Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

Roodkapje 314 - De 4 mooiste sprookjes van Grimm

Een (boek),

Hoofdtekst

De 4 mooiste sprookjes van Grimm
1989
Jacob Ludwig Carl Grimm (1785-1863) ; Wilhelm Carl Grimm (1786-1859)
Felicitas Kuhn (1926-) ; Anny Hoffmann
Er was eens een klein, lief meisje. Iedereen, die haar kende, hield van haar. Maar zij hield het meeste van haar grootmoeder. Op een zekere dag gaf die haar een roodfluwelen kapje. Dat stond haar zo goed, dat ze niets anders meer droeg. Daarom noemde iedereen haar Roodkapje.
Op een dag zei haar moeder tegen haar: “Kom eens hier Roodkapje, ik heb een fles wijn en een paar koeken in je mandje gestopt. Breng alles maar gauw naar grootmoeder. Zij voelt zich zwak en ziek en deze dingen zullen haar beter maken. Ga maar gauw, voordat het warm wordt. En blijf op de paden lopen, anders val je, breekt de fles en heeft grootmoeder niets. En Roodkapje, vergeet niet grootmoeder aan te kijken, als je haar begroet!" Roodkapje beloofde: “Ik zal overal aan denken," en toen ging ze op weg.
Haar grootmoeder woonde ver weg, in het bos, een half uur lopen van het dorp. Toen Roodkapje in het bos liep, kwam ze de wolf tegen. “Goedendag, Roodkapje," zei hij vriendelijk, “waar ga je zo vroeg naartoe?” Roodkapje was niet bang voor de wolf. Ze wist niet, wat voor een gevaarlijk dier hij was. Daarom antwoordde ze onbekommerd: "Ik ga mijn grootmoeder wijn en koeken brengen. Mijn grootmoeder is ziek. Ze heeft iets nodig, dat haar beter maakt!" “Waar woont je grootmoeder?” vroeg de wolf. “Hier vandaan is het nog een goed half uur," antwoordde Roodkapje argeloos. “Haar huis staat midden in het bos, onder de drie grote eiken."
“Zo, zo," zei de wolf vriendelijk. Bij zichzelf dacht hij echter: Dit jonge ding zal heerlijk smaken. Veel beter dan de grootmoeder. Als ik slim ben, kan ik ze allebei oppeuzelen. Hij liep een tijdje met Roodkapje mee en zei toen listig: “Kijk eens wat een mooie bloemen Roodkapje ! Kijk eens om je heen! En hoor je hoe prachtig de vogels zingen! Jij loopt maar rechtdoor, alsof je naar school moet. En het is hier vandaag juist zo heerlijk in het bos!" Roodkapje keek eens rond en toen zij de zonnestralen tussen de bomen zag dansen en al die prachtige bloemen zag, dacht ze: "Ik weet zeker, dat grootmoeder het heel fijn zou vinden, als ik een bos bloemen voor haar meebracht. Het is nog erg vroeg, dus heb ik tijd genoeg."
Roodkapje ging van het bospad af er zocht bloemen. En steeds als ze er
één geplukt had, zag ze iets verder één, die nog mooier was. Ze liep steeds verder en verder het bos in.
Intussen liep de wolf regelrecht naar het huisje van grootmoeder. Hij klopte op de deur. "Wie is daar?” riep grootmoeder. “Roodkapje, ik kom u wijn en koeken brengen. Wilt u open doen?” antwoordde de wolf met verdraaide stem. "Til de deurklink maar op!" riep de grootmoeder. “Ik ben te zwak, ik kan niet opstaan!" Toen drukte de wolf de klink naar beneden en de deur sprong open. De booswicht sprong direkt op het bed van de grootmoeder en verslond haar. Daarna trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmutsje op en ging in haar bed liggen. Roodkapje was ondertussen van de ene mooie bloem naar de andere gelopen.
Opeens dacht ze weer aan haar grootmoeder. Zo snel mogelijk rende ze naar het huisje toe. Roodkapje was verbaasd, dat de huisdeur wagenwijd open stond en toen ze naar binnen ging, werd ze plotseling heel bang. "Goedenmorgen, grootmoeder!" riep ze, maar ze kreeg geen antwoord. Roodkapje sloop naar het bed. Daar lag haar grootmoeder, maar ze zag er zo vreemd uit. Roodkapje verwonderde zich over haar grote oren, haar grote ogen en grote handen. “Ei, grootmoeder, wat hebt u een ontzettend grote mond?” vroeg ze. “Dat is om je beter te kunnen opeten!" riep de wolf, sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje. Toen ging hij weer in bed liggen en sliep.
De jager liep juist langs het huis van de grootmoeder en bleef verwonderd staan: Wat snurkt de oude vrouw vandaag! Ik moet toch maar even gaan kijken. Toen hij voor het bed stond, zag hij, dat de wolf erin lag. Hemeltje, wat schrok hij. En omdat hij dacht, dat de grootmoeder in de buik van de wolf misschien nog zou leven, schoot hij hem niet dood. Hij nam een schaar en knipte de buik, van de vast slapende booswicht, open. Nauwelijks hat hij een paar keer geknipt, of hij zag een rood kapje. Na nog een paar knippen, sprong Roodkapje te voorschijn en riep: “Ach, wat ben ik geschrokken! Het was vreselijk donker in de buik van de wolf!” En toen kwam de oude grootmoeder er ook levend uit. Maar ze kon nog nauwelijks ademhalen.
Roodkapje sprong van vreugde de kamer rond. Maar toen haalde ze gauw een paar grote stenen. Die stopten zij in de buik van de wolf en naaiden zijn buik vervolgens weer dicht. Toen de booswicht wakker werd, wilde hij gauw weg rennen. Maar de stenen waren zo zwaar, dat hij dood op de grond viel.
Toen waren ze allemaal gelukkig. De jager stroopte het vel van de wolf af, Roodkapje danste weer van vreugde en de grootmoeder at de koeken en dronk de wijn, die Roodkapje meegebracht had. En daarbij werd ze zienderogen beter. Roodkapje dacht echter bij zichzelf: Ik zal mijn leven lang altijd luisteren naar wat mijn moeder zegt en nooit meer iets doen, wat zij verboden heeft!

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje