Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE316 - Sprookjes van kinderkamer en huisgezin

Een sprookje (boek), 1870

Hoofdtekst

Sprookjes voor de kinderkamer en het huisgezin
1870
Jacob Ludwig Carl Grimm (1785-1863) ; Wilhelm Carl Grimm (1786-1859)
Agatha (1833-1893) pseud. van Reinoudina de Goeje ; Robert Geissler
Roodkapje
Er was eens een lief klein meisje. Hoe ze heette, weet ik niet, maar ieder noemde haar Roodkapje, omdat zij altijd een rood kapje droeg. Zij woonde met hare ouders op een dorpje, dicht bij een groot bosch, en aan de andere zijde van dat bosch was het huis van hare lieve oude grootmoeder. Daar mocht Roodkapje graag naar toe gaan, want grootmoeder kon zoo mooi vertellen; zij ging echter nooit alleen, maar altijd met vader of moeder.
Eens echter, op een dag toen vader op de jacht was, sprak de moeder: "Kom, Roodkapje, je bent nu al zoo'n groote meid, ik zal het eens vertrouwen om je alleen een boodschap te laten doen bij grootmoeder. Ik heb het zelve te druk om de wandeling mede te maken." Roodkapje was natuurlijk dadelijk bereid, ze vond het heerlijk om zoo eens alleen uit te mogen gaan. En wat een prettige boodschap! Ze mocht wafeltjes brengen, die moeder zelve gebakken had met suiker en kaneel er op. Moeder pakte de wafeltjes en een flesch lekkeren room in een mandje en zeide: "luister nu goed. Gij kent den weg, blijf altijd op het breede pad, loop vlug door en zeg dan maar aan grootmoeder dat ge van nacht wel bij haar moogt blijven slapen." "Ja, ja, en ik zal het mandje goed vasthouden," beloofde Roodkapje, gaf hare moeder een kus en stapte moedig het bosch in. "Denk om wat ik je gezegd heb," riep de moeder haar nog achterna en Roodkapje herhaalde: "ja, op het rechte pad blijven en goed doorlopen." "Juist," knikte de moeder en ging weer aan haar werk, terwijl Roodkapje flink voortliep.
Zij had de beste plannen om gehoorzaam te zijn, maar ongelukkig vergat zij die al heel spoedig. Toen zij een eindje voortgeloopen had, zette zij het mandje neer en keek eens om zich heen. Het was mooi in het bosch op het breede pad, maar daar verderop, in een klein zijlaantje, zag zij allerlei mooie bloemen waar om heen witte en bonte kapellen fladderden. "Wat ziet het er daar gezellig uit," dacht zij en geheel vergetende wat hare moeder haar gezegd had, verliet zij den rijweg en sloeg het zijwegje in. Toen zag zij verderop weer andere bloemen en meende dat daar nog mooiere kapellen zouden zijn en zoo kwam zij eindelijk in het dichtste van het bosch.
Daar liep zij spelende heen en weer, tot zij eindelijk geheel niet meer wist welken kant zij uit moest. Op eens bewoog er zich iets in de struiken en stond een groote wolf naast haar. "Roodkapje, waar ga jij naar toe?" vroeg hij. "Naar mijne grootmoeder," antwoordde Roodkapje, en toen zij vertelde wat zij daar doen moest, bedacht zij op eens wat haar moeder gezegd had. Verschrikt keek zij om zich heen. "Waar is toch het breede pad?" vroeg zij. De wolf wees het haar en ging weer weg en toen meende Roodkapje dat alles in orde was, maar dat was het niet, want de wolf had een heel mooi plannetje gemaakt, om namelijk Roodkapje en de wafeltjes en de grootmoeder en alles op te eten.
Hier in het bosch durfde hij niet, uit vrees dat de jagers het zouden hooren, maar hij kon veel harder loopen dan Roodkapje, en terwijl het kleine meisje haar weg vervolgde, vloog hij zoo hard als hij kon door de struiken en boomen heen, en was in een wip bij het huis van de oude grootmoeder.
