Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE358

Een sprookje (boek), 2005

Hoofdtekst

Er was eens een leuk, klein meisje. Ze woonde met haar vader en moeder aan de rand van een groot bos. En omdat ze meestal een rood jasje met een capuchon droeg, noemde iedereen haar Roodkapje. Roodkapje was eigenlijk altijd vrolijk. Maar op een dag gebeurde er iets heel engs...

Roodkapje zat op een kleed in de tuin en speelde lekker met haar poppen. Opeens hoorde ze haar moeder roepen: 'Roodkapje, kom eens!' Roodkapje sprong op en rende naar de keuken. 'Kijk,' zei haar moeder. 'Oma is een beetje ziek. Daarom heb ik wat lekkere dingen voor haar bij elkaar gezocht. Alles zit in dit mandje. Wil jij het even brengen?' 'Ja, leuk!' zei Roodkapje blij. 'Wat zit er allemaal in?' Mama lachte en noemde op wat er in de mand zat:

'Een pak biscuitjes, chocola
pitjeskaas en gele vla
boterkoek, een zakje snoep
en een blik tomatensoep

'Daar zal oma blij mee zijn,' zei Roodkapje. Ze pakte het mandje en ging op weg. 'Wél op het pad blijven hoor!' riep haar moeder nog. 'Ze zeggen dat er een vreselijk gemene wolf in het bos woont. Maar als je netjes op het paadje blijft en niet te veel lawaai maakt, gebeurt er niets. Wolven slapen namelijk overdag.' 'Ik zal eraan denken,' riep Roodkapje vrolijk terug.

Roodkapje wist precies hoe ze moest lopen. Ze hoefde alleen maar rechtdoor. Helemaal aan het eind van het pad was een open plek in het bos, en daar stond het huisje van oma.

Toen Roodkapje ongeveer halverwege was, kwam ze ergens langs waar allemaal prachtige bloemen groeiden. Weet je wat? dacht Roodkapje. Ik zal een bosje bloemen voor oma plukken. Dat zal ze wel leuk vinden. Roodkapje zette haar mandje op de grond en begon te plukken. Ze wist best dat ze niet van het pad af mocht, maar de bloemen stonden echt heel dichtbij. Een klein stukje van het pad af is vast niet erg, dacht Roodkapje. Roodkapje plukte en plukte. Ze zag steeds mooiere bloemen staan. Hoe verder ze het bos in liep, hoe mooier de bloemen waren die ze zag. Pas toen Roodkapje een grote bos had, keek ze om. Ze was al een heel eind van het pad af. Geschrokken rende ze terug. De takjes kraakten onder haar voeten.

Roodkapje maakte zóveel lawaai dat de wolf er wakker van werd. 'Wat is dát?' mompelde de wolf. 'Hóór ik daar iets?' Slaperig keek hij om zich heen. Kijk nou, dacht hij. Het lijkt wel of daar een klein meisje door het bos rent. Komt dát even mooi uit. Toevallig ben ik dol op kleine meisjes. Met een beetje appelmoes erbij, zal ze vast erg lekker smaken. De wolf stond op en sloop Roodkapje achterna. Intussen was Roodkapje weer op het pad aangekomen. Hijgend pakte ze haar mandje en liep snel door. Gelukkig, dacht ze blij. Er is niets gebeurd. Maar toen hoorde ze een zware stem: 'Hé, waar gaat dat heen?' Roodkapje schrok zich een ongeluk. Meteen draaide ze zich om. 'Bent... bent.., bent u de wolf?' vroeg ze bang. 'Welnee,' zei de wolf opgewekt. 'Hoe kom je dáár nou bij? Natuurlijk ben ik geen wolf. Ik eh... ik ben een klein, lief hondje.' Roodkapje keek nog eens goed. 'Maar u bént helemaal niet klein,' zei ze. De wolf begon te lachen. 'Nee,' zei hij. 'Dat eh... dat komt omdat ik een heel gróót klein, lief hondje ben.' 'Oh,' zei Roodkapje opgelucht. 'Is dat het? Ik was bang dat u misschien de wolf was.' 'Natuurlijk niet,' zei de wolf. 'Het idee, zeg. Maar eh... vertel eens, meisje, waar ga je eigenlijk naar toe?' 'Naar oma,' zei Roodkapje. 'Ze is een beetje ziek en nu ga ik haar een mandje met lekkere dingen brengen.' 'Wat aardig,' zei de wolf. 'Enne, heb je ook appelmoes bij je?' Roodkapje keek in haar mandje. 'Nee,' zei ze. 'Dat zit er niet in.' 'Jammer,' bromde de wolf, 'Heel jammer. Wat zit er dan wél in dat mandje?' 'Een heleboel,' zei Roodkapje lachend:

'Een pak biscuitjes, chocola
pitjeskaas en gele via
boterkoek, een zakje snoep
en een blik tomatensoep

'Daar zal je oma vast wel blij mee zijn,' zei de wolf. Intussen dacht hij heel diep na. Ik zou dit meisje natuurlijk nu metéén op kunnen eten, maar ik heb een veel beter idee. Eérst ga ik die oma opeten, dán Roodkapje, en dáárna eet ik het mandje leeg. Dat is dan mijn toetje. 'Waar woont die oma van jou?' vroeg de wolf toen. 'Helemaal aan het eind van dit pad,' zei Roodkapje. 'In een huisje met een rood dak.' De wolf lachte tevreden. 'Wat grappig. Nou, wens haar maar beterschap. Dag meisje.'

