Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE404

Een sprookje (boek), 1930 - 1939

Hoofdtekst

Er was eens een lief aardig meisje, dat Wiesje heette. Ze had mooie zwarte krullen en een paar donkere kijkers.
Ze woonde met haar moeder, die weduwe was, in een aardig huisje, aan een groote rivier. Haar vader was al gestorven, toen Wiesje nog heel klein was. Ja, dat was toen heel treurig geweest. 's Morgens had hij nog, vroolijk en wel, van z'n vrouw en dochtertje afscheid genomen en's avonds was hij zwaar gewond thuis gebracht. Hij werkte toentertijd op een groote boerderij. Op dien ongeluksdag was hij bezig in den stal, toen er plotseling een paard achteruit trapte en den armen man, die net gebukt stond, tegen z'n hoofd raakte. Wat schrok de arme vrouw, toen haar man zoo doodsbleek 't huisje binnen gedragen werd. Direct word er een dokter bijgehaald, maar 't was reeds te laat. Denzelfden avond stierf de arme man nog. Er brak nu een moeilijken tijd voor de weduwe en haar dochtertje aan. Het beetje geld wat nog overgespaard was, raakte al heel gauw op. Wiesjes moeder begon toen met voor de rijke menschen japonnen te maken. Ze deed dit zoo keurig en netjes, dat ze steeds meer werk kreeg en zoodoende genoeg geld verdiende voor haar zelf en haar dochtertje.
Op zekeren dag moest Wiesjes moeder bij een heele rijke dame komen. Deze gaf haar een grooten lap roode stof. Hiervan moest ze een mooie japon maken. Toen deze klaar was, hield ze nog een mooi stukje over. Zo mocht dit houden van de dame, voor wie de japon was. Ze maakte er nu een heel mooi kapje van voor haar dochtertje. Iedereen vond 't haar even aardig staan. Ze vond 't zelf ook zoo prachtig, dat ze nooit meer iets anders, wilde dragen. Altijd had ze 't op. De menschen gaven haar daarom den naam Roodkapje. Niemand zei meer Wiesje, zelfs haar eigen moeder niet. Op 't laatst wist 't kleine meisje zelf niet beter of ze heette Roodkapje, haar naam Wiesje was ze glad vergeten. Roodkapje was een erg lief meisje, dat altijd haar moeder hielp. Omdat deze meestal den heelen dag bezig was met japonnen naaien, schoot er natuurlijk niet zooveel tijd over voor 't huishouden. Maar dat gaf niets, daar zorgde Roodkapje wel voor. Ze kon heel netjes de meubels afstoffen en den vloer aanvegen. Ook schilde ze altijd de aardappelen voor haar moeder of deed boodschappen. Ja, haar moeder had een heelen steun aan haar, al was ze nog jong. Niet alleen hielp Roodkapje haar moeder, 't meisje ging ook dikwijls naar haar grootmoeder, om die ergens mee te helpen. Maar 't was een heelen tocht van Roodkapje's huis naar grootmoeder. Ze moest eerst een stuk langs de rivier en dan zich door een schipper over laten zetten. Maar dan was ze er nog lang niet. Dan moest ze een heel groot bosch door en dat was heel gevaarlijk, want daar leefden nog wolven in dat bosch.
Wanneer Roodkapje dan ook naar haar grootmoeder ging, dan wachtte ze altijd op haar oom. Deze was jager en kwam nogal dikwijls in 't kleine huisje bij de rivier. Wanneer hij dan tijd had, bracht hij Roodkapje naar haar grootmoeder. Ze bleef dan altijd een paar daagjes en dan kwam haar oom haar weer halen. Op zekeren dag was Roodkapje in 't tuintje voor 't huis bezig frambozen te plukken. Plotseling hoorde ze 't tuinhekje open gaan en toen ze opkeek, zag ze, dat 't de brievenbesteller was. “Zoo, Roodkapje," begroette deze 't meisje, “ik heb hier een brief van je grootmoeder." “Hé,” dacht Roodkapje, “een brief van grootmoeder, dan is er zeker iets bijzonders aan de hand, anders zou ze niet schrijven." Ze bedankte den brievenbesteller en holde met den brief naar haar moeder. Deze was In de keuken bezig met eten koken. Ze keek ook erg verwonderd toen ze den brief zag. Zo scheurde hem open, zette haar bril op en begon te lezen. “Wat staat er toch in, moeder," vroeg Roodkapje, die zag, dat haar moeder onder 't lezen een rimpel in haar voorhoofd trok. “Wacht, ik zal hem dadelijk hardop voorlezen." Nadat ze den brief heelemaal gelezen had, begon Wiesjes moeder nu hardop.

Beste dochter en kleindochter.
Jullie zullen wel erg verwonderd zijn een brief van mij te ontvangen. Maar dat komt zoo. Al een paar dagen ben ik niet erg lekker. Ik denk, dat ik een zware kou te pakken heb, want ik hoest den heelen dag. Maandag was ik zoo ziek en had ik zoo'n hooge koorts, dat ik den dokter heb laten halen.
Deze zei me, dat ik direct naar bed moest. Dat is natuurlijk erg lastig voor me, omdat ik maar alleen ben en niemand heb om voor me to zorgen. De buurvrouw van hiernaast brengt me, zoo nu en dan wel eens, een beetje pap of een bordje soep, maar meer kan ze niet doen. Ze heeft zelf tien kinderen, dus heeft ze ’t al druk genoeg. Nu wilde ik vragen, of Roodkapje niet een weekje bij me kan komen. 't Is al zoo'n flinke meid, dus kan ze voor me koken en m’n huisje een beetje schoon houden. Maar, jullie moeten je niet ongerust maken hoor, want de dokter is vanmorgen weer geweest. Hij zei, dat 't heelemaal niet gevaarlijk was, en dat ik over een dag of tien misschien al weer beter zal zijn.
Nu, ik hoop maar dat Roodkapje gauw komt.
De hartelijke groeten van Grootmoeder.
"Die arme grootmoeder moet ik maar gauw gaan helpen, vindt U niet?" vroeg Roodkap|e, toen de brief uit was. “Ja," antwoordde haar moeder, “dat is nu erg Jammer, gisteren is toevallig je oom geweest, hadden we 't toen geweten, dan had die je kunnen brengen, want ik durf je toch niet alleen door dat groote bosch te laten gaan.” “Ja maar," begon Roodkapje, “’t kan misschien nog wel een week duren, voordat oom weer eens hier aankomt, we kunnen het arme mensch daar toch niet al dien tijd alleen laten." 't Gesprek werd nu onderbroken, doordat plotseling op de deur geklopt werd en even later een buurvrouw binnen stapte. “Er is toch niets gebeurd," vroeg ze, toen ze 't tweetal zoo bedrukt zag kijken.
“Ja,” antwoordde Roodkapje’s moeder, terwijl zo op den brief wees, “we hebben zooeven tijding gehad dat Grootmoeder ziek is. De dokter heeft gezegd, dat 't wel niet zoo erg is, maar ze moet toch. in bed blijven. 't Goede mensch ligt daar nu moederziel alleen en heeft niemand om voor zich te zorgen. Nu vraagt ze of Roodkapje niet een week bij haar komen kan." “Daar behoeven jullie toch niet zoo’n bedrukt gezicht voor te zetten, want dat gaat toch wel," zei de buurvrouw. “Natuurlijk gaat dat wel," antwoordde Roodkapjes moeder, “alleen heb ik niemand, die haar er naar toebrengen kan. Je weet, 't is nog al een gevaarlijke tocht, want ze moet door 't bosch." “Daar weet ik wel raad op," antwoordde de buurvrouw.
“Toevallig zijn m'n man en m'n ouderen zoon in 't bosch aan 't werk. Als Roodkapje 't aan hen vraagt, dan brengt een van twee haar wel naar haar grootmoeder." “Dan zal ik maar dadelijk gaan," zei Roodkapje en wilde gelijk haar schortje al vast af doen. “Ho, ho, ho," lachte haar moeder, “zou je niet wat voor je zieke grootmoeder meenemen." “Ja,” gaf Roodhapje toe, “daar zou ik warempel in de haast niet aan gedacht hebben." Roodkapjes moeder bakte nu gauw een paar heerlijke wafels. Deze pakte ze in een mandje en deed hier nog een lekker bord frambozen bij en een potje boter en een versch brood. "Zoo," zei ze tegen Roodkapje, "ga nu maar gauw weg, dan ben je voor den donker nog bij grootmoeder." “O, Ja, dat is waar ook," vroeg Roodkapje aan de buurvrouw, “waar kan ik uw man en uw zoon in 't bosch vinden." “Dat is gemakkelijk genoeg," antwoordde deze. “Wanneer je 't groote boschpad inslaat, dan moet je bij 't eerste laantje rechts maar eens kijken, daar zal je ze wel zien." Na haar moeder beloofd te hebben, vooral voorzichtig te zijn, ging Roodkapje op weg.
Na een heel eind 't pad langs de rivier gevolgd te hebben, kwam ze bij 't huisje, waar de schipper woonde, die de menschen naar den overkant roeide. Ze klopte aan en even later deed de schipper open. “Zoo, Roodkapje," begroette hij 't kleine meisje, “Je moet zeker naar je grootmoeder, niet? Hé,” viel hij zichzelf in de rede, toen hij zag, dat Roodkapje heelemaal alleen was, “brengt er je oom je niet heen?" Nu vertelde Roodkapje, dat er een brief van grootmoeder gekomen was, waarin stond dat ze erg ziek was, en dat ze daarom Roodkapje graag een weekje bij zich had, om voor haar te zorgen. "Nu moet ik er dus zoo gauw mogelijk naar toe en kan dus niet wachten tot m'n oom komt," eindigde Roodkapje haar verhaal. “Kom dan maar mee,” zei de schipper, “dan zullen we je eens vlug naar den overkant brengen." De schipper en 't kleine meisje gingen nu naar 't bootje, wat langs den kant lag. Ze stapten in, de schipper nam de riemen en even later dobberden ze op de rivier. Roodkapje vond 't toch wel een beetje griezelig, zoo in dat kleine bootje, op die groote rivier. “Maak je maar niet bezorgd, hoor," lachte de schipper, die haar bedrukte gezichtje zag. Na een kwartiertje was 't bootje aan den overkant. Roodkapje klauterde er uit, bedankte den schipper en ging nu weer verder. Na een minuut of vijf een smal paadje gevolgd te hebben, kwam ze aan 't bosch. “Zoo," dacht Roodkapje, "nu moet ik zien, dat Ik de buurvrouw haar man en haar zoon vindt." 't Smalle pad was nu breeder geworden en liep kronkelend door ’t groote bosch. Roodkapje kwam al heel gauw aan 't eerste paadje links, waar zooals de buurvrouw had gezegd, 't tweetal aan ’t werk moest zijn. Maar hoe ze ook keek, ze kon ze nergens ontdekken. Roodkapje wist natuurlijk niet, dat die twee de sporen hadden gezien van een vos, en dat ze die nu volgden om z'n hol te ontdekken. Het meisje zocht nog een heelen tijd, maar vond ze vanzelfsprekend niet. “Weet je wat,” dacht ze, “Ik zal maar alleen gaan, Ik heb den weg met oom al zoo dikwijls geloopen, dat ik die wel droomen kan." Opgewekt ging Roodkapje op pad.
Ze stapte een tijdje flink voort, maar, toen zag ze opeens tusschen een paar boomen een heeleboel prachtige bloemen staan. “Weet je wat,” dacht ze bij zich zelf, “ik zal er een paar plukken. “Als ik dan bij grootmoeder ben, zet ik ze in een vaas en zet die op een tafeltje bij haar bed.” Al heel gauw had Roodkapje een aardig ruikertje bij elkaar. Telkens wilde ze uitscheiden, maar dan zag ze weer zoo'n mooi bloempje, dat ze niet kon nalaten dit ook te plukken. Op 't laatst had zo een prachtige bouquet van de mooiste bloemen. “Zie zoo," zei Roodkapje bij zichzelf, “nu mag ik wel eens flink doorstappen, anders ben ik voor den donker niet bij grootmoeder." Ze zette er nu flink den pas in.
Na zoowat een kwartiertje geloopen te hebben, hoorde ze ineens vlak achter zich in 't struikgewas een geritsel. Ze keek verschrikt om en werd op 't zelfde oogenblik doodsbleek van schrik. Ze zag een groote wolf uit 't struikgewas op haar toekomen. Roodkapje wilde weghollen, maar 't leek wel, of haar beenen verlamd waren, ze kon geen stap doen. “O, o," dacht ze bij zich zelf, “was ik toch maar niet alleen 't bosch ingegaan." De wolf was intusschen vlak bij haar gekomen en Roodkapje verwachtte ieder oogenblik, dat hij op haar toespringen zou. Maar wat was ze verwonderd, toen de wolf haar niets deed, maar heel vriendelijk tegen haar begon te praten en zei: "Zoo, meisje, waar ga jij zoo alleen naar toe?" 't Duurde een heelen tijd voor Roodkapje antwoord gaf, maar toen de wolf z'n vraag nog eens herhaalde, zei ze: “Ik moet naar m'n grootmoeder, die is ziek en nu moet ik haar een weekje helpen." “In dat mandje," vroeg de wolf nu weer, “zit zeker iets lekkers voor de oude vrouw?" Toen Roodkapje hem liet zien, wat ze voor haar grootmoeder had meegebracht, liep den wolf 't water uit z'n bek. “Hè,” dacht hij, “dat zou ik best lusten en dat meisje zelf, ziet er ook zoo lekker uit, dat zou ik ook wel op willen eten." Maar hij durfde 't niet te doen, want hij had vlak In de buurt een paar houthakkers gezien. De wolf was nu bang, dat wanneer hij 't meisje aanvallen zou, Roodkapje zou beginnen te gillen. Wanneer die mannen dit zouden hooren, kwamen ze natuurlijk kijken wat er aan de hand was. “Dat moet ik anders aanpakken," dacht de wolf bij zichzelf.
Heel vriendelijk vroeg hij nu weer aan 't meisje: “Woont je grootmoeder hier ver vandaan?" “Ja," antwoordde Roodkapje, “’t is nog een heel eind. Je moet 't boschpad blijven volgen, totdat je aan een beekje komt, dan sla je rechts af, dan loop je net zoo lang tot je 't bosch door bent. Dan zie je een molen, die loop je voorbij en dan is 't het derde huis aan je linkerhand." “Nu, meisje," zei de wolf, "dan moet je nog een flink stuk loopen, dan zal ik je maar niet langer ophouden. Ik hoop maar, dat je grootmoeder gauw weer beter wordt," eindigde 't dier en was even later weer in 't struikgewas verdwenen. Roodkapje stapte nu weer flink door. “Wat een vriendelijk dier was die wolf," dacht ze bij zichzelf, “ik begrijp niet, waarom de menschen zoo bang voor zoo'n beest zijn. Hij doet je toch heelemaal geen kwaad." 't meisje wist natuurlijk niet, wat de wolf van plan was, want dan had ze wel anders over hem gedacht.
Nadat de wolf van Roodkapje weggegaan was, had hij 't dadelijk op een loopen gezet. Langs een anderen weg als Roodkapje hem gezegd had, bereikte hij na een half uurtje 't huisje van de grootmoeder. Heel voorzichtig sloop hij naar de deur. Hij lette goed op, dat niemand hem zag en klopte toen aan. Na een poosje klonk de zachte stem van grootmoeder, die riep: “Wie is daar?" De wolf veranderde z'n stem, zoodat die een beetje op die van Roodkapje leek en antwoordde: “Ik ben 't grootmoeder, Roodkapje." De goede oude vrouw, die in bed lag, kon natuurlijk niet open doen. Haar buurvrouw had daarom een touwtje met 't eene eind aan den knop van do deur vastgemaakt en 't andere eind door de brievenbus naar buiten gehangen. Als er dan iemand kwam, dan riep grootmoeder, dat ze maar aan 't touwtje moesten trekken. Toen grootmoeder dan ook dacht, dat ze de stem van Roodkapje hoorde, riep ze: “Trek maar aan 't touwtje, dan gaat de deur vanzelf open." Do wolf deed wat de oude vrouw zei, de deur ging open en even later sloop 't dier naar binnen. Wat schrok grootmoeder, toen ze daar inplaats van Roodkapje een wolf zag. Ze wilde gillen, maar voordat 't arme oude mensch één kreet uitbrengen kon, had de wolf zich al op haar geworpen. 't Dier had in drie dagen niets gegeten en had dus een geweldigen honger. In tijd van een oogenblik had hij de oude vrouw verslonden. Nu zette hij 't mutsje van grootmoeder op en na de deur goed gesloten te hebben, ging hij op haar plaats in bed liggen.
“Ha, ha, ha," lachte 't wreede dier, terwijl hij onder de dekens kroop, “als nu dat kleine meisje komt, dan heb ik nog een lekker hapje."
Roodkapje was intusschen al aardig opgeschoten. Ze was al bij 't beekje gekomen en sloeg rechts af. Ze had zoowat een minuut of vijf geloopen, toen ze aan den kant van den weg een heeleboel lekkere, rijpe bramen zag staan. "Wacht," dacht Roodkapje, die door de lange wandeling flink dorst had gekregen, "daar zal ik gauw een paar van plukken." Voorzichtig zette ze haar mandje neer, legde haar bos bloemen er bij, en even later zag haar mondje paars van de bramen. Ze waren lekker rijp en maakte heerlijk. Net wilde ze haar mandje en de bos bloemen oppakken om weer op te stappen, toen ze achter zich een fijn stemmetje hoorde, dat zei: “Hebben de bramen je nog al gesmaakt, lief meisje?” Verschrikt keek Roodkapje om en daar zag ze een klein aardig kaboutertje. 't Was een leuk ventje met een rood puntmutsje op en een heelen langen baard. Ze was zoo geschrokken, dat ze heelemaal vergat te antwoorden en daarom vroeg 't kaboutertje opnieuw: “Vond je de bramen erg lekker?" “ja," antwoordde Roodkapje nu, “ze smaakten me heerlijk, want ik had heel ergen dorst." “Dan moet je eens met mij mee gaan," begon 't kleine kereltje weer, “ik weet een plekje, waar nog mooiere en grootere staan." Roodkapje vertelde hem nu, dat ze niet veel tijd had, want dat zo naar haar zieke grootmoeder moest, om haar een weekje te helpen. “Wat scheelt het oude vrouwtje?" vroeg het kaboutertje medelijdend. “Ze heeft een zware kou gevat," vertelde Roodkapje nu, “ze hoest den geheelen dag en de dokter heeft gezegd, dat ze voorloopig in bed blijven moet en omdat ze alleen woont, want m'n grootvader is al lang dood, ga ik nu een weekje 't eten voor haar koken en 't huisje schoon houden." “Dat is heel lief van je meisje,” antwoordde 't kaboutertje, “maar als je grootmoeder zoo zwaar verkouden is, dan zal ik zorgen dat je een drankje voor haar krijgt, waar ze weer heel gauw van beter wordt. Ga maar even met me mee, dan zal ik je bij een heelen knappen dokter brengen." “Ja, maar," zei Roodkapje, “wordt 't dan niet te laat, want ik wilde wel graag voor 't donker bij grootmoeder zijn."
