Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS085 - Van de schoone prinses, die nooit gelachen had

Een sprookje (), 1889

Hoofdtekst

Van de schoone prinses, die nooit gelachen had
Er was 'nen keer een koning, en die had eene eenige dochter, en die was zoo schoon en had zooveel verstand, dat zij alle andere vrouwen overtrof.
Een enkel dingen ontbrak aan haar geluk: zoo oud als zij was, - en ze was toch al tot de jaren gekomen, waarop men jonge dochters van den hoogen stand gewoonlijk laat trouwen, - had zij nog nooit eenen enkelen keer gelachen...
Dit belette niet, dat de zonen der doorluchtigste keizers en koningen, zelfs uit de afgelegenste streken, de reis naar haar land ondernamen, om naar de hand van de schoone prinses te dingen.
Maar zij wilde van geenen enkele weten!
Eens, dat haar vader, die al stillekens oud begon te worden, en zijn eenig kind voor zijnen dood eenen liefhebbenden man wilde verzekeren, haar over die weigeringen berispte, antwoordde zij, tot zijne groote verwondering, dat zij vast besloten was, alleen dengene tot man te nemen, die haar voor den eersten keer zou doen lachen!
De koning, die zijn kind als zijnen oogappel beminde, vond dit goed, en ten einde spoediger zijnen vurigsten wensch te zien vervullen, liet hij in alle steden en dorpen van zijn rijk door zijne soldaten uittrompetten, dat degene, die de prinses, zijne dochter, 't is gelijk op wat manier, zou kunnen doen lachen, hare hand of de helft van zijn rijk tot beloning zou krijgen.
Ik laat u denken, of de trouwlustigen van 's anderdaags af bij geheele scharen in de hoofdstad aankwamen. Van 's morgends vroeg tot 's avonds laat was het, aan al de poorten der stad, éen gerij en éen gerots, éen gezwerm en éen gedrang, zoodat er de schildwachten hooren en zien bij verging. En rare vogels, dat er in den grooten hoop waren! Sommigen hadden zich verkleed, en zagen er uit als levende Jan-Klaassen! Anderen hadden zich langs voor en langs achter 'nen valschen bult gemaakt; nog anderen liepen op handen en voeten over de straat, en knorden en grolden daarbij als wolven en beren... Daar waren er, die met hunnen neus op de fluit en met hun achterste op den trommel speelden; eenigen bliezen hunne kaken op tot barstens toe, sloegen er op met hunne vuist, en maakten daarbij een gerucht als van eenen Amerikaanschen donder. Men zag er, die hunne beenen in eenen zak hadden gebonden, slechts een van hunne broekpijpen hadden aangetrokken, of zelfs hunne ondervest aan hunne beenen en hunne beenkleêren om hunne armen droegen... en dat ging of liep, hinkte of tuimelde, rolde of kroop, gonsde en lawaaide onder de vensters van de prinses voorbij; de koning lachte, zijne ministers lachten, zijne generaals, hovelingen en dienaars lachten, dat zij schokten; de geheele bevolking der stad proestte, om zich te verslikken; alleen de koningsdochter lachte niet, en keek al die vreemdelingen aan met een gezicht, alsof de waereld tegen haren dank draaide.
Nu woonde er, niet al te ver van de hoofdstad, op een klein, arm dorpken, een brave landbouwer, die drie zoons had, waarvan de twee oudsten om hunne vroolijke poetsen wijd en zijd in de omstreken bekend waren. De derde was ook wel beroomd, maar - om geheel wat anders!
Ajuintje zat den geheelen dag in den hoek van den haerd te dubben, werkte acht dagen op zeven geenen steek, en gaf zich maar amperkens de moeite, den mond open te doen, om van het eten te zeggen, dat het te koud of te heet, te flauw of te zout was. Want ete, dat kon hij voor twee, zulle, de-n-ajuin, als het, wel te verstaan, maar eerst gereed was...
"Zie, mannen," zei de oude boer aan zijne twee oudste zoons, toen de soldaten op zijn dorp het besluit der koningsdochter uitgetrompet hadden, "dat is nu eens een buitenkansken voor u, en ik raad u zeer, uw geluk te beproeven. Men kan nooit weten, hoe een dubbeltje rolt... Gij hebt gij nu toch den naam, dat gij zulke schrikkelijk grappige kaerels zijt! Allo! beproeft het maar eens... Wie weet, merdjee! of geen van uw tweeën als gemaal der prinses of als vorst over het halve koningkrijk terugkeert!"
En de jongens lieten zich bepraten; vader schonk hun ieder een versch korenbrood en een geheel plaket als drinkgeld, en zij begaven zich op weg.
Wat gebeurde er? Tegen den avond hadden zij eene stad in 't zicht, toen daar op eens een zeer, zeer oud en kamank wijfken voor hen stond, dat waarlijk blonk van magerheid en armoede!
