Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE320 - Sprookjes

Een sprookje (boek), 1920

Hoofdtekst

Sprookjes

1920

Jacob Ludwig Carl Grimm (1785-1863) ; Wilhelm Carl Grimm (1786-1859)

A. Jung


Roodkapje


Er was eens een klein zoet meisje, waarvan iedereen veel hield, die haar maar zag; het meest echter hield haar grootmoeder van haar, die wist niet, wat ze aan het kind zou geven. Eens schonk zij haar een kapje van rood fluweel, en omdat dit haar zoo goed stond en zij voortaan niets anders meer wilde dragen, noemde men haar Roodkapje.


Haar moeder zei eens tot haar: "Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een flesch wijn, breng dat naar grootmoeder, die is ziek en zwak, dat zal haar goed doen. Wees beleefd en vriendelijk, kijk niet overal rond, als je in de kamer komt en vergeet "goeien morgen" te zeggen. Loop voorzichtig en netjes over den weg, anders val je en breekt die flesch; dan heeft grootmoeder niets." Roodkapje zei: "ik zal het goed doen," en gaf moeder de hand erop.


De grootmoeder woonde in het bosch een half uur van het dorp. Toen Roodkapje in het bosch kwam, ontmoette haar de wolf. Roodkapje wist niet, wat een leelijk beest dat was, en was niet bang voor hem. "Dag, Roodkapje," zei hij. "Dag wolf," antwoordde zij. "Waar ga je zoo vroeg heen, Roodkapje?" "Naar grootmoeder." "Wat draag je daar onder den boezelaar?" "Koek en wijn, gisteren hebben we gebakken, dat zal grootmoeder goed doen zij is zoo zwak." "Waar woont je grootmoeder, Roodkapje?" "Nog een kwartiertje verder in het bosch, onder de drie groote eiken staat haar huis, er staat een haag om, dan zul je het wel weten," zei Roodkapje.


De wolf dacht bij zich zelven: "Dat jonge, lieve meisje is een lekker hapje, het zal me nog beter smaken, dan het oudje; ik zal het slim aanleggen, om beiden te snappen."


Een poosje liep hij met Roodkapje over de weg, toen zei hij: "Roodkapje kijk eens, welke mooie bloemen hier overal staan, waarom kijk je niet eens rond? Ik geloof, dat je niet eens hoort, hoe mooi de vogeltjes fluiten. Je loopt, als of je naar school moet, en het is zoo vroolijk in het bosch." Roodkapje keek eens rond, en toen zij zag, hoe zonnestralen door de boomen schenen, en alles vol mooie bloemen stond, dacht ze: "als ik grootmoeder een verschen ruiker meebreng, dan zal ze blij zijn; het is nog vroeg, ik heb nog tijds genoeg;" zij liep het bosch in en zocht bloemen. Had zij een bloem geplukt, dan meende zij, dat een eindje verder een nog mooiere stond, ging er heen, en zoo liep zij al verder en verder het bosch in.


De wolf ging regelrecht naar het huis der grootmoeder en klopte aan de deur. "Wie is daar?" "Roodkapje, die u koek en wijn brengt, maak maar open." "Druk maar op de klink," riep de grootmoeder, "ik ben te zwak en kan niet opstaan." De wolf drukte op de klink, kwam binnen, ging regelrecht zonder een woord te spreken, op het bed der grootmoeder af en slokte haar op. Toen nam hij hare kleeren, trok die aan, zette haar muts op, ging in haar bed liggen en trok de gordijnen dicht.


Roodkapje had maar bloemen geplukt en toen zij er zooveel had, dat zij ze nauwelijks dragen kon, dacht zij weer aan haar grootmoeder en liep haastig voort. Zij verwonderde zich, dat de deur openstond, en toen zij in de kamer trad, kwam het haar zoo vreemd voor, dat zij dacht: "Mijn God, wat word ik angstig, anders ben ik zoo graag bij grootmoeder." Zij zeide: "goeden morgen" maar kreeg geen antwoord. Daarop ging zij naar het bed en trok het gordijn weg; daar lag grootmoeder, zij had de muts diep in de oogen getrokken en zag er zoo vreemd uit.


"Grootmoeder, wat heb je groote ooren!"
"Dat is goed, om te hooren."
"Grootmoeder, wat heb je groote oogen!"
"Dat is goed, om te zien."
"Grootmoeder, wat heb je groote handen!"
"Dan kan ik je goed pakken,"
"Maar grootmoeder, wat heb je een verbazend grooten mond!"
"Dan kan ik je goed opeten."


Meteen sprong de wolf uit het bed, pakte Roodkapje beet en verslond haar.
Nadat de wolf zijn honger gestild had, ging hij weer in bed liggen, sliep in en begon luid te snorken.


De jager ging juist voorbij en dacht bij zich zelven: "Hoe kan zoo'n oude vrouw toch zoo snorken, ik wil eens zien, of haar wat scheelt." Hij trad in de de kamer; toen hij bij het bed kwam, lag de wolf erin. "Vind ik je eindelijk, oude grijskop," zeide hij, "ik heb je al zoo lang gezocht." Nu wilde hij zijn geweer aanleggen, doch toen viel hem in, dat de wolf de grootmoeder wel eens opgegeten kon hebben, misschien was zij nog te redden. Hij schoot dus niet, maar hij nam een schaar en begon den slapenden wolf den buik open te knippen. Hij had pas een paar knippen gedaan, of hij zag het roode kapje glinsteren, nog een paar knippen en het meisje sprong eruit en riep: "ach, wat was ik geschrikt; wat was het donker in den buik van de boozen wolf!" Daarop kwam de grootmoeder er ook nog levend uit, doch zij kon nauwelijks meer ademhalen.


Roodkapje haalde gauw groote steenen, daarmee werd nu de buik van den wolf gevuld. Toen hij wakker werd, wilde hij wegspringen, doch de steenen waren zoo zwaar, dat hij morsdood neerviel.


Nu waren zij alle drie tevreden; de jager nam de huid van den wolf; de grootmoeder at de koek op en dronk van den wijn, welken Roodkapje meegebracht had, dit deed haar weer bijkomen en Roodkapje dacht: "nooit zal ik meer van den weg afgaan en alleen het bosch inloopen, als moeder het mij verboden heeft."

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje