Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS118 - Een domme Uilenspiegel

Een sprookje (), 1891

Till_Eulenspiegel.jpg

Hoofdtekst

Een domme Uilenspiegel
Er was eens een jongen, die met zijne moeder eene kleine pachthoeve bewoonde, en deze jongen heette Uilenspiegel. De eenige huisdieren, welke zij in bezit hadden, waren een witte koe en een hond, die door het wijfken met den naam "Peterselie" gedoopt was.
Zekeren dag, dat de moeder moest uitgaan, sprak ze tot haren zoon:
"Jongen, ge moet goed vuur maken, en den pot met water er boven hangen voor de soep, en zie dat ge er de peterselie niet vergeet in te doen."
"Goed moeder," was het antwoord.
Als meken nu vertrokken was, deed Uilenspiegel wat hem geboden was, doch in plaats van peterselie uit den hof, legde hij den hond in het kokende vocht.
Toen de moeder te huis kwam, was haar eerste werk, naar de soep te zien, en gij kunt denken hoe verwonderd zij was; doch Uilenspiegel wist zich te verontschuldigen en maakte eenige kwinkslagen, zoodat zijne moeder tegen wil en dank wel moest lachen en alles nog goed af liep.
Eenige dagen later, toen de moeder weer uit moest, gebood zij ditmaal de koe te grazen te zetten en begaf zich op weg.
Uilenspiegel liep alsdan naar den stal, nam het beest en trok het buiten. Toen hij nu aan het denken was, waar hij het meest gras zou vinden, zag hij dat er op het strooien dak des huizes een menigte lange halmen groeiden, nam de ladder en wilde daar de koe doen opklimmen. Gij kunt denken, dat hij daarin niet gelukte.
alsdan, al zijn dom verstand verzamelende, dacht hij zoo bij zich zelven:
"Wat ben ik onnoozel, mij zoo te vermoeien! Het is toch maar de kop, die moet eten! Ik zal hem afkappen." Zoo gezeid, zoo gedaan. Hij haalde eene bijl en martelde het dier, tot hij den kop van den rom had, en liep er zegepralend de ladder mee op. Maar toen hij zag, dat ook de kop niet wilde eten, riep hij uit:
"Nonidomsche koe," en kwam terug beneden.
Maar ziet, daar komt zijne moeder met open armen en tranen in de oogen toegesneld en vraagt:
"Wat hebt ge nu aangevangen, gi ezel?"
Uilenspiegel vertelde het voorgevallene, en voegde er bij:
"Wel, moeder, dat is neits, ik zal den kop er maar aannaaien."
"Maar jongen, onze koe is dood."
"Hewel, dan stroop ik haar vel af en ga het verkoopen tegen eenen cent het haartje."
... Toen hij nu ter markt kwam, en de kooplieden zijn prijs vernamen, begonnen zij te lachen, en sommigen zelfs met steenen naar zijn hoofd te werpen, zoodat hij moest vluchten. Maar de avond viel, en Uilenspiegel was nog zeer ver van huis, en stond vóor een onmetelijk duister woud.
En daar hij zeer moede was, zette hij zich in de kruin van eenen eik, en na zijn vel over het hoofd getrokken te hebben, sluimerde hij welhaast in.
Het kon nauwelijks tien uren wezen, toen hij door een groot gerucht van menschenstemmen wakker schoot. Hij blikte omlaag, en bemerkte daar een tiental forschgespierde kerels, welke hun gestolen geld (want het waren dieven), bij een smokende vetkaars zaten te tellen.
Zij waren aan het twisten en juist riep een hunner in woede uit: "De duivel kan u halen, allemaal!"
Uilenspiegel, van dit oogenblik gebruik makende, liet zijn vel vallen, en al de dieven, welke dachten, dat het wezentlijk de duivel was, die hun op die verwensching verscheen, vluchtten het woud in.
Dan daalde de jongen uit den boom, scharrelde al het geld bijeen, en huppelde vol blijdschap naar huis.
't Was morgend, toen hij zijn huisje bereikte, en de moeder riep hem toe:
"Hoe zijt gij gevaren?"
"Zie eens hier, moeder," riep Uilenspiegel vol geestdrift uit. En hij wierp de klinkende muntstukken op tafel, dat het rinkelde!
"En nu," sprak hij, "nu ga ik naar de pastorij om de korenmaat, om er ons geld mêe te meten."
Toen hij in de pastorij aankwam, vroeg hem de pastoor, waar hij al dat geld gekregen had.
Uilenspiegel, die liegen kon alsof het gedrukt stond, zegde, dat hij het vel zijner koe tegen éen cent het haartje verkocht had.
"Zoo, zoo," riep de pastoor, "ik zal ook eene koe dood doen en mijn knecht met het vel naar de markt sturen."
Maar toen de pastoorknecht ter markt kwam, deden ze met hem evenals met Uilenspiegel, en riepen: "Denzelfden zot van gisteren!"
Toen de pastoor dit vernam, schoot hij in een groote gramschap, en liep recht naar het huis van Uilenspiegel.
Doch deze vroeg:
"Wat kleur had uwe koe?"
"Eene zwarte," was het antwoord.
"Eene zwarte? Maar, mensch, het moest immers eene witte zijn!" De pastoor, die insgelijks eene witte koe bezat, deed nu ook deze dood.
Maar de knecht kwam dezen keer met kneuzingen aan het hoofd weder, en de pastoor was zoo verwoed, dat hij met den koster naar Uilenspiegel ging, hem gevangen nam en in eenen grooten zak stak, en besloot hem te gaan verdrinken.
Toen zij aan een bosch kwamen, lieten zij den zak staan, en trokken even het bosch in, om een langen stok te snijden, welke dienen moest, om den jongen in de modder onder het water te stooten.
Terwijl zij weg waren, kwam daar een schaper voorbij, welke toevallig tegen den zak stampte.
Uilenspiegel, die vermoedde wie het was, riep jammerend uit:
"Och God, och God! Mijnheer de pastoor en de koster willen mij burgemeester maken en ik ken noch A noch B, en daar ik niet toestem, wil men mij nu verdrinken."
"wel kom er dan maar uit," sprak de schaapherder, "ik ben goed geleerd, en ik zal in den zak kruipen; gij krijgt mijne kudde, ziedaar!"
Uilenspiegel bond den zak toe en vertrok. Toen de pastoor en de koster den zak in het water gedompeld hadden, keerden zij naar huis, terwijl ze zegden:
"Die kerel zal ons ten minste niet meer vangen!"
Eensklaps ontmoeten zij Uilenspiegel met zijne schapen, en terwijl zij verbluft blijven staan, vragen zij:
"Welhoe? Hebben wij u dan niet verdronken?"
"Ja, ja, kameraden, zeker... hebt gij mij... verdronken," sprak de jongen; "hadt gij mij echter wat dieper in den modder gestooten en mij wat verder in den put geworpen, dan had ik nu voor 't minst een koets met paarden."
"Zoo, zoo," stamelden de andere gasten; "is dát waar? Welnu, dan zullen wij het zelf eens wagen."
En de koster sprak: "Weet ge wat, pastoor? Ik zal het eerst in den put springen, en als ik niet ver genoeg ben, zal ik mijn arm omhoog steken."
"Goed," sprak de pastoor, en de koster plonsde in den put. Maar, daar hij zijnen arm omhoog stak, om uitgetrokken te worden, sprong de pastoor op zijn beurt nog veel verder, en... indien zij er nog niet uitgekomen zijn, dan zwemmen zij nog... achter hunne paarden.