"Och, lieve vrienden," smeekte de bedelares, "hebt medelijden! Geeft mij een aalmoesken... Ik heb zoo'n honger... en ik bezit geen blinde duit, om ievers een korst brood te koopen..."
"Blijf mij van het lijf, oude heks," riep de oudste, "en vraag aalmoezen aan rijkeren liên dan wij!"
"Ja, ja," voegde de tweede er bij. "Meent gij misschien, dat de kronen op onze rug groeien, om ze zoo maar aan de eerste tooverheks de beste weg te geven?"
Zoo bereikten zij eene afspanning, waar zij voor den nacht eene schuilplaats zochten. Toen zij hunne keel ververscht hadden, en de helft van hun brood daarbij opgegeten, gingen zij te bed, en ronkten weldra alle twee als blaasbalgen. Nu kwam de baas zeer stilletjes in hunne kamer, zocht in al hunne zakken, ontstal hun de twee plaketten en zelfs de twee halve brooden, die zij bezaten, en toen zij des morgends, den diefstal bemerkt hebbende, den baas om uitleggingen verzochten, joeg deze hen met schande weg, en riep hen spottend achterna: "Dat zijn mij fraaie gezellen! Zij kunnen nog niets eens hun logies betalen, en durven 'nen mensch nog al dief en bedrieger heeten!"
Daar stonden nu onze twee kadeeën met eene beurs zoo plat als eene... vijg, en zonder zelf nog eene korst droog brood, om er hunne tanden op te scherpen. De reis voortzetten tot de hoofdstad, daaraan viel niet meer te denken! Zij konden nu hun bareelgeld toch niet meer betalen. `Drupneuzend' van schaamte, keerden zij naar huis terug, en wat hun vader hun ook mocht vertellen, tot eenen nieuwen tocht waren zij niet meer over te halen.
Krijgt me daar nu die Zebedeus van 'nen derden zoon niet eensklaps den inval, om op zijne beurt de kans te beproeven, en naar de hand te dingen van de schoone koningsdochter, die nooit gelachen had?
"Vader," zei hij, en zette daarbij het serieuste gezicht der waereld, "geef mij een versch korenbrood en een plaket voor mijn drinkgeld, en laat mij eens gaan kijken, of ik niet gelukkiger zal zijn?"
Ja, ja, het was gemeend van den sukkel! Zijne broeders hadden hem schoon te bespotten, de oude man hem goeden raad te geven 't was al boter aan de galg! Hij zou hij gaan en hij moest hij gaan - en, op slot van rekening - Zebedeeken ging ook.
Ziet gij hem daar op weg, met zijn plaket in zijnen broekzak en zijn versch korenbrood onder den arm?
Hij dacht hij zeker, de pummel, dat de koningsdochter reeds de zijne was, want hij schuifelde en zong, dat het een plezier was om te hooren.
Tegen den avond bereikt ons Djilleke-slim dezelfde herberg, waar zijne vernuftige broeders zich zoo verstandig hadden laten "afzetten", en zie - op het oogenblik, dat hij den dorpel ging betreden, om nachtverblijf te bestellen, verscheen nevens hem - hij wist zelf niet van waar - een oud en gerimpeld wijfken, - zij blonk van magerheid en armoe, och arme! - en verzocht hem, met bevende stem, om een korstje brood.
Een korstje, dacht de jongen, en dat voor een vrouwken, dat vast en zeker geenen enkelen bijter meer heeft? Ze zeggen wel eens: mijn tandvleesch is zoo hard als steen, maar daar zal ook zeker wel wat overdrijving bij zijn! Kom aan, dacht hij, ik zal die arme sloor maar liever de helft van mijn brood geven, morgen koop ik onderweg een ander! Ik heb immers nog een heel plaket...
Het vrouwken wist niet, welke woorden te gebruiken, om den menschlievenden reiziger te bedanken.
Toen wenkte zij hem een beetje ter zijde, en fluisterde hem in het oor: "Vriend, ik zou u willen belonen voor uwe goede daad! Maar ik heb niets dan eenen goeden raad. Wanneer gij, dezen nacht, eenigen tijd te bed zult hebben gelegen, zal de baas der herberg in uwe kamer treden, om uw geld te stelen. Dan kunt gij de reis onmogelijk voortzetten, en ik weet, dat u een groot geluk te wachten staat, als gij de hoofdstad bereiken kunt. Wacht er u dus wel voor, in slaap te vallen. Zoodra de dief een uwer kleedingstukken aanraakt, roep dan deze twee woorden: hoû vast! Dagen zijne helpers op, herhaal maar altijd: hoû vast, en geen duitje zult gij kwijt geraken..."
Zoo gezegd, zoo gedaan... Gelijk het vrouwtje het voorspeld had, viel het uit!
