Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE055 - Roodkapje

Een sprookje (boek), maandag 01 januari 1979

Hoofdtekst

Roodkapje
Er was eens een lief, klein meisje. Haar vader en moeder en al haar vriendjes en vriendinnetjes noemden haar Roodkapje. Zelfs oma noemde haar Roodkapje. Misschien vind je " Roodkapje " een rare naam, maar ik zal je vertellen, hoe het meisje er aan kwam. Op een dag ging haar moeder naar de markt. Daar zag ze een prachtige, rode lap stof. Ze kocht die stof en toen ze thuis kwam, maakte ze daarvan een rode cape en een rood kapje voor haar dochter. Het meisje was daar zo blij mee, dat ze nooit naar buiten ging zonder haar rode cape en haar kapje. Al gauw zei iedereen: "Kijk, daar gaat Roodkapje!" En vanaf die tijd heette ze zo.
Roodkapje woonde met haar vader en moeder in een klein huisje aan de rand van een groot, donker bos. Maar nooit mocht ze in het bos spelen. Dat kwam door de boze wolf! De mensen vertelden, dat die boze wolf altijd honger had. En - ze wisten het niet zeker - maar ze hadden gehoord, dat die wolf niet alleen hazen en konijnen, maar ook kindertjes op at! Daarom mocht Roodkapje nooit alleen in het bos.
Op een dag mocht Roodkapje haar moeder helpen in de keuken. Ze bakten samen een heerlijke appeltaart, toen de postbode een brief bracht. De brief was van oma. Toen de moeder van Roodkapje had gelezen wat in de brief stond, keek ze bezorgd. “Lieve help!” schrok ze. “Oma is ziek! Ze ligt in bed en kan geen boodschappen doen. We moeten haar brood brengen en een flinke pot honing. Daar zal ze vast wel beter van worden. Maar ach, wat jammer nou. Juist vandaag heb ik beloofd de oude mevrouw Smits te helpen!” “Oh, mag ik gaan ?” vroeg Roodkapje. “Oma zal reuzeblij zijn als ik kom. En ik kan al goed boodschappen doen.” “Vooruit dan maar !” lachte moeder. “Dan kun je meteen een lekker stuk appeltaart meenemen.” “Ik ga wel over het korte paadje door het bos. Dan ben ik veel vlugger bij oma,” zei Roodkapje. “Dat wil ik beslist niet hebben !” riep moeder geschrokken, “Je moet de grote weg nemen. Ik weet, dat je dan veel verder moet lopen, maar door het bos gaan is veel te gevaarlijk !
“Poeh! Ik ben heus niet bang voor een malle, oude wolf,” dacht Roodkapje bij zichzelf. Maar ze zei het niet hardop.
Moeder pakte een mand en stopte die vol brood, eieren, honing en jam. Tenslotte pakte ze nog een dik stuk appeltaart in. “Doe oma de groeten en zeg, dat ze gauw beter moet worden. Ik heb het altijd al jammer gevonden, dat ze helemaal aan de andere kant van het bos woont. Dat is zo ver van ons vandaan. Maar ze heeft het zo naar haar zin in haar huisje, dat ze liever daar blijft wonen. Zul je goed uitkijken ?”
Dat beloofde Roodkapje. En met de mand aan haar arm ging ze op pad. Keurig netjes nam ze de grote weg, zoals moeder had gezegd. Af en toe gluurde ze stiekem door de bomen naar het grote, donkere bos. Maar nergens was de boze wolf te zien. Wat ze wel zag, waren bloemen. Overal in het bos groeiden bontgekleurde, wilde bloemen. Oma zou vast en zeker blij zijn, als ze zo'n fleurig boeketje kreeg, bedacht Roodkapje. Maar nee, dat kon niet! Ze moest van moeder op de grote weg blijven. Toch bleef Roodkapje steeds meer naar die bloemen kijken. Ze vond ze zo mooi. “Ik pluk er een paar,” dacht ze tenslotte. “Een paar maar. Alleen de bloemen die aan het randje van het bos staan.” Vlug ging ze aan het plukken. Maar toen ze opkeek, zag ze verderop in het bos nog veel meer bloemen staan. Ze holde er naar toe en plukte verder. Zo raakte Roodkapje, zonder dat ze het merkte, steeds dieper in het bos. Ze plukte en plukte, tot ze een prachtige bos bloemen had.