Onderwerp

AT 1635* - Eulenspiegel's Tricks    AT 1635* - Eulenspiegel's Tricks   

ATU 1635*    ATU 1635*   

Beschrijving

Een jongen woont met zijn moeder in een huis met een koe en een hond met de naam 'Peterselie'. Als de jongen soep moet koken met peterselie gooit hij de hond erin. Als hij de koe moet laten grazen, wil hij de koe de ladder laten opklimmen naar het dak waar gras groeit. Omdat dat niet lukt, snijdt hij de kop van het beest eraf en gaat daarmee naar boven om hem te laten eten. Na een berisping door zijn moeder besluit hij het vel te gaan verkopen voor een cent per haar. De kooplieden jagen hem weg en de jongen komt 's avonds in een bos terecht. Daar klimt hij in de top van een boom en ziet na een tijd dieven onder zich die ruzie maken. Als één van de mannen uitroept: "De duivel kan u halen, allemaal!", laat de jongen het koeievel vallen en de dieven vluchten. De jongen pakt het geld en gaat ermee naar huis. Hij gaat naar de pastorie om zijn geld te wegen, en zegt tegen de pastoor dat hij het geld gekregen heeft door een koeievel voor een cent per haartje te verkopen. Als de pastoor tevergeefs een zwarte en witte koe gedood heeft, stopt hij de jongen in een zak om hem te verdrinken. In het bos laat hij de zak even staan om een stok te snijden. Een schaapherder stoot tegen de zak en de jongen klaagt dat de pastoor en de koster hem burgemeester willen maken maar omdat hij dat niet wil hem gaan verdrinken. De herder laat hem eruit en kruipt zelf in de zak. De zak wordt in het water gegooid maar daarna ontmoeten ze de jongen met een kudde schapen. Hij doet voorkomen alsof dat in het water is te vinden. Daarna springen de koster en de pastoor zelf in het water.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 4 (1891) p. 44

Motief

K300 - Thefts and cheats--general.    K300 - Thefts and cheats--general.   

J1904.1 - Cow (hog) taken to roof to graze.    J1904.1 - Cow (hog) taken to roof to graze.   

Commentaar

1891
Eulenspiegel's Tricks; AT 1210 The Cow is Taken to the Roof to Graze; AT 1653D The Robbers under the Tree; AT 1737 The Parson in the Sack to Heaven

Naam Overig in Tekst

Uilenspiegel    Uilenspiegel   

Peterselie    Peterselie   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20