Nauwelijks had Zebedeeken, die zich voorzichtigheidshalve slechts van zijn overkleed ontdaan had, zich een paar malen van de eene zij op de andere omgewenteld, of ussst! daar kraakte de trap, stillekens-stillekens trad eene donkere gestalte in de kamer, bukte zich een oogenblik over den gewaanden slaper, en tastte dan, in 't halfdonker, naar de kleedingstukken van onzen boer. Juist hield nu de baas den kiel van den reiziger in handen, of zie, deze roept uit al zijne kracht: hoû vast, vat zelf met eene hand het kleedingstuk aan, en springt uit het bed... En, welke moeite de andere zich ook mocht geven, om te ontvluchten, onmogelijk was het hem, éen voetje te verzetten!
Ussst! daar kraakte weer de trap, en stillekens-stillekens naderde eene tweede gestalte, de vrouw van den herbergier, die, niet wetende, waar haar man zoolang mocht blijven, hem in nachtgewaad had opgezocht. Ei! Zonder achterdocht grijpt de sloor haren man bij den arm, maar op hetzelfde oogenblik riep Djilleken-slim voor den tweeden keer: hoû vast, en ook madam was gevangen...
Nu kwamen, keer op keer, de twee zoons, de drie dochters, de vier knechts, de vijf meiden, en de twee of drie dozijnen kleinkinderen van baas en bazin, half dood van schrik aangesneld, om te vernemen, wat er gaande was; doch zoodra zij elkander maar efkens aanraakten, riep de vreemdeling vastberaden: hoû vast! en allen stonden daar zoo vast aaneen gesmeed als de schakels van een... hondenkeet!
En wat doet me nu, zoudt gij denken, die deugeniet van 'nen sul! Hij steekt, hij, zonder aarzelen, een zijner armen in de mouw van den kiel, die de baas gevangen hield, en daalt, gevolgd van dien geheelen stoet, den trap af.
En dat de rakker in zoo'n Calvacade plezier vond, daar kunt gij gerust op slapen! Hij floot en zong, zwaaide zijn muts in de lucht, molenwiekte met de armen, maakte de gekste bokkensprongen - en het koddigste van al nog was, dat de zes-en-dertig gevangenen, die zijnen sleep droegen, gedwongen waren, zijn minste gebaar na te bootsen.
Zoo ging hij den geheelen nacht, en wel met zulke snelheid, dat hij bij het krieken van den dag de poorten der hoofdstad bereikte. De soldaat, die op schildwacht stond, wilde hem den doortocht beletten, en poogde den laatste van de processie tegen te houden. Ja maar, daar klonk het als een donder zoo luid: "hoû vast!" en met ransel, sabel, sjako en geweer, meê moest de soldaat, ung, dee, hoo, stroo, en avang' marsj, hetzij hij wilde of niet!
Ook de poortier, die met uitgestoken hand op onzen boer toetrad, om hem het bareelgeld te vragen, werd op dezelfde wijze beetgenomen; eene melkboerin, die juist, op haar karreken gezeten, de stad inreed, raakte even met de zweep den sjako van den soldaat. Hoû vast, riep onze boerenkinkel - en, met melkkannen, patatenschillen en al, meê moest zij, ung, dee, hoo, stroo, en avang marsj, meê - met den heelen hoop.
Een bakker, die met den broodpaal -, een smid, die met den voorhamer, - een kleermaker, die met zijne lat, - een missendiener, die met een wierookvat, op al het gerucht, dat onze vrienden maakten, kwamen naar buiten loopen, - allen, wat zij ook spartelden of sakkerden, werden onwederstaanbaar meegetrokken.
Zoo kwam de stoet, eer ons boerken het zelf nog wist, vóor het paleis des konings aan, juist op het uur, dat de koninklijke familie gewoon was, zich naar de kerk te begeven.
Daar krijgt de koningsdochter, die nooit gelachen had, die onvergelijkbare processie in de gaten: Zebedeus, die slechts eene mouw van zijnen kiel heeft aangetrokken, den dikken baas, die den kiel niet kan loslaten, de even zwaarlijvige bazin, die haren man -, de twee zoons, die hunne moeder, - de drie dochters, die hunne broers, - de vier knechts, de vijf meiden en de twee of drie dozijn kleinkinderen van mijnheer en mevrouw uit "Den betrapten Dief", die elkander hardnekkig vasthouden - eindelijk den soldaat, den poortier en de melkboerin, den smid, den bakker en den missediener..., en nog vele andere aleven eerbiedwaerdige personen, te veel en te lang om te melden! En daar schiet me de schoone prinses in zulken luiden en langen schaterlach, dat ieder in hare omgeving bijna meende, dat zij, och God, och arme! permentelijk zot geworden was!
Maar zinneloos neen, genezen was zij! En dat onze Zebedeus met haar in het huwelijk trad, en lang en gelukkig met haar leefde, zou ik u in het lang en in het breed vertellen... Maar zie, verdot! daar denk ik zoo eensklaps aan... ja, waaraan? aan eenen... eenen... ewel, aan eenen meulen, en nu kan ik, m'n ziel, niks anders meer spreken als op rijm:
Meulen, meulen, meulen,
e paerd mee e veulen,
en vraa mee e kind,
't vertelselke begint,
en koei mee e kalf,
't vertelsken is half,
en trompet mee én fluit,
en 't vertelselken is uit!"