Maar ... Roodkapje was niet alleen in het bos! De grote, boze wolf loerde van achter de bomen naar het kleine meisje, dat zo heel alleen door het grote bos huppelde. En hij likte zijn lippen af. Telkens sloop hij achter tiaar aan, weggekropen tussen de bomen. Tot Roodkapje genoeg bloemen had geplukt. Toen kwam hij te voorschijn. Lieve help ! Wit van schrik liet Roodkapje pardoes haar bloemen vallen. “Wees maar niet bang!” zei de wolf met zachte, zoete stem. “Zo'n aardig kind als jij, doe ik heus geen kwaad!” “Ik b-ben niet b-bang !” stotterde Roodkapje. “M-maar ik had je eigenlijk niet verwacht, zie je.” “Ik wil alleen maar een praatje met je maken,” grijnsde de wolf. “Dat vind ik gezellig. Soms is het zo eenzaam in het bos. De dieren lopen hard weg als ze me zien en de mensen vertellen allemaal nare dingen over mij. Daarom vind ik het fijn, om een praatje te maken met zo'n aardig kind als jij. Voor wie zijn die bloemen ?” “Voor oma,” zei Roodkapje. “Ze is ziek en ligt in bed. Daarom breng ik haar wat lekkers. En die bloemen zal ze vast mooi vinden. Maar nu moet ik gaan, anders wordt oma ongerust.” “Waar woont je oma ?” vroeg de grote, boze wolf nieuwsgierig. “In dat kleine huisje aan de andere kant van het bos,” legde Roodkapje uit. “Aha !” zei de wolf blij. “Dat huisje ken ik wel. Ga maar gauw naar haar toe. Ze zal blij zijn als zo'n lief kind haar bezoekt. Wens je haar beterschap van mij ? En kijk goed uit onderweg !” Opgelucht nam Roodkapje afscheid van de wolf. Zo snel ze kon, rende ze terug naar de grote weg. Hè, dat was gelukkig nog goed afgelopen! De grote, boze wolf was toch niet zo gemeen als de mensen vertelden, bedacht Roodkapje. Maar aardig vond ze hem niet. Wat was ze geschrokken !
Wat vergiste die arme Roodkapje zich! De boze wolf was nog veel gemener dan de mensen vertelden ! Zojuist had hij een heel lelijk plan bedacht. Hij wist waar het huisje van oma stond. Hij wist ook, dat Roodkapje een heel eind moest lopen over de grote weg. En zelf kende hij een paadje binnendoor, dat hem vliegensvlug bij oma's huisje bracht. Als hij slim was, had hij vandaag twee malse hapjes! Hij zette het op een lopen, zo hard hij kon. Het leek wel of hij door de bossen vloog !
Hijgend stond hij even later aan de bosrand, precies tegenover het huisje van de oma van Roodkapje. Daar probeerde hij de stem van Roodkapje na te doen. En dat lukte aardig. “Klop-klop-klop !” De wolf klopte aan de deur. “Wie is daar ? “ vroeg oma, vanuit haar bed. “Ik ben het, Roodkapje. Ik breng lekkers voor u!” zei de wolf met de stem van Roodkapje. “Ik mag niet uit bed. Maar als je aan het touwtje trekt, dat door de brievenbus hangt, gaat de deur vanzelf open. Kom maar naar binnen, lief kind,” zei oma blij. Toen wachtte de wolf niet langer. Hij trok aan het touwtje en stormde naar binnen. In een hap schrokte hij met zijn grote muil de arme, oude vrouw op. Uit de kast haalde hij een nachtjapon en een slaapmuts. Daarmee kleedde hij zich aan. De sjaal van oma, die op de grond was gevallen, sloeg hij om. En van het nachtkastje nam hij oma's bril. Die zette hij op het puntje van zijn lange, zwarte neus. Vlug kroop hij in bed en de dekens trok hij hoog op, bijna tot aan zijn oren. Hij leunde, vriendelijk lachend, achterover tegen de zachte kussens en... wachtte op Roodkapje !