“Maak je maar niet bezorgd," stelde 't kaboutertje haar gerust, “we zijn er zoo. 't Is hier vlak bij waar we wezen moeten." “Nu goed dan," sprak Roodkapje. Ze pakte haar mand en de bos bloemen op en volgde het kleine ventje. Na een minuut of vijf een heel smal paadje gevolgd te hebben, stond het kaboutertje plotseling stil. Hij trad nu op 't struikgewas toe en na een paar takken op zij geschoven te hebben, zag Roodkapje een klein heuveltje, waarin een groot gat was. “Hier moeten we zijn," sprak 't kaboutertje. “Zet je mandje en je bloemen nu hier maar zoolang neer en kom maar met me mee." Toen hij zag dat Roodkapje een beetje angstig naar dat donkere gaf keek, haalde 't kaboutertje een zaklantaarn te voorschijn en terwijl hij deze aanknipte, zei hij lachend: “Je behoeft heelemaal niet bang te zijn, heer, want er zal niets met je gebeuren." Terwijl hij dit zei, was hij door 't gat gekropen. Een beetje gerustgesteld volgde Roodkapje hem. Na een poosje op haar knieën achter 't kaboutertje aangekropen te zijn, merkte ze dat de gang, waarin ze zich bevond, steeds ruimer werd. Op 't laatst behoefde ze niet meer op haar knieën te kruipen, maar kon gewoon rechtop loopen. 't Kaboutertje lichtte haar met z'n zaklantaarn bij. Toen Roodkapje zoo eens om haar heen keek, zag ze, dat aan weerskanten van den muur, zich hier en daar deuren bevonden. Boven iedere deur was een bordje met een opschrift, maar 't was te donker om te lezen wat er op stond. Na zoo een heel tijdje geloopen te hebben, stond de kabouter ineens stil voor een heele groote deur. Bij 't schijnsel van de zaklantaarn zag Roodkapje, dat deze prachtig gebeeldhouwd was. Boven de deur stond ook iets te lezen. Roodkapje stootte den kabouter aan en wees naar 't bordje. Het kleine kereltje liet nu 't licht van z'n lantaarn er op schijnen en Roodkapje las: “Koningszaal." 't Kaboutertje klopte nu driemaal zachtjes tegen de deur.
Even later werd deze opengedaan door een kaboutertje, met een prachtig paars jasje en kuitbroek aan. "Dat is zeker een lakei,” dacht Roodkapje, toen ze zag, dat hij ook een paar witte kousen aan had. Roodkapje en haar kleine begeleider werden nu binnen gelaten. Ze bevonden zich nu in een heele groote zaal. Alles was hier prachtig. De muren waren van kostbaar marmer, versierd met prachtige edelsteenen. Overal hingen kristallen lampjes. In 't midden van de zaal zag Roodkapje een grooten troon van rood fluweel. Hierop zat een heel oude kabouter. Hij had een purperen kleed aan, versierd met prachtige robijnen. Over z'n schouder hing een groote hermelijnen mantel en in z'n rechterhand had hij een scepter van goud, ook versierd met allerlei schitterende edelsteenen. De kroon die hij op z'n hoofd had, was ook van goud en fonkelde van de diamanten. De lakei, die Roodkapje en de kabouter open had gedaan, vroeg nu fluisterend wat er van hun dienst was. De kabouter nam het woord en zei, dat hij aan den koning om een drankje kwam vragen, voor een oude zieke vrouw. Ga hier dan maar zoolang zitten, zei de lakei, terwijl hij op twee prachtige ebbenhouten stoelen wees, die tegen den muur stonden. “Dat is natuurlijk de koning, die daar op den troon zit," vroeg Roodkapje fluisterend aan haar metgezel. “Ja," antwoordde deze haar, en niet alleen is hij een goed vorst, maar hij is ook een heele knappe dokter. Er is geen ziekte of hij weet er een middeltje op." Intusschen was de lakei naar den koning gegaan en na een heele diepe buiging gemaakt te hebben, begon hij: “Majesteit, hier is een van Uw onderdanen. Hij heeft een klein meisje bij zich en komt U om een drankje vragen, voor een zieke oude vrouw." Terwijl hij dit zei, wees hij op Roodkapje en den kabouter. “Laat ze maar hierkomen," antwoordde de vorst. De lakei ging Roodkapje en den kabouter halen en even later bevonden ze zich voor den koning der kabouters. Ze maakten beiden een heel diepe buiging en toen begon Roodkapje's begeleider, terwijl hij op 't meisje wees: “Majesteit, ik ontmoette dit lieve meisje in 't bosch, en ze vertelde me, dat ze haar grootmoeder, die nog al ziek is, een weekje ging helpen.