En weg was de wolf, Hij rende het pad af naar het huisje van oma. Daar sprong hij door het open raam naar binnen en slokte oma met één enorme hap naar binnen. 'Ziezo,' zei de wolf voldaan, en hij liet een piepklein boertje. 'Heerlijk, zo'n omaatje. Ik ben altijd al dol op omaatjes geweest.' Toen keek de wolf om zich heen. Ik moet opschieten, dacht hij. Zometeen komt Roodkapje en dan eet ik haar óók lekker op. Ineens begon de wolf te lachen. 'Even een grapje uithalen,' zei hij. Hij haalde een nachthemd van oma uit de klerenkast en trok het aan. Hij zette een slaapmuts op zijn kop en ging snel in oma's bed liggen.

Toen werd er op de deur geklopt. 'Kom maar binnen!' riep de wolf met een oma-stemmetje. 'De deur is open.' Roodkapje stapte het huisje binnen. 'Dag oma,' riep ze. 'Ik heb bloemen voor u geplukt omdat u ziek bent. En ik heb ook een mandje met lekkere dingen. Ik breng het wel even naar de keuken.' 'O, wat ontzettend lief van je,' zei de wolf. 'Wat zit er allemaal in?' Roodkapje keek in het mandje en noemde op wat er in zat:

'Een pak biscuitjes, chocola
pitjeskaas en gele vla
boterkoek, een zakje snoep
en een blik tomatensoep

'Dat klinkt werkelijk verrukkelijk,' zei de wolf met zijn oma-stemmetje. Roodkapje zette intussen de bloemen in een vaas en ging daarna met het mandje naar de slaapkamer van oma. 'Gaat het een beetje?' vroeg Roodkapje. 'Het gaat wel, lieverd,' zei de wolf. 'U ziet er anders niet zo goed uit,' zei Roodkapje een beetje geschrokken. 'Ik vind u zo vréémd!' 'Meen je dat nou, kind?' vroeg de wolf. Roodkapje knikte. 'U heeft van die grote oren gekregen...' 'Dat is waar,' zei de wolf. 'Maar dat is juist handig, want nu kan ik veel beter horen wat je zegt.' 'Maar uw ogen zijn óók groter geworden,' ging Roodkapje verder. 'Je hebt gelijk,' zei de wolf. 'Ik kan je nu veel beter zien.' 'Maar...' zei Roodkapje. 'U heeft zo'n grote mond gekregen.' Nu begon de wolf te bulderen van het lachen. 'Klopt!' riep hij. 'En met die grote mond.., kan ik jou beter OPETEN!' Toen sprong de wolf uit bed en slokte Roodkapje met één grote hap naar binnen.

'Hmm,' zei de wolf even later. 'Dát was nog eens lekker. Maar nu zit ik echt helemaal vol. Ik denk dat ik dat mandje maar even voor straks bewaar. Ik moet alleen nog wel iets drinken, want o, o, wat heb ik een dorst!' De wolf zag een flesje op oma's nachtkastje staan en dronk het helemaal leeg. Toen stapte hij weer in bed en viel meteen in slaap.

Na een tijdje kwam er een boswachter voorbij. Hij liep zoals elke dag naar het huisje van oma om gezellig een kopje koffie te drinken. De boswachter klopte op de deur, maar oma deed niet open. 'Oma,' riep de boswachter. 'Hallo!' Maar er gebeurde niets. Toen legde hij zijn oor tegen de deur en luisterde. 'Nou, nou,' zei de boswachter. 'Wat kan die oma snurken, zeg. Het lijkt wel of ze een boom aan het omzagen is. Wat een kabaal!’ De boswachter liep naar het raam en keek naar binnen. Toen schrok hij ontzettend. In het bed van oma lag iemand ánders. Daar lag de wólf!

Zo snel als hij kon, klom de boswachter naar binnen. Toen zag hij de enorm dikke buik van de wolf. De wolf is vast ziek geworden, dacht de boswachter. En nu mag hij van oma in haar bed liggen. Hij bekeek het lege flesje op het nachtkastje. Slaapdrank stond erop. 'Juist,' bromde de boswachter. 'Oma heeft de wolf een slaapdrankje gegeven, en nu is ze natuurlijk naar het dorp om een dokter te halen.' De boswachter legde zijn oor op de buik van de wolf. Hij hoorde allerlei gerommel en gepruttel. En het leek wel of de buik steeds dikker werd. Straks ontploft die buik nog, dacht de boswachter. Ik moet iets doen! Gelukkig wist hij best hoe je een wolf moest opereren. Daarom nam hij zijn mes en maakte heel voorzichtig de buik van de wolf open. Af en toe keek hij of de wolf wakker werd. Maar nee, hij sliep rustig door. Dat moet een goed slaapdrankje geweest zijn, dacht de boswachter. Eindelijk was de buik open. De boswachter wist niet wat hij zag toen hij naar binnen keek. Daar waren Roodkapje en haar oma. Ze waren flauwgevallen. De boswachter tilde ze uit de buik van de wolf en legde ze voorzichtig op de grond. Gelukkig kwamen ze al snel weer bij. Ze waren allebei erg geschrokken, maar ze mankeerden helemaal niets. Roodkapje vertelde de boswachter wat er allemaal gebeurd was. 'Wat zullen we nu met de wolf doen?' vroeg de boswachter toen ze uitverteld was. 'Schiet hem dood!' riep oma. 'Dat kan niet,' zei de boswachter. 'Mijn geweer is namelijk stuk. Maar dat zou ook niet handig zijn, want we krijgen die wolf nooit van dat bed af als hij dood is. Hij is veel te zwaar voor ons. Het is beter dat de wolf straks zélf weggaat.'

Gelukkig kreeg oma een goed idee. Samen zochten ze buiten een paar grote stenen. Die stenen stopten ze in de buik van de wolf, Toen pakte oma haar naaimandje en naaide de buik van de wolf weer dicht. Ze was nog maar net klaar toen de wolf zachtjes begon te kreunen. 'Kijk uit!' fluisterde de boswachter. 'Hij wordt weer wakker.' Ze verstopten zich snel achter de bank. En daar zaten ze dan: de boswachter, oma en Roodkapje. Voorzichtig keken ze over de rand van de bank heen naar de wolf, 'Wat heb ik een zware buik,' gromde de wolf, Kreunend en steunend kroop hij uit bed. 'En wat heb ik een dorst! Ik moet nodig wat drinken.' De wolf waggelde naar de keuken om wat drinken te zoeken. Maar hij vond niets. 'Jakkes,' zei de wolf boos. Gelukkig wist hij dat er buiten een oude waterput was. Daar kan ik wel wat drinken, dacht hij. De wolf strompelde naar buiten en ging naar de put. Oma, Roodkapje en de boswachter slopen achter hem aan naar buiten. Het water in de put stond erg laag en de wolf moest helemaal voorover buigen om te kunnen drinken. Ineens rolden alle stenen in zijn buik naar voren. Op dat moment gaf Roodkapje de wolf snel een zetje. Hij schoot over de rand van de put heen en verdween in de diepte. Een paar tellen was het stil. Toen hoorden ze een enorme PLONS! 'Ziezo,' zei de boswachter opgelucht. 'Die zijn we kwijt.'

Alledrie waren ze ontzettend blij. Oma ging snel naar binnen om koffie te zetten en limonade te maken. En even later aten ze samen de lekkere dingen uit het mandje op. De boswachter smulde zoals hij nog nooit gesmuld had. En oma voelde zich na het eten al een stuk beter.

Die avond bracht oma Roodkapje weer veilig naar huis. Samen vertelden ze wat er gebeurd was, en oma bedankte voor het mandje. 'Wat had ik er ook alweer ingestopt?' vroeg mama. Roodkapje en oma keken elkaar aan. En Roodkapje noemde alles op...

'Een pak biscuitjes, chocola
pitjeskaas en gele vla
boterkoek, een zakje snoep
en een blik tomatensoep

'Het was heerlijk,' zei oma. 'Ik ben weer helemaal beter.' 'Mooi zo,' zei mama lachend. En zo leefden ze samen nog lang en gelukkig. En niemand, maar dan ook níémand heeft ooit nog die grote, gemene wolf gezien.

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

Beschrijving

Roodkapje bracht een mandje met biscuitjes, chocola, pitjeskaas, gele vla, boterkoek, snoep en tomatensoep naar haar zieke oma. Onderweg maakte Roodkapje zoveel lawaai in het bos dat de wolf wakker werd. De wolf deed net alsof hij geen wolf was en Roodkapje vertelde aan hem waar ze heen ging. De wolf ging haar vooruit naar oma en slokte haar in één hap op. Hij verkleedde zich als oma en at ook Roodkapje op toen zij kwam. De boswachter hoorde het gesnurk van de wolf en bevrijdde Roodkapje en oma uit zijn buik. Samen vulden ze zijn buik met stenen. Toen de wolf ging drinken, viel hij in het water en verdronk hij.

Bron

HET GROTE SPROOKJESBOEK

Motief

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.