Lang hoefde hij niet te wachten. Al gauw werd er op de deur geklopt. “Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open,” riep de wolf met schrille stem. “Kom maar gauw binnen !” Roodkapje trok aan het touwtje en huppelde vrolijk naar oma's bed. Daar liet ze de mand met lekkers en de mooie bloemen zien. Maar wat was er met oma aan de hand ? Ze zag er zo vreemd uit ! Zou dat komen omdat oma ziek was ? “Wat zie je er vreemd uit, oma !” begon Roodkapje. “Je hebt zulke grote armen !” “Daar kan ik je beter mee pakken !” mompelde de wolf. “Kom eens wat dichterbij, mijn kind !” “Maar oma.., wat heb je grote oren !” zei Roodkapje, terwijl ze op het bed ging zitten. En ze staarde naar de slaapmuts. “Daar kan ik je beter mee horen!” grinnikte de wolf met oma's stem. “En je hebt zulke grote ogen, oma !” riep Roodkapje verbaasd. ~”Daar kan ik je beter mee zien !" grijnsde de wolf en hij hoopte, dat het meisje nog wat dichterbij kwam zitten. " Ooooh, oma! Wat heb je grote tanden!" schrok Roodkapje. " Daar kan ik je beter mee opeten ! " krijste de wolf en hij sprong uit bed om ook het kleine meisje met huid en haar te verslinden ! Wat schrok Roodkapje! Dat was oma niet! Dat was de grote boze wolf!
Roodkapje rende om het bed heen, maar de grote, boze wolf rende haar na. Hij moest en zou haar te pakken krijgen ! Maar Roodkapje liet zich niet zo gemakkelijk pakken. Ze greep oma's naaimandje en gooide dat naar de boze wolf. De spelden uit de speldendoos staken aan alle kanten in zijn vel. Een dikke stopnaald stak in zijn zwarte neus en het garen hing in slierten voor zijn ogen. " Au ! Au ! " mopperde de wolf. " Nare meid ! " Hij begon de spelden en de stopnaald uit zijn vel te trekken. Daardoor kreeg Roodkapje tijd om hulp te roepen. "Help! Help!" gilde ze zo hard ze kon. "Alsjeblieft! Laat iemand me toch helpen!" "Roepen helpt je niet, " grijnsde de wolf vals. "Niemand hoort je immers op dit stille plekje. Nee, jou krijg ik nog wel ! Als ik die nare spelden kwijt ben, ga ik jou op mijn gemak oppeuzelen ! " En hij meende elk woord dat hij zei.
Opnieuw vluchtte Roodkapje weg en weer ging de wolf haar achterna. Ze holden door het kleine huisje, achter de kast en rond de tafel. Een. stapel boeken viel op de grond en oma's beste bloemvaas viel in stukken. Roodkapje klom over de stoelen en sprong over de boeken. En al die tijd gilde ze zo hard ze kon: “Help! Help!"
Gelukkig kwam er hulp! Het was de beste hulp die Roodkapje zich maar wensen kon. Het was… de goede, dappere jager, die in het bos werkte. Hij kuierde, met zijn geweer op de schouder, langs oma's huisje. Hij kende oma wel, want zij zette altijd een kopje koffie voor hem. En omdat hij trek in koffie had, liep de jager naar oma's huisje. Maar waar kwam dat gegil vandaan? Dat kwam toch zeker niet uit oma's huisje? Geschrokken keek de jager door het raam van de kamer. Roodkapje was in groot gevaar, dat zag de jager meteen! Hij zag, hoe de grote, boze wolf achter haar aan zat. De jager bedacht zich geen moment. Hij pakte zijn geweer, mikte.., en schoot de grote, boze wolf recht door zijn hart. Toen snelde hij naar binnen en nam het huilende meisje op de arm. " Huil maar niet, Roodkapje ! De grote wolf is dood ! Hij kan je nooit meer kwaad doen ! ~ troostte hij. " Ik breng je naar huis. " "Maar... maar.., de grote, boze wolf heeft mijn oma opgegeten! " snikte Roodkapje. En ze huilde tranen met tuiten. Geschrokken keek de jager naar de wolf. Even dacht hij na.
Toen zei hij: "Misschien kan ik je oma nog redden! " "Maar hoe dan ? " snikte Roodkapje weer. " Ik denk, dat de wolf haar in een hap heeft verslonden. Als ik nu vlug zijn buik opensnijd, zit oma daar vast en zeker springlevend in."
Hij sjouwde de zware wolf naar de tafel en legde hem daarop. Toen pakte hij zijn vlijmscherpe jagersmes en sneed voorzichtig de buik van de wolf open. Roodkapje vond het zo griezelig, dat ze niet durfde te kijken. De jager had gelijk! Oma stapte springlevend uit de buik van de boze wolf. "Hèhè, wat was het benauwd in die buik !" zuchtte oma. " Gelukkig ben ik er weer uit en ik voel me kiplekker. Ik ben zelfs niet meer ziek ! "
