bent dubbelde menschen, gij kunt in vier stukken en ook in één. Toen kwam er nog een halve mensch aanvallen met twee beenen er aan en toen kwam er nog een halve aan met twee armen en de kop toen zeide hij ik heb wel vaak zeggen hoort dat twee halven was een hele en het was ook een hele toen zeide hij ik moet zeggen dat gij bent dubbelde menschen gij kunt in twee stukken en ook in een en toen hij om zag stond de tavel al weer klaar met heren er om heen dog zooveel niet als de eerste reizen maar er waren wel 25 anderen die hun bedienden en die of en aan liepen.
Toen vroegen de Heren hem of hij met eeten wilde Jawel zeide hij, maar hij vroeg toen niet naar de heer daar hij 2 1/2 st. van gewonnen had. en toen at hij met en toen zij het eeten gedaan hadden vroegen de Heren hem of hij haar keerzen opsteken wilde. neen zeide hij ik zal al mijn keerzen opsteken die ik heb, steek gij uwe kaarzen op.
Toen vroegen zij hem of hij dan eens met hun wilde jawel zeide hij en toen gingen zij met hem door drie ijzeren deuren en gooiden die agter het gat toe op slot en toen kwamen zij in een kamer daar stond een schoffel en zij kregen de schoffel en tilden daar een steen met op en zij zeiden tegen hem dat daar in die kelder drie kisten stonden de eene kist met Juweelen en de eene met goud en de eene met zilver of hij daar in gaan wilde en helpen de kisten daar met uit neen zeide hij laat een van u er in gaan, ik wil helpen dat zij er uit komen nu zij kregen het er uit en stonden zij daar toen zeiden de Heren tegen hem of hij die kisten bezorgen wilde de eene kist met Juweelen aan de Heer van het slot de eene met goud aan die het te regt bragt en de eene met zilver aan de arm toen zeide hij ja en toen hij het gezegd had was al het volk weg en hij stond daar alleen in de duistere kamer zonder glazen achter die drie ijzeren deuren toen stond hij daar te wachten tot het morgen wierdt en toen het dag wierdt zag hij door de muur een kleine opening die er door ouderdom in gekomen was en hij kreeg de schoffel en stak er zoolang in om dat hij er door kon en toen hij er door keek, dat daar een gragt was daar hij dan in valde maar met geluk die gragt was leeg van water en bijna droog en hij liet hem er in vallen en toen ging hij naar de heer toe maar die wist niet waar hij bleef want hij had al naar zijn kamer toe geweest toen zeide hij tegen de Heer dat hij wilde nog zoo om de 14 dagen en als hij er dan niet weer was dan zoude zijn dogter maar en dan wilde hij het geld hebben.
Toen ging hij weg en kwam bij een boer en vroeg daar of zij ook wisten wat bang was toen zeide de boer jawel want avonds na 10 uren durven wij niet door ons hof heen lopen
Nu dat is goed daar wil ik wel een nacht wezen maar waar is het bij naast? Antw. bij die kromme appelboom goed zeide hij geef mij een deur en leg die in de boom en daar wil ik op zitten en zij bragten een deur in de boom en hij ging erop zitten en toen het nacht werde kwamen daar drie Mans aan en kwamen daar bij de boom en gingen in de boom op de deur bij hem doe zeide hij dat zij moesten hier niet opkomen doe zeiden zij dat wij komen niet bij u maar gij koomt bij ons dat is niet waar zeide hij en toen zij er op waren viel de deur tot de boom uit toen zeide hij gij bent geen menschen want gij zoudt mij de armen en beenen breeken
toen het morgen was dagt hij ik zal hun daar wel beter voor krijgen toen ging hij heen en kapte onder wat aan de boom en toen kwamen daar drie kanjes met geld uitrollen toen dagt hij daar heb ik de spook al en ging naar de boer toen zeide boer hoe dat het hem gegaan was. Toen zeide hij goed maar zij zouden een van de armen en beenen breken, maar gij behoeft niet langer bang te zijn de spook heb ik met genomen dag Boer.
Toen ging hij weer na de Heer dat ik wil nu uw dochter trouwen goed zeide de Heer en toen gingen zij naar de drie ijzeren deuren en braken die open en bragten de kisten teregt en toen zij trouwen zouden liet hij zijn vader en broeders weten dat zij daar komen moesten en als zij niet doodt bennen dan wonen zij er nog.

Onderwerp

AT 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is    AT 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is   

ATU 0326    ATU 0326   

Beschrijving

Een boer heeft drie zonen. De middelste zoon doodt een reus die 's nachts altijd een schaap kwam stelen. Hij gaat op reis om te leren wat angst is. Hij blijft een nacht op een kerkhof en gaat daar kaartspelen met heren aan een tafel. Hij wint van een heer, maar als die hem niets geeft, slaat hij hem en de heren worden één heer. Hij reist verder en komt bij een heer die hem belooft geld of zijn dochter te geven als hij drie nachten in een enge kamer verblijft. De eerste nacht, als hij pannekoeken gaat bakken, ontmoet hij een trilbil en er verschijnt een tafel met heren die hij wegjaagt met vuur uit de haard. De tweede avond gebeurt hetzelfde. De derde avond is er behalve de trilbil een man die in delen door de schoorsteen komt vallen. Er verschijnt weer een tafel met heren die hem naar een kamer brengen en drie kisten met schatten uit een kelder halen. De man kan uit de kamer ontsnappen en gaat naar een boer waar hij 's nachts op zijn hof blijft en op een deur in een boom gaat zitten. Drie mannen komen erbij zitten maar ze vallen uit de boom. 's Morgens vindt hij een schat in de boom en daarmee gaat hij terug naar de heer en trouwt met zijn dochter. Zijn vader en broers komen bij hen wonen.

Bron

E.J. Huizenga - Onnekes: Het boek van Trijntje Soldaats. Groningen, 1928, p. 47 e.v.

Motief

H1376.2 - Quest: learning what fear is.    H1376.2 - Quest: learning what fear is.   

H1400 - Fear test.    H1400 - Fear test.   

Q82 - Reward for fearlessness.    Q82 - Reward for fearlessness.   

E577.2 - Dead persons play cards.    E577.2 - Dead persons play cards.   

H1411.1 - Fear test: staying in haunted house where corpse drops piecemeal down chimney.    H1411.1 - Fear test: staying in haunted house where corpse drops piecemeal down chimney.   

Commentaar

1804
The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20