Onderwerp

AT 0571 - "All Stick Together."    AT 0571 - "All Stick Together."   

ATU 0571    ATU 0571   

Beschrijving

Een koning heeft een dochter die nog nooit gelachen heeft. Ze zegt tegen haar vader alleen met die man te willen trouwen die haar voor de eerste keer zal doen lachen. De koning laat dit door heel het rijk bekendmaken; degene die erin slaagt heeft de keuze tussen haar hand of het halve koninkrijk. Trouwlustigen komen hun grappen vertonen, maar de prinses lacht niet. Een boer met drie zonen raadt zijn twee oudste zoons, die bekendstaan om hun grappen, aan hun geluk te gaan beproeven. Ze gaan op reis en komen een arm vrouwtje tegen dat om geld bedelt. De twee mannen geven haar niets. 's Nachts steelt de herbergier al hun bezittingen en ze keren terug naar huis. Nu gaat de derde zoon, een lui en dom persoon, zijn geluk beproeven. Ook hij komt het arme vrouwtje tegen en geeft haar de helft van zijn brood. Zij geeft hem als beloning voor zijn goede daad een raad: als de herbergier zijn geld komt stelen moet hij: "hou vast!" roepen. Op deze wijze weet hij de de herbergier vast te zetten en vervolgens diens vrouw en kinderen, de knechten en de meiden en nog vele anderen. Met een lange stoet arriveert hij bij het paleis. Als de prinses de stoet ziet, schiet ze in de lach en de jongen mag met haar trouwen.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 2 (1889) p. 161

Motief

Q2 - Kind and unkind.    Q2 - Kind and unkind.   

L13 - Compassionate youngest son.    L13 - Compassionate youngest son.   

D2171.5 - Persons magically stick together.    D2171.5 - Persons magically stick together.   

H341 - Suitor test: making princess laugh.    H341 - Suitor test: making princess laugh.   

H341.1 - Princess brought to laughter by people sticking together.    H341.1 - Princess brought to laughter by people sticking together.   

T68 - Princess offered as prize.    T68 - Princess offered as prize.   

Commentaar

1889
"All Stick Together"

Naam Overig in Tekst

Jan-Klaassen    Jan-Klaassen   

Amerikaans    Amerikaans   

Zebedeus    Zebedeus   

Zebedeeken    Zebedeeken   

Ajuintje    Ajuintje   

Djilleken-slim    Djilleken-slim   

Den betrapten Dief    Den betrapten Dief   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20