Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS070 - De vos, de beer en het tobbeken vet

Een sprookje (), 1889

Hoofdtekst

De vos, de beer en het tobbeken vet
In den tijd, als de beesten spraken, woonden de vos en de beer onder éen dak.
Eens hadden zij bij eenen boer uit den omtrek een tobbeken vet gestolen, en het goed weggeborgen: dat zou hun uitstekend te pas komen, als de slechte dagen aanbraken, wanneer het voedsel zoo schaarsch is.
Doch, na eenigen tijd, kreeg de vos zoo'n aardig gejeuk aan zijne maag, en telkens dat hij aan dat lekker tobbeken vet dacht, schoot zijn mond gelijk vol water.
Zoo zaten de bondgenooten weer eens bijeen, als opeens de vos aandachtig de ooren spitste, en begon te keffen.
"Wat krijg-de gij nu allemaal vandaag?" vroeg de beer.
"Wel, daar hebt ge de vrouw van eenen van mijne kozijns, die in het kinderbed komt, en nu word ik geroepen, om peter te zijn. Zoudt-ge nu niet zeggen, waar of ze 't gaan halen?"
"Wel! Daar moet-de gij vast en zeker naar toe," zei de beer, die van den prins geen kwaad wist. "Dat is eene eer, datte!"
De vos kwam terug thuis.
"Hewel, alles goed afgeloopen?" vroeg de beer.
"Dank u! Heel goed, veel te goed!"
"Zoo! En... hoe heet het kind?"
"Begost", antwoordde de vos.
"Zoo, zoo, zoo!" zei de beer. "Dat is al een wondere naam! Wat de menschen toch allemaal uitpeinzen den dag van vandaag!"
Maar eenigen tijd nadien kreeg de vos weer lust naar het vet.
"Ze kunnen toch 'nen mensch nooit met vrede laten," zei de vos lastig. "Nu vragen ze mij weeral, om peter te zijn! Ze meenen zij zeker, dat ik anders niets te doen heb, dan peter te spelen!"
"Wel, zij daarom niet kwaad, gij! Dat's een teeken, dat ge er goed voor zijt, jongen!" antwoordde de beer.
De beer liet hem gaan, en als Reintje baardlikkend terugkwam, vroeg hij weer, hoe zij het kind gedoopt hadden.
"Halfuit", was het autwoord.
"Zoo, zoo!" zei de beer. "Dat is nu nog al zotter! Halfuit! Maar... waar haalt ge die zotte namen toch?"
Nog eene derde maal moest de vos peter zijn, en als hij terugkwam, heette het kind "G'heel-uit".
Da' was me goed... De dure tijd brak aan, en het voedsel werd al meer en meer schaarsch.
"Kom," zei toen de beer, "we zullen eens naar onzen spaarpot gaan kijken. Wij zijn wij toch slim geweest, hé, een appeltje voor den dorst te bewaren?"
"'k Geloof het wel!" zei de vos. "Slim zijn wij zeker geweest! Hm! hm!"
En hij kuchte, de deugeniet, alsof hij eene valling had...
Wat stond onze Bruin versteld, als hij niets dan het leeg gelikte tobbeken meer vond! Schuinsweg bezag hij zijnen kameraad, die een even verwonderd gezicht trok.
"Wel, vernobbelesjeng, als ik het zoo moet zeggen, waar is ons vet nu naartoe?... Manneken, ik geloof vast, dat het uw werk is, hé, G'heel-uit!"
"Wa' blieft?" zei de vos. "Spreekt-de gij Latijn7 Zeg het nog eens, asteblieft! Ik versta u zeker niet goed.... Ik? Komaan, nu lacht ge er zeker mee: precies, of een beer geen vet zou mogen!..."
Zoo gingen ze voort met krakeelen, tot de vos zei: "Wacht! Hoor eens, kozijntje, ik ken ik een middel, om de ruzie in éens uit te maken. Wij gaan ons beiden in de warme zon leggen: bij hem, die het tobbeken uitgeëten heeft, moet het vet natuurlijk door de warmte langs achter uitslaan: zoo kennen we dan den plichtige van zelfs."
"Dat gaat," riep de beer. "Nu zullen we eens zien, wie de dief is!"
Geen twee minuten echter lagen ze in de zon, of de beer begon te geeuwen en zijne ledematen uit te rekken, tot hij in 't eind zijne oogen niet langer kon openhouden van den vaak: het duurde dan ook niet lang, of hij lag hij daar gerekt en gestrekt, en sliep gelijk een kerstekind met een versch doddeken! De looze vos likte ondertusschen het laatste weinigsken vet uit het tobbeken, en bestreek er gansch Bruins' achterste mede.
Eenige stonden later maakte hij hem wakker.
"Ei! zie nu eens!" grinnikte hij schelmsch. "Nu weten we, wie het gedaan heeft, hé Bruintje!"
De logge beer wreef zijne oogen uit, en hij moest, van armoede bekennen, dat de vos gelijk had.
Toch is Bruin nooit te weten gekomen, hoe of, in Gods naam, in iets het vet, dat er niet inzit, naar buiten kan slaan... Maar Reintje wist het des te beter.

Onderwerp

AT 0015 - The Theft of Butter (Honey) by Playing Godfather    AT 0015 - The Theft of Butter (Honey) by Playing Godfather   

ATU 0015    ATU 0015   

Beschrijving

De vos en de beer wonen in hetzelfde huis. Ze hebben een potje vet gestolen en goed weggeborgen voor tijden van schaarste. De vos krijgt zin in het vet en doet alsof hij geroepen wordt om peter te zijn. Als de vos weer terugkomt, vraagt de beer hoe het kind heette. Dit herhaalt zich twee keer, en de laatste naam is 'geheel uit'. Als het voedsel schaarser wordt wil de beer het potje vet aanbreken maar merkt dat het leeg is. Ze maken ruzie over wie de dader is. De vos stelt voor in de zon te gaan liggen en bij de schuldige zal het vet er van achter wel uitkomen. De beer valt echter in slaap en de vos smeert van het overgebleven vet op zijn achterwerk, zodat hij de schuld krijgt.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 2 (1889) p. 110

Motief

K372 - Playing godfather.    K372 - Playing godfather.   

K401.1 - Dupe’s food eaten and then blame fastened on him.    K401.1 - Dupe’s food eaten and then blame fastened on him.   

Commentaar

1889
The Theft of Butter (Honey) by Playing Godfather

Naam Overig in Tekst

Reintje    Reintje   

[Reinaert]    [Reinaert]   

Begost    Begost   

Halfuit    Halfuit   

G'heel-uit    G'heel-uit   

Latijn    Latijn   

Naam Locatie in Tekst

Bruin    Bruin   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20