Misschien wilt U nu wel zoo goed zijn om een drankje voor de oude vrouw mee te geven” “Natuurlijk wil ik dat," sprak de koning nu vriendelijk. En terwijl hij zich naar 't meisje wendde, vroeg hij: “Vertel me eens, hoe heet je?" Deze was een beetje verlegen en antwoordde schuchter: “Roodkapje." “O,” lachte de koning, “dat is zeker omdat je dat roode mutsje draagt." Toen Roodkapje toestemmend knikte, ging de koning verder: "En wat scheelt je grootmoeder?" Het meisje vertelde nu, dat de oude vrouw nogal erg hoestte en dat zo zware koorts had." “Nu, Roodkapje," zei de koning nu weer, “dan zal ik eens een drankje voor haar klaar maken, waarvan ze gauw beter wordt. Ga jij nu nog maar een poosje zitten, dan breng ik 't dadelijk wel bij je." De koning stond op en verliet even later, door een zijdeur, de groote zaal. Roodkapje en de kabouter gingen nu weer op de stoelen langs den muur zitten. Hoe vindt je onzen koning nu?" vroeg deze haar toen ze weer zaten." “Ik vind 't een heele aardigen man," antwoordde Roodkapje, “en 't is erg lief van hem, dat hij een drankje voor grootmoeder maken wil.” Na een poosje ging er vlak bij hun een deur open en kwam dezelfde lakei, die hen bij den koning gebracht had, binnen. Hij had een groot blad bij zich. Hier stonden twee glazen limonade en een groote schaal met gebakjes op. De lakei kwam op Roodkapje en de kabouter toe, en zei: “De koning heeft me met deze versnaperingen naar jullie toegestuurd, 't zal nog wel even duren voordat hij 't drank|e klaar heeft, daarom moeten jullie in dien tijd maar een glaasje limonade drinken en een gebakje eten." “Dank je wel heer," bedankten de twee de lakei en namen ieder een glaasje limonade en een gebakje. De lakei schoof nu een tafeltje bij en zette hierop de schaal met taartjes, terwijl hij zei: ”Als jullie nog een gebakje lust, dan nemen jullie er nog maar eentje." Jongen wat smulden Roodkapje en de kabouter. Vooral de laatste deed erg z'n best. Roodkapje was erg bescheiden, ze at twee gebakjes op, maar de kabouter had er in korten tijd al zeven naar binnen gewerkt. Net wilde hij de achtste van de schaal afnemen, toen de deur open ging en de koning weer verscheen. In z'n hand had hij nu een klein fleschje, met een bruinachtige vloeistof. Hij kwam nu op 't tweetal toe en terwijl hij 't meisje 't fleschje gaf, zei hij: “Hier, Roodkapje, dit is 't drankje voor je grootmoeder. Als je nu dadelijk bij haar bent, dan moet je aan haar er maar direct een eierdop vol van geven, dan zal je zien, dat ze zich heel gauw een stuk beter zal voelen. Morgenochtend geef je haar er weer eentje, en dan is ze morgen weer geheel genezen." Roodkapje stond op en bedankte den koning hartelijk voor 't drankje en beloofde hem 't precies zoo te doen, als hij gezegd had. Nadat zij en de kabouter een diepe buiging voor hem gemaakt hadden, verlieten ze de zaal. Toen ze weer in de gang kwamen, zei Roodkapje tot haar metgezel, “nu mag ik wel gauw opschieten, anders bon ik veel te laat bij grootmoeder." Vlug liepen ze de gang door en even later kropen ze door 't gat en waren weer in 't bosch. Roodkapje pakte haar mand en haar bos bloemen weer op en na den kabouter vriendelijk bedankt te hebben, dat hij haar bij den koning gebracht had, ging ze weer op weg. Ze stapte nu flink door en na een uurtje was ze 't bosch uit en zag ze den molen al liggen. “Ha," dacht Roodkapje, “nu ben ik er gauw. Nu, 't wordt tijd ook, want 't begint al een beetje schemer te worden.