Voorzichtig gluurde Roodkapje door haar vingers. Warempel, daar stond oma! Juichend vloog het meisje de oude vrouw om de hals. Wat waren ze gelukkig ! Ze lachten en praatten allemaal door elkaar. Want iedereen wilde zijn avontuur met de boze wolf vertellen. Wat een geluk, dat de jager nog juist op tijd kwam ! Anders was het niet zo best gegaan met Roodkapje. "Bedankt, jager! Welbedankt dat je mij en mijn kleine meid gered hebt!" zei oma met een ernstige stem. "Maar waarom kwam je langs mijn huisje? " “Ik eh... ik had zo'n trek in een kopje koffie. Daarom!" zei de jager verlegen. "Haha! Die jager!" grapte oma. "Koffie krijg je en een heleboel lekkers erbij. Roodkapje, zet jij de ketel op het vuur ? " Roodkapje knikte en wilde naar de keuken gaan. Maar om in de keuken te komen, moest ze langs de grote, boze wolf. Die was nu wel dood, maar hij zag er nog steeds gevaarlijk uit. " Wilt u de wolf niet naar buiten brengen ? " vroeg Roodkapje aan de jager. " Ik ben nog steeds een beetje bang!" De jager stopte de wolf in zijn grote zak en zette die buiten voor het huisje neer. Straks zou hij die zak naar het paleis van de koning brengen. Want de koning had een zak vol goud beloofd, aan de dappere man die de wolf kon vangen. Als de wolf er niet meer was, konden alle kinderen weer veilig in het bos spelen. En dat was de koning wel een zak vol goud waard. De ketel begon te fluiten en even later rook het in oma's huisje lekker naar verse koffie. Voor Roodkapje was er limonade.
“Hemeltjelief!” schrok oma. ”Door al die drukte ben ik vergeten je mand uit te pakken, Roodkapje! Ah, lekkere honing en brood en eieren. Heerlijk ! Oh, en een grote pot jam en nog veel meer! Daar moet je moeder maar een dikke zoen voor geven! Een zoen van mij !” Terwijl de jager de scherven van de kapotte bloemvaas opruimde, zocht oma naar een andere bloemvaas, voor de bloemen van Roodkapje. Daarna legde ze een wit kleed op tafel en zette daar zoveel lekkers op, dat er bijna geen plaats meer was voor de bordjes. “Laten we een klein feestje vieren!” lachte oma vrolijk. “Dat hebben we wel verdiend. Er is zoveel lekkers, nemen jullie maar zoveel als jullie lusten!” Dat werd smullen!
Tenslotte beloofde de jager Roodkapje veilig naar haar moeder te brengen. Hij vond het een goed idee, als oma ook mee ging. Als ze een paar dagen bij Roodkapje bleef logeren, zou ze haar angstig avontuur met de wolf snel vergeten. Maar oma wilde niet weg uit haar huisje. “Nee, hoor! Ik blijf hier,” zei ze beslist. “Hier in huis weet ik alles te vinden. En al ben ik oud, ik kan nog goed voor mezelf zorgen. Nu de boze wolf dood is, is het bos weer veilig.” De jager keek bezorgd. “Ik weet iets beters !” lachte oma. “Voortaan kom je elke dag een kopie koffie bij me drinken. Dan weet je zeker, dat alles goed is. Ik zal zorgen voor een lekker stuk taart, elke dag !” Toen pas was de jager tevreden. Hij beloofde elke dag langs te komen. Roodkapje waste de kopjes af en maakte oma's bed op.
Nu was alles weer netjes in het kleine huisje. Niemand kon nog zien, dat de boze wolf hier op bezoek geweest was. Toen nam het meisje afscheid van haar oma en ze beloofde heel gauw terug te komen, met haar vader en haar moeder. De jager zwaaide de zware zak op zijn rug en daar gingen ze. Hand in hand liepen ze door het bos, dat nu weer veilig was. “Kijk!” wees Roodkapje na een poos. “Daar kwam ik op de heenweg de wolf tegen !” Ze griezelde er nog van. “Dat kun je wel zien,” knikte de jager. Dat begreep Roodkapje niet. Hoe kon je dat dan zien? De jager wees naar de grond. Overal in het zand stonden sporen. Die waren van de poten van de wolf. Je kon precies zien, hoe hij achter de bomen geslopen had. “Hij kan me toch lekker niets meer doen!” lachte Roodkapje. Ze waren nu niet ver meer van de rand van het bos. Daar stond het huis al waarin Roodkapje woonde. “Toe, komt u mee naar binnen? Dan kunt u mijn moeder alles vertellen over de boze wolf,” vroeg Roodkapje. “Vooruit dan maar !” lachte de jager. Maar wie stond daar bij het hek te wachten ? Dat was de moeder van Roodkapje ! Ze tuurde naar de grote weg en haar ogen waren nat van het huilen. De tranen rolden over haar wangen. “Roodkapje !” riep ze plotseling, toen ze het meisje zag. “Ik was zo vreselijk ongerust ! Wat ben je lang weggebleven ! Ik dacht dat ... de boze wolf ... je kwaad gedaan had! Wat ben ik blij, dat ik je zie!” Toen deed de jager een stap naar voren. “De boze wolf zal niemand meer kwaad doen! Hij zit in deze zak, morsdood!” En de jager vertelde alles. Hij vertelde ook dat alles goed was met oma en dat ze zelfs niet meer ziek was. “Lieve, lieve jager ! Hoe kan ik u bedanken !” zuchtte moeder.
“Komt u toch binnen. Ik zou u zo graag iets moois willen geven, omdat u Roodkapje en oma gered hebt!" “Ik heb het met plezier gedaan,” zei de jager. “En u hoeft me echt niets te geven. Bovendien krijg ik een beloning van de koning. Een zak vol goud!”
Natuurlijk was de moeder van Roodkapje niet tevreden. Ze wilde de jager echt iets geven. Maar wat ? Plotseling dacht ze aan de jam, die ze vorige week gemaakt had. Zes grote potten aardbeienjam, vol dikke, rode aardbeien. Ze stopte de zes potten in een mand, deed er een dikke roomkaas bij en gaf het aan de jager. “Alsjeblieft !” zei ze. “En ik hoop, dat u nog heel dikwijls bij ons op bezoek zal komen.” Toen de jager was vertrokken, pakte Roodkapje haar kleurpotloden en haar kleurboek. Ze begon te tekenen. De grote, boze wolf loerend achter de bomen, tekende Roodkapje. Het werd een wolf met grote tanden en grote oren en ogen. Nu kon haar moeder pas goed zien, hoe groot en gevaarlijk die wolf was. Moeder schrok ervan. Ze nam Roodkapje op haar schoot en vroeg: “Hoe kwam het, dat je toch het bos in bent gegaan ? Ik had toch gezegd, dat het gevaarlijk was !” Roodkapje knikte. “Er stonden zulke mooie bloemen in het bos. Ze hadden prachtige kleuren. En toen dacht ik, dat oma vast heel blij zou zijn met zo'n mooi boeket. Eerst wilde ik geen bloemen gaan plukken. Echt niet ! Maar ze waren zo mooi ! En toen ... toen ben ik per ongeluk toch het bos in gegaan. Ik had al een flink boeket geplukt, toen ik ineens de wolf tegenkwam. Maar ik ben hard terug gelopen naar de grote weg hoor!” “Laten we die boze wolf maar gauw vergeten!” zei moeder zacht. “Die zien we nooit meer terug. Denk maar aan die dappere jager, die samen met een klein dapper meisje, het bos weer veilig heeft gemaakt. Nu kunnen alle jongens en meisjes weer in het bos gaan spelen. Daar hebben jullie voor gezorgd ! En ga nu maar eens iets vrolijks tekenen !” “Dat zal ik doen!” lachte Roodkapje. “Ik ga iets geks tekenen, iets dat niet echt gebeurd is, maar je kunt er wel om lachen !” Ze tekende en tekende ... het hele papier vol. En toen het klaar was, moest ze zo hard lachen, dat moeder nieuwsgierig uit de keuken kwam kijken. Toen lachten ze samen. Ze schaterden het uit ! Want weet je wat Roodkapje had getekend ? Ze had haar oma getekend, oma in een wit, wapperend nachthemd. En in haar hand had oma een bezem. Daarmee zat ze achter de wolf aan. De grote, boze wolf was bang voor oma met haar bezem. Hij rende en rende, het hele bos door. Dat was pas echt een goeie tekening. Natuurlijk was het niet echt gebeurd, maar leuk was het wel. Toen kwam vader thuis om te eten. En samen leefden ze nog lang en gelukkig!