Daar deed hij: "klop, klop." "Wie is daar?" vroeg de grootmoeder met haar fijn oud stemmetje. "Roodkapje," jokte de wolf. "Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan," riep de oude vrouw, en verheugde zich al haar kleindochtertje met haar roode kapje te zullen zien. Maar wat een schrik! toen daar, in plaats van het kleine meisje, die groote wolf naar binnen stapte. Van schrik en angst was grootmoeder in een sprong de achterdeur uit en verstopte zich toen bevend in een klein turfschuurtje. De wolf liep haar niet achterna, want hij dacht: "Roodkapje zal wel beter smaken dan die oude grootmoeder," en terwijl hij plan maakte haar op te peuzelen keek hij eens rond waar hij zich kon verstoppen. Al heel spoedig had hij dat bedacht. Hij kroop in grootmoeders bed, zette haar nachtmuts op en sloeg haar doek om zijn hals. Zoo bleef hij stilletjes wachten totdat hij Roodkapje hoorde kloppen.
"Wie klopt daar?" riep hij toen. "Ik, uw kleindochtertje Roodkapje," riep zij terug. "Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan," zeide de wolf en probeerde dat net zoo te zeggen als hij het grootmoeder had hooren doen, maar zijn stem klonk heel grof en daarom sprak Roodkapje al dadelijk bij het binnenkomen en nog voordat zij goedendag had gezegd: "grootmoeder, grootmoeder, wat heb je een grove stem." "Dat komt van de verkoudheid, kind," sprak de wolf, "doe de deur maar goed dicht, anders zou ik nog meer kou vatten." Hij dacht: "dan kan ze niet wegloopen." Roodkapje sloot de deur, zette haar mandje neder en deed hare booschap, die zij nog goed had onthouden. De wolf had de dekens zoo ver mogelijk over zich heen getrokken, en zeide: "zoo, zoo, mag je hier van nacht blijven? Kom dan maar spoedig bij mij in bed. Maar geef mij eerst een kus," vroeg hij en maakte zijn stem zoo zacht als maar mogelijk was, docht Roodkapje vond het toch een vreemd geluid, en toen zij bij het bed kwam keek zij grootmoeder een beetje angstig aan. "Is dat mijn lieve grootmoeder?" dacht zij en zeide: "grootmoeder, grootmoeder, wat heb je een groote oogen." "Dat is om zooveel beter te kunnen zien," luidde het antwoord. Toen zeide zij: "grootmoeder, grootmoeder, wat heb je een grooten neus." "Dat is om zooveel beter te kunnen ruiken," antwoordde de wolf. "En grootmoeder, grootmoeder, wat zijn dat groote ooren," merkte Roodkapje weer aan. "Daar kan men zooveel beter mede hooren dan met zulke kleine," hernam de wolf. Nu stak hij zijn voorpoot uit. Roodkapje schrikte er van en zeide bevend: "grootmoeder, grootmoeder, wat heb je groote handen." "Daar kan men goed mede grijpen," antwoordde de wolf en sloeg zijn beide klauwen om het meisje heen. Toen zij nu zoo heel dicht bij hem was werd zij bang en zeide: "grootmoeder, grootmoeder, wat heb je een grooten mond." "Dat is goed om je mede op te happen," riep de wolf uit en nu had hij in een wip doek en nachtmuts weggegooid, sprong het bed uit en stond naast het kleine meisje dat luid gilde van schrik en angst, en niet anders dacht dan of zij zou door den wolf worden opgegeten en dan hare lieve ouders nooit weer terug zien.
Gelukkig liep alles nog al heel goed af. Haar vader bezicht dikwijls, als hij op de jacht was, de oude grootmoeder even. Dat vond de oude vrouw altijd zoo prettig. Soms echter gebeurde het wel eens dat zij sliep en dan wilde hij haar niet wakker maken, daarom luisterde hij altijd eerst aan de deur voordat hij klopte. Zoo ook op deze dag. Met de hand aan het oor en terwijl hij zijn hond beval zich koest te houden luisterde hij scherp toe, doch Flankeur had moeite om stil te zijn, want hij rook den wolf wel en was dus heel onrustig. "Stil, toch, stil," riep de jager. "Mijn zoon," riep de grootmoeder die de stem herkende en spoedig uit het schuurtje te voorschijn kwam, terwijl zij vertelde dat er een wolf in haar huis was.
De jager opende nu schielijk de deur, de hond sprong naar binnen en beet den wolf in de beenen juist toen deze Roodkapje wilde ophappen. Daarop hoorde men een geweerschot knallen en was de wolf doodgeschoten.
Toen kusten grootmoeder en vader en Roodkapje elkander dat het klapte, want ze waren allen even blij dat ze aan dit groot gevaar waren ontkomen. Flankeur sprong inmiddels van den baas naar de kleine vrouw en van deze naar de grootmoeder, en likte van blijdschap aller handen. Dat is zoo hondenmanier.
