Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE401 - De vertooning van Roodkapje

Een sprookje (drama), 1919

Hoofdtekst

De vertooning van Roodkapje
Figuur 3 (de moeder van Roodkapje) wordt rechts op het tooneel geschoven en roept:
"Roodkapje! Roodkapje!"
Figuur 1 (Roodkapje) wordt van links op het tooneel geschoven en zegt:
"Ja moeder, wat blieft u?"
Moeder: "Kom eens hier kind, laat eens kijken hoe dat mooie roode kapje je staat, dat je van grootmoeder hebt gekregen. - Netjes, hoor - keurig! - Nou je weet, grootmoeder heeft je dat mooie kapje gegeven omdat je den laatsten tijd zoo gehoorzaam bent geweest. Zal je dat nu ook blijven kind?"
Roodkapje: "Ja moeder, ik zal heusch erg m'n best doen."
Moeder: "Dan is 't goed, kind, Zie je, vader en moeder verbieden je toch alleen maar dingen, die niet goed voor je zijn, dat begrijp je toch wel, nietwaar?"
Roodkapje: "Ja moeder."
Moeder: "Goed, ga dan nu maar wat spelen."
Roodkapje: "Dag moeder."
Moeder: "Dag!"
Figuur 1 wordt omgekeerd en van het tooneel geschoven
Moeder: "He, wat zou 't heerlijk zijn, als ze die ongehoorzaamheid nu eens voor goed had afgeleerd. 't Is toch zoo'n lief kind!"
Figuur 18 (de vader van Roodkapje) wordt van links op het tooneel geschoven.
Vader: "Vrouw, ik ga hout hakken. Waar is Roodkapje?"
Moeder: "Die is buiten aan 't spelen."
"Vader: "O, dat is goed. Je moet oppassen, dat ze niet te ver het bosch in gaat, want ik hoor, dat er een wolf in 't bosch is."
Moeder: "O! Goed, dat je 't zegt, man. Ik wou haar straks even naar grootmoeder sturen, dan zal ik zeggen, dat ze vooral op den grooten weg moet blijven."
Vader: "Ja, als ze dan maar niet ongehoorzaam is."
Moeder: "Nou, dat denk ik niet - het gaat ten laatsten tijd best met haar, hoor!"
Vader: "Gelukkig maar, want door ongehoorzaamheid kan je in allerlei ongeluk komen, he? - Nou, dag vrouw, ik ga."
Moeder: "Dag man, tot straks."
/Figuur 18 wordt omgekeerd en van het tooneel geschoven./
Moeder: "Kom, ik ga eens gauw wat wafelen bakken voor grootmoeder. Dan kan Roodkapje die straks even gaan brengen."
/Figuur 3 wordt omgekeerd en van het tooneel geschoven. Even later komt figuur 3 weer op het tooneel, met figuur 21 (het mandje) dat ze in de hand moet houden.
Moeder: "Roodkapje! Roodkapje!"
/Figuur 1 wordt van den tegenovergestelden kan op het tooneel geschoven./
Roodkapje: "Ja moeder, hier ben ik al."
Moeder: "Kijk eens Roodkapje, ik heb lekkere wafels gebakken voor grootmoeder. Wil jij haar die eens even gaan brengen?"
Roodkapje: "Ja moeder."
/Figuur 21 (het mandje) wordt met een vinger van figuur 3 naar de hand van figuur 1 geschoven./
Roodkapje: "He, wat ruiken die wafels lekker! Die arme zieke grootmoeder zal er wat blij mee wezen."
Moeder: "Ja, dat denk ik ook wel. Maar luister eens Roodkapje. Je mag vooral niet van den grooten weg afgaan, hoor! Beloof je me dat?"
Roodkapje: "Ja moeder."
Moeder: "Want, zie je, vader zegt, dat er een wolf in 't bosch is. Je begrijpt, als die je tegen komt, eet hij je natuurlijk op. Dus, zal je heel gehoorzaam wezen en netjes op den grooten weg blijven? En niet in het bosch gaan om bloemetjes te plukken?"
Roodkapje: "Neen, moeder."
Moeder: "En als je den wolf tegenkomt, blijf dan vooral niet met hem staan praten."
Roodkapje: "Neen moeder."
Moeder: "Nou kom dan maar, ik zal je even uitlaten."
/Figuur 1 met figuur 20 worden omgekeerd en van het tooneel geschoven, gevolgd door figuur 3. Figuur 9 (moeder van Roodkapje) wordt nu aan den linkerkant van het tooneel gezet en figuur 1 wordt van denzelfden kant op het tooneel geschoven./
Moeder: "Dag Roodkapje - dag kind! De groeten aan grootmoeder!"
/Figuur 1, nu geheel rechts van het tooneel, wordt omgekeerd en roept:
"Dag moeder! Daag!"