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

TM 3402 - De kinderschrik    TM 3402 - De kinderschrik   

Beschrijving

Roodkapje brengt een mandje met levensmiddelen naar zieke grootmoeder; krijgt waarschuwing mee dat in het bos een wolf loopt die ook kinderen opeet. Ze gaat toch van de weg af om bloemen te plukken; wordt gezien door de wolf die haar aanspreekt en vriendelijk doet. Roodkapje vertelt waar ze naar toe gaat en waar grootmoeder woont. Wolf doet Roodkapje's stem na, grootmoeder laat hem binnen, eet haar op, trekt haar nachtgoed aan en gaat in bed liggen. Als Roodkapje komt doet de wolf de stem van grootmoeder na. Roodkapje vraagt waarom ze grote armen, oren, ogen en tanden heeft, waarop de wolf haar wil opeten. Roodkapje vlucht, gooit spelden in de vacht van de wolf die haat achtervolgt, begint te gillen. Een jager goort het gegil, gaat er op af, schiet de wolf dood, snijt buik open waar grootmoeder levend uit komt. Jager brengt wolf naar koning die een beloning heeft uitgeloofd voor het vangen van de wolf.

Bron

Hetty van den Heuvel. Roodkapje. Aartselaar [etc.]: Zuidnederlandse Uitgeverij [etc.], 1979
KB: BPN B8009042
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

F913 - Victims rescued from swallower‘s belly.    F913 - Victims rescued from swallower‘s belly.   

Commentaar

Ills Gwen Tourrett, S. Tourrett

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Smits    Smits   

Datum Invoer

2019-02-06