En daarop stroopte de jager den wolf het vel af en zeide dat hij dat bewaren zou voor een haardkleed. Toen dat alles was afgeloopen stak hij zijn pijpje aan, trok een flesch wijn open, zette het oude grootmoedertje in den grooten leunstoel, ging zelf op een bank zitten, wees Roodkapje een zitplaatsje aan op een laag bankje en zeide toen: "en vertel mij nu eens, mijn kleine Roodkapje, hoe alles toch gegaan is."
"Toen ik aanklopte...." begon dadelijk het kleine meisje. "Neen, van het begin af aan," sprak vader. "Van het begin af aan," herhaalde Roodkapje en deelde mede wat hare moeder gezegd had en hoe zij toen voortgewandeld was en wolf ontmoet had. "Ik begrijp het maar niet, ik begrijp het maar niet," sprak de jager hoofdschuddend. "Wat niet?" vroeg de oude vrouw. "Wel, dat er op klaarlichten dag een wolf op den grooten weg loopt," zeide hij. "Ik heb er nog nooit van gehoord." Nu kreeg Roodkapje een hoogroode kleur en zeide: "maar daar was hij ook niet." "Zoo, waar dan?" Nu moest het hooge woord er uit en vertelde Roodkapje dat zij zijpaden had ingeslagen, omdat daar bloemen en kapellen waren. "En wolven," voegde de vader er bij. "Ja, maar dat wist ik niet," antwoordde Roodkapje. "Neen, maar dat wist moeder wel, en daarom had zij gezegd: "loop vlug door en blijf altijd op het breede pad," merkte de vader aan. "Is het zoo niet?" Roodkapje knikte van ja. "En nu ge dat niet hebt gedaan, moest eigenlijk een heel boos zijn...." begon de vader, doch grootmoeder kwam dadelijk tusschenbeide: "och neen, word nu maar niet boos op mijn lief kleindochtertje," vroeg zij, "want zij heeft nu al zooveel straf gekregen door al dien angst voor den wolf."
Nu eigenlijk, om de waarheid te zeggen, was de vader veel te blij dat hij zijn dochtertje ongedeerd voor zich zag dan dat hij nu lust gehad zou hebben om haar te beknorren; en hij zeide dus maar: "nu, omdat grootmoeder het zoo vriendelijk vraagt zal ik je voor dezen keer nog eens afkussen, maar denk er in het vervolg aan: wees altijd stipt gehoorzaam en vergeet het nooit als wij je iets gezegd hebben." Roodkapje sloeg spoedig haar beide armen om den hals haars vaders en beloofde dat zij nooit weer iets zou oen wat haar verboden was, en toen liet grootmoeder haar eens proeven uit haar glaasje en daarop gingen vader en dochter weer heen, praatten in het bosch samen over wat er gebeurd was, en vertelden het thuis aan moeder. Moeder kreeg er de tranen van in de oogen: "wat een geluk," dacht zij, "wat een geluk, dat vader er juist met zijn geweer bij is gekomen."
En later, als zij kindertjes zag die alleen uit zouden gaan, vertelde zij hen altijd de geschiedenis van Roodkapje's ontmoeting met den wolf, en zoo kwam het dat er eindelijk bijna niemand was die dat verhaal niet kende.
En ieder was even blij dat de lieve Roodkapje niet was opgegeten, en dat zij dus nog heel dikwijls naar hare oude grootmoeder kon gaan om deze het een of ander te brengen en naar hare vertellingen te luisteren.
Dat zij dan altijd op den grooten weg bleef behoeft hier wel niet bij verteld te worden, want dat begrijpen alle kindertjes wel.
Van wolven werd er na dien tijd nooit meer iets gehoord, want de jagers hielden een groote drijfjacht en schoten daarbij al die slechte wolven dood, die het bosch zoo onveilig maakten.
Er zijn menschen die meenen dat Roodkapje wel door den wolf werd opgegeten, doch dat is een vergissing. Wat ge nu hebt gelezen is de ware geschiedenis van Roodkapje.

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

Beschrijving

Roodkapje ging naar haar zieke oma toe, zij kwam naar binnen, een wolf had de plaats van haar zieke grootmoeder genomen en een jager kwam langs en schoot de wolf dood.

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.