/Figuur 1 wordt weer omgekeerd en van het tooneel geschoven, evenals figuur 9./
/Figuur 1 met figuur 21 wandelt nu eenige malen langs het tooneel, terwijl Roodkapje in zichzelf praat:
"He, toch wel vervelend zoo al maar op den grooten weg te loopen. Ik zou veel liever door het bosch wandelen en wat bloemen plukken. Misschien is er ook heelemaal geen wolf. - O, wat hoor ik daar?"
/Figuur 1 wordt midden op het tooneel in trillende beweging gehouden, zoodat het lijkt, alsof Roodkapje beeft, terwijl de vertooner het geluid van een wolf nabootst./
Roodkapje: "O, o wat ben ik bang! Zou dat de wolf wezen? O jeetje, ja, daar heb je 'm al!"
/Figuur 2 (de wolf) wordt langzaam op het tooneel geschoven, zoodat zij tegenover figuur 1 komt te staan, die langzaam en bevend achteruit moet wijken, tot geheel links van het tooneel.
De wolf: "Dag Roodkapje, dag lief kind."
Roodkapje (zachtjes): "Hij lijkt toch niet zoo erg kwaad te wezen. Ik zal maar heel erg beleefd tegen hem zijn, dan zal hij me misschien niets doen." (harder): "Dag lieve zoete mijnheer de wolf. Hoe maakt u het?"
De wolf: "Best, kindlief, best. Ben je hier zoo maar aan 't wandelen?"
Roodkapje: "Neen lieve mijnheer de wolf. Ik ga mijn zieke grootmoeder deze wafels brengen."
/Figuur 2 wordt tot vlak bij figuur 21 geschoven.
De wolf: "He, wat ruiken die wafels lekker. Je grootmoeder zal wel blij wezen. Waar woont ze?"
Roodkapje: "Heelemaal aan het eind van dezen weg, mijnheer de wolf."
De wolf: "Woont ze daar heelemaal alleen?"
Roodkapje: "Ja, mijnheer de wolf."
De wolf: "En is ze ziek? Ligt ze te bed?"
Roodkapje: "Ja, mijnheer de wolf."
De wolf: "Maar hoe kom je dan bij haar binnen?"
Roodkapje: "Ja, ziet u, mijnheer de wolf, er is een touwtje aan de klink van grootmoeder's deur, en als ik nu daar kom, dan klop ik eerst op de deur, om te weten, of grootmoeder geen belet geeft, ziet u, en dan roept grootmoeder: Wie is daar? en dan zeg ik: Ik ben 't, grootmoeder - Roodkapje! - en dan zegt grootmoeder: O, ben jij 't Roodkapje? trek maar aan 't touwtje kind - en zoo kom ik dan binnen, ziet u, mijnheer de wolf."
De wolf: "Ja, ja. - Ze zal wel altijd blij wezen als je bij haar komt, he? - Moet je niet wat bloemetjes voor haar plukken?"
Roodkapje: "Ja, ziet u, mijnheer de wolf, dat wou ik wel erg graag, maar ik mag niet van moeder."
De wolf: "Och kom, dat zal je moeder wel niet zoo erg gemeend hebben. - En er staan zulke mooie bloemen in het bosch. Ik denk, dat je grootmoeder er wel graag wat van zou willen hebben."
Roodkapje: "Ja, dat denk ik ook wel. Grootmoeder houdt erg veel van bloemen. Als ik maar mocht van moeder."
De wolf: "Och, je moeder ziet 't immers toch niet."
Roodkapje: "Nou ja, een paar bloemetjes kan ik toch ook wel plukken. Dag lieve, mijnheer de wolf."
De wolf: "Dag Roodkapje."
/Figuren 1 en 2 worden beide omgekeerd en verdwijnen elk aan één kant van het tooneel. Figuur 11 (de wolf) wordt eenige malen vlug langs het tooneel geschoven. Onderwijl zegt de wolf:/
"Nou zal ik wel zorgen dat ik vóór dat domme kind bij grootmoeder ben. Dan kan ik eerst de grootmoeder opeten en later Roodkapje ook nog!"
/Figuur 11 verdwijnt van het tooneel. Dan wordt figuur 6 midden voor het tooneel geplaatst en figuur 8 links daarvan. Figuur 1 komt van links op het tooneel met figuur 21./
Roodkapje: "He, ik ben toch blij, dat de wolf weg is, al was hij ook heel aardig voor me. Nou, en hij heeft gelijk hoor, ik kan best wat bloemetjes plukken voor grootmoeder - 't is nog vroeg genoeg. - Wacht, ik zal de mand zoolang achter die boomen zetten."
/Fig. 1 verdwijnt met fig. 21 achter fig. 6, terwijl in plaats daarvan fig. 5 (Roodkapje) op het tooneel heen en weer bewogen en telkens voorover gebogen, zoodat het lijkt, alsof Roodkapje bloemen plukt. Onderwijl praat ze:/
"O, wat een mooie bloemen staan hier toch overal! - Daar zal grootmoeder wel blij mee wezen. - He, ik kan haast niet uitscheiden met plukken! - Die moet ik ook nog hebben. - He, dat is nou ook 'n mooie. - O en die - en die! - Maar nou moet ik toch heusch naar grootmoeder, anders kom ik zoo laat. Ik zal m'n mandje maar weer gaan halen."
/Figuur 5 verdwijnt achter figuur 6 en in plaats daarvan verschijnt figuur 1 met figuur 21 weer op het tooneel. Figuur 6 wordt weggenomen en Roodkapje met haar mandje wordt eenige malen over tooneel heen en weer bewogen./
Roodkapje (huilend): O, o, ik kan den weg niet meer vinden - ik lijk wel heelemaal verdwaald in het bosch! - Was ik toch maar op den grooten weg gebleven!
/De vertooner bootst het geluid van houthakken na en figuur 1 wordt stil gehouden, midden op het tooneel./
Roodkapje: "Wat hoor ik? Dat lijkt wel een houthakker! - O, daar ga ik op af! Die zal me wel den weg kunnen wijzen!"
/Figuur 1 van het tooneel. Dan verschijnt rechts, figuur 7 (een houthakker) en links figuur 10 (Roodkapje.)
Houthakker: "Dag Roodkapje. Wat doe jij hier?"
Roodkapje: "O, ik moet wafels naar m'n grootmoeder brengen en nu ben ik den weg gansch en al kwijt geraakt."
Houthakker: "Zoo, je bent ook heelemaal niet op den grooten weg gebleven. Mocht je door 't bosch loopen."
Roodkapje (huilend): "Neen, mijnheer de houthakker."
Houthakker: "Waarom deed je het dan?"
Roodkapje: "Omdat de wolf zei, dat 't wel niet erg zou wezen."
Houthakker (verschrikt): "De wolf? Heb je den wolf gezien?"
Roodkapje: "Ja mijnheer de houthakker."
Houthakker: "En wat zei hij?"
Roodkapje: "Hij vroeg waar ik naar toe ging en waar grootmoeder woonde en hoe ik bij d'r binnen ging en - "
Houthakker: "En heb je hem dat allemaal verteld? Jij domme meid! Nou, je mag wel van geluk spreken, dat de wolf je niet opgegeten heeft! En maak nou gauw, dat je bij je grootmoeder komt. - Je moet daar rechtsaf en dan loop je aldoor maar rechtuit tot je weer op den grooten weg komt."
Roodkapje: "O ja, en dan weet ik 't verder wel. Dank u zeer. Daag!"
Houthakker: "Dag Roodkapje."
/Figuur 10 wordt omgekeerd en van het tooneel geschoven./
Houthakker: "Zoo'n kind toch! 't is wel 'n wonder, dat de wolf haar niet opgegeten heeft! Als daar maar niets achter steekt. Ik vertrouw het zaakje niet! Ik zal de vader van Roodkapje maar eens gauw gaan waarschuwen."
/Figuur 7 verdwijnt. Dan zet men figuur 12 (het huisje van grootmoeder) rechts van het tooneel neer. (De drie witte lijnen in dit huisje moeten tevoren weggeknipt worden, zoodat de deur open dicht kan worden gemaakt door middel van een draad)./
/Figuur 13 (de wolf) komt links van het tooneel te voorschijn. Deze figuur wordt langzaam opgericht tot de wolf vóór het huisje staat. Hij klopt met zijn poot tegen de deur aan:
"Klop-klop-klop."
Stem van grootmoeder: "Wie is daar?"
De wolf (met veranderde stem): "Ik ben 't grootmoeder, - Roodkapje."
Grootmoeder: "Zoo kindlief, ben jij daar? Trek maar aan 't touwtje, dan gaat de deur open."
/De wolf trekt aan het touwtje, wordt langs figuur 12 geschoven. Op hetzelfde oogenblik verdwijnt figuur 12; figuur 14 (het ledikant) met figuur 15 (de grootmoeder) aan het hoofdeinde daarvan, komt daarvoor in de plaats. Figuur 13 springt op het hoofd van grootmoeder en terwijl de vertooner een gil doet hooren, verdwijnt grootmoeder's hoofd met den wolf achter het ledikant en komt figuur 16 (de kop van den wolf) aan het hoofdeinde van het ledikant te voorschijn. De wolf, die grootmoeder heeft opgegeten ligt nu, in haar plaats, in het ledikant en zegt:/
"He, he, die grootmoeder heeft me lekker gesmaakt!"
/Dan verdwijnen de figuren 14 en 16 en figuur 12 komt weer links van het tooneel. Van rechts komt figuur 1 met figuur 21 en wordt voortgeschoven tot voor het huisje. Roodkapje klopt op de deur./
Stem van de wolf: "Wie is daar?"
Roodkapje: "Ik ben 't, grootmoeder, Roodkapje."
De wolf: "Zoo, kindlief, ben jij daar? Trek maar aan 't touwtje, dan gaat de deur open."
/Figuur 1 verdwijnt achter figuur 12 en beide figuren worden weer vlug verwisselde voor figuur 14 met figuur 16. Figuur 17 (Roodkapje) verschijnt dan boven het ledikant./
Roodkapje: "Dag, grootmoeder."
De wolf: "Dag kind. Wat kom je doen?"
Roodkapje: "Ik kom u wat versche wafels brengen, grootmoeder met de groeten van moeder."
De wolf: " Dank je kind, ze ze daar maar neer."
Roodkapje: "Grootmoeder, wat hebt u toch een grove stem."
De wolf: "Dat komt, omdat ik zoo verkouden ben."
Roodkapje: "Grootmoeder, wat hebt u groote oogen."
De wolf: "Daar kan ik je beter mee zien, kind."
Roodkapje: "Grootmoeder, wat hebt u groote ooren."
De wolf: "Daar kan ik je goed mee horen, kind."
/Figuur 17 komt dicht bij figuur 16./
Roodkapje: "Grootmoeder, wat hebt u een groote mond."
De wolf: "Daar kan ik je goed mee opeten!"
/Figuur 16 wordt even vlug voorover gebogen, figuur 17 verdwijnt daarachter./
De wolf: "Ziezoo, Roodkapje heeft me heerlijk gesmaakt, nou kan ik lekker slapen."
/De vertooner bootst een hevig gesnurk na./
/Na een poosje verdwijnen figuur 14 en 16. Rechts van het tooneel wordt vlug figuur 18 (de vader van Roodkapje aangeschoven, roepend:/
"Vrouw, vrouw, kom eens gauw hier!"
/Figuur 3 komt van links./
De vrouw: "Ja man, wat is er?"
De houthakker: "Daar net komt een andere houthakker me waarschuwen, dat onze Roodkapje met den wolf in het bosch geweest is. Ik ga gauw weg om haar te zoeken!"
De vrouw: "Lieve hemel, ja, loop toch zoo hard als je kan!"
/Figuur 18 is vlug van het tooneel, daarachter figuur 3. Op het tooneel weer figuur 14, met figuur 16 aan het hoofdeinde van het ledikant. De vertooner bootst een hevig gesnurk na. Links van het tooneel verschijnt figuur 7 (de houthakker).
De houthakker: "Allemachies, daar ligt me die leellijke wolf, met grootmoeder's muts op in grootmoeder's bed. - Hei! Word eens wakker!"
/Figuur 16 wordt heen en weer bewogen./
De wolf: "Wat is er? Wie is daar?"
De houthakker: "Ik ben er. De vader van Roodkapje. Wat heb je met het kind gedaan? En waar is m'n moeder?"
De wolf: "Hoe weet ik dat nou? Ze zijn zeker samen gaan wandelen."
De houthakker: "Ja, dat geloof ik, m'n moeder is nog te ziek om op te staan. - Vooruit, dat bed uit, - ik wil eens kijken hoe je er uit ziet!"
/Alledrie de figuren laat men snel verdwijnen en plaatst daarvoor figuur 19./
De houthakker: "Jij leelijke wolf, waar heb jij zo'n dikken buik van?"
De wolf: "Ja, m'n goeie man, dat weet ik heusch niet!"
De houthakker: "Nou, maar ik weet 't wel, leelijkert! Je hebt m'n moeder en m'n kind opgeslokt. Maar ik moet ze weerom hebben, hoor! Wat dacht je wel! - Dáár leelijkert!"
/De vertooner bootst het gehuil van den wolf na, figuur 19 verdwijnt naar beneden en daarvoor in de plaats komt figuur 20 (Roodkapje met haar grootmoeder) die dansend eenige malen langs het tooneel worden voortbewogen./
"Hoera, hoera, springlevend zijn we allebei uit den buik van den wolf te voorschijn gekomen!"
/De figuur wordt in het midden van het toneel even stil gehouden./
Grootmoeder: "Nou, Roodkapje, me dunkt, nu zul je toch wel nooit meer ongehoorzaam wezen?"
Roodkapje: "Neen grootmoeder, nooit, nooit, nóóit van m'n leven meer - dat beloof ik u!"
Grootmoeder: "Dan is het goed kind."
/Figuur 20 danst nog eenige malen over het tooneel en de kinderen zingen:/
"Lang zullen ze leven,
Lang zullen ze leven,
Lang zullen ze leven,
In de gloria!"
EINDE

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Roodkapje heeft van grootmoeder een rood kapje gekregen omdat ze de laatste tijd zo gehoorzaam is geweest. Ze belooft moeder haar best te doen om dat te blijven. Moeder zegt tegen vader dat ze Roodkapje naar grootmoeder zal sturen, waarop vader zich afvraagt of Roodkapje op de grote weg zal blijven. Onderweg ontmoet ze de wolf, vertelt waar grootmoeder woont en de manier om binnen te komen, en laat zich verleiden om in het bos bloemen te plukken. Ze verdwaalt, komt houthakkers tegen en vertelt wat ze tegen de wolf heeft gezegd. Terwijl Roodkapje naar grootmoeder gaat, waarschuwen de houthakkers haar vader. Intussen is de wolf bij grootnmoeders huis aangekomen, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, gaat naar binnen, eet grootmoeder op en gaat in haar bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na, ze gaat naar binnen en verbaast zich over de stem, ogen, oren en mond van grootmoeder, waarop de wolf haar opeet. Vader vraagt aan de wolf waar Roodkapje en grootmoeder zijn gebleven, de wolf probeert vader te misleiden. Waarschijnlijk snijdt vader de buik van de wolf open, want in de laatste scene zijn Roodkapje en grootmoeder te zien. Roodkapje belooft belooft nooit weer ongehoorzaam te zijn.

Bron

Jan Rinke. Jan Rinke's schimmenspel: verklaring en tekstboekje. Amsterdam: Scheltens & Giltay, [1919]
KB: KW XZZ 065
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

K1832 - Disguise by changing voice.    K1832 - Disguise by changing voice.   

Commentaar

Ills Jan Rinke
Bevat De vertooning van Klein Duimpje. De vertooning van Roodkapje. De vertooning van Asschepoester. De voorstelling van den ezel, den hond, de kat en den haan. De voorstelling van den Bremer stadsmuzikanten

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-05-23