Na een kwartiertje loopen, stapte ze door 't aardige tuintje voor grootmoeder's huisje en klopte aan. Ze kreeg geen antwoord, want de wolf, die nu in het zachte bed van de oude vrouw lag, was in slaap gevallen. Toen Roodkapje nog eens klopte, maar nu iets harder, werd hij plotseling wakker. “Ha," dacht de wolf, “daar is dat meisje natuurlijk met dat roode mutsje." Zoo goed en zoo kwaad als 't ging veranderde hij z'n stem en riep, net zooals hij grootmoeder dat had hooren doen: “Wie is daar?" Roodkapje vond wel, dat haar grootmoeders stem een beetje zwaarder klonk als anders, maar ze dacht bij zichzelf, dat komt natuurlijk omdat grootmoe verkouden is. Ze antwoordde dus: “Ik ben het, grootmoeder, Roodkapje." “Trok dan maar aan 't touwtje, dan gaat de deur vanzelf open," riep de wolf weer. Hij ging nu een beetje in den hoek van 't bed liggen en trok de muts flink over z'n oogen, zoodat Roodkapje niet zoo gauw zien zou, dat daar een wolf lag inplaats van haar grootmoeder.
Toen Roodkapje dan ook aan ’t touwtje getrokken had en even later binnenstapte, merkte ze niets. Ze zette de mand op tafel, deed de bloemen zoo lang in een emmer met water en zei, terwijl ze op 't bed wilde toekomen: “Dag, lieve grootmoeder, hoe gaat ’t met U, voelt U zich al een beetje beter?” De wolf was toch nog bang, dat, wanneer 't meisje te dicht bij hem zou komen, zo zou merken, dat er een wolf in grootmoeders bed zou liggen. Natuurlijk zou ze dan beginnen te gillen. Er waren nog veel menschen op straat, die 't dan zouden hooren. “Nee," dacht de wolf, “voorloopig mag 't meisje niets merken. Vanavond, als iedereen thuis zit, dan geeft 't niet, dan hoort niemand haar." Toen dus Roodkapje naar 't bed toekomen wilde, riep de wolf: “Blijf daar, meisje, Je mag niet te dicht bij me komen, ik heb een zware kou te pakken en de dokter heeft gezegd, dat 't erg besmettelijk is. Als je maar op een paar meter afstand van me blijft, dan kan 't geen kwaad, maar anders krijg je 't ook te pakken. En wie moet me dan oppassen?" eindigde 't slimme dier. “Ja maar,” zei Roodkapje, “ik heb een drankje voor U meegebracht en daar moet U direct een, eierdopje vol van innemen, dan bent U zoo weer beter." “Ik vind 't heel lief van je, beste meid," begon de wolf weer, maar op 't oogenblik kan ik niets naar binnen krijgen, zoo'n pijn heb ik in m'n keel. Weet je wat je doet, doe jij de kamer nu een beetje, in dien tijd ga ik een poosje slapen." “Moeder heeft versch gebakken wafels en heerlijke frambozen voor U meegegeven, blieft U daar misschien iets van?" vroeg Roodkapje nu nog. “Neen, neen," weerde de wolf af, “laat mij nu maar slapen en begin jij nu maar aan de kamer." De wolf draaide zich om, zoodat hij met z'n kop naar den muur lag en deed even later of hij sliep. Roodkapje deed nu een schortje van grootmoeder voor en begon heel zachtjes de kamer een goede beurt te geven. Eerst zette ze de bloemen in een vaas. Toen ging ze naar buiten en pompte een emmer water en begon de vloer te schrobben. Ze nam netjes overal stof af en wreef de meubels netjes op. Na een uurtje was 't kleine kamertje keurig schoon, alles blonk weer als een spiegel. De wolf hield zich al dien tijd slapende en toen hij bij zichzelf dacht, dat 't nu laat genoeg was, en dat er haast geen menschen meer op straat liepen, deed hij net of hij wakker werd. Hij gaapte een paar maal en zei toen geeuwend: “hè, hè, ik heb heerlijk geslapen. Ik zal nu dat drankje maar eens innemen. Roodkapje wil je 't eventjes voor me klaar maken?" 't Meisje ging nu naar de kast, en pakte een eierdopje. Dit vulde ze met de bruinachtige vloeistof uit 't fleschje. Heel voorzichtig, om toch vooral maar niets te zullen morsen, kwam ze nu met 't eierdopje naar 't bed. Maar toen ze er vlak bij was, schrok ze, want ze vond dat haar grootmoeder heel erg veranderd was.
“Grootmoeder," vroeg ze verwonderd, “wat heeft U schitterende groote oogen?" “Ja, kind," antwoordde de wolf, "dat is, om je beter te kunnen zien." Roodkapje lette nu nog scherper op en zag de groote ooren, die half door de muts verborgen waren. “Grootmoeder," vroeg ze weer, “wat heeft U groote ooren?" “Dat is omdat ik je beter zal kunnen hooren," klonk 't antwoord nu van den wolf. “Grootmoeder," luidde nu weer de vraag van Roodkapje, “wat heeft U een grooten mond?" “Dat is, omdat ik dan beter met je praten kan," gaf de wolf haar hierop ten antwoord. “Grootmoeder, wat hebt U toch groote tanden?" was de vierde vraag van Roodkapje. “Dat is, omdat ik je beter kan verslinden," grijnsde de wolf en tegelijk wierp hij zich op het arme meisje. Het beest raakte echter in de dekens verward, zoodoende kreeg Roodkapje gelegenheid om de vlucht te nemen. Hard gillend vloog ze naar buiten.
Toevallig kwam er een jager voorbij. Hij kwam hard naar haar toegeloopen en vroeg wat er aan de hand was. Roodkapje vertelde hem nu snikkend, dat ze dacht dat haar grootmoeder in bed lag, maar dat 't een wolf was. De wolf, die de mannenstem hoorde, dacht bij zichzelf, “ik moet maken dat ik weg kom." Hij zag 't raam open staan en wilde hier net door springen, toen de jager binnenkwam. Deze legde vlug z'n geweer op den wolf aan en nog geen seconde later klonk er een schot. De wolf, die precies in z'n kop geraakt was, plofte tegen den grond en bleef dood liggen. Roodkapje stond nog maar steeds te huilen. “O, o," snikte ze, “waar zou toch m'n lieve grootmoedertje zijn?" “Stil maar, stil maar," troostte de jager haar, misschien is ze wel een boodschap doen." “Dat kan niet," antwoordde Roodkapje, “want van morgen hebben wij een brief gekregen, waarin stond, dat ze ziek was, en van den dokter een paar dagen te bed moest blijven." “Hé," mompelde de jager in zichzelf, “dat is eigenaardig." Hij keek nu 't kamertje eens rond en toen viel z'n oog weer op den wolf, die daar lag. Hij vond dat 't beest een verschrikkelijken dikken buik had. De jager onderzocht den wolf en zei toen zacht: “Ja, ik dacht 't wel, die veelvraat heeft 't oude mensch opgegeten." Toen hij nog eens over den buik van den wolf streek, meende bij te voelen, dat daar binnen iets bewoog. Vlug stond hij op, pakte Roodkapje bij haar hand en zei: “Kom maar gauw mee, misschien weet ik wel waar je grootmoeder is." De jager liep nu met Roodkapje naar 't huisje bij den molen. Hier klopte hij aan en toen even later de molenaarsvrouw open deed, zei hij tegen haar: “Pas jij eens een poosje op dit meisje en vraag of je man dadelijk even mee kan gaan, maar laat hem vooral niet vergeten z'n bijl mee te nemen." De vrouw keek wel een beetje verwonderd, maar nam Roodkapje mee naar de huiskamer, waar haar man de krant zat te lezen. “Zeg man," zei ze tegen hem, "Teun de jager staat buiten en hij vraagt, of je dadelijk met hem mee kunt gaan en dat je je bijl mee moet nemen." De molenaar stond op en vroeg z'n vrouw of ze wist, wat er aan de hand was. Maar toen z'n vrouw zei, dat de jager niets gezegd had, ging hij naar de kast, haalde hier z'n bijl uit en was even later bij den jager. “Zeg, Teun," vroeg hij, “wat is er gebeurd en wat moet ik met een bijl doen?" De jager vertelde nu, dat hij in 't huisje waar de oude weduwe woonde, een wolf had doodgeschoten en dat hij vermoedde, dat het dier de oude vrouw had opgegeten. Hij vertelde ook, dat er iets bewoog in den buik van den wolf, dus dat er best kans was, dat de oude vrouw nog leefde. Al pratende, waren de beide mannen bij 't huisje gekomen. Ze deden 't deurtje open en traden binnen. Bij den wolf gekomen, draaiden ze 't beest om, zoodat 't op z'n rug lag met de vier pooten in de lucht. Voorzichtig nam de molenaar nu de bijl en hakte den wolf een stukje open. De jager nam nu z'n mes en sneed het lichaam verder open. En, ja hoor, 't was wel zooals de jager gedacht had, de wolf had haar verslonden, maar de oude vrouw leefde nog. Voorzichtig pakten de jager en de molenaar 't menschje op en droegen haar naar bed. Nauwelijks lag ze onder de dekens of ze kreeg een zware hoestbui. Gauw haalde de molenaar een kopje water en liet het oude vrouwtje drinken.
Eindelijk hield het hoesten nu een beetje op. Verwonderd keek ze nu de beide mannen aan en zei: “Waar ben ik toch al dien tijd geweest, ik kan me nog herinneren, dat er een wolf op me afsprong, maar verder weet ik niets meer, want toen werd ineens alles donker om me heen." De jager vertelde haar nu, dat ze door 't beest opgegeten was, maar 't dier scheen zoo’n geweldigen honger gehad te hebben, dat hij haar ineens heelemaal ingeslokt had. “En dat is je geluk geweest vrouwtje, anders was je er nooit levend vanaf gekomen," eindigde de jager z'n verhaal. “Ja maar," vroeg 't vrouwtje weer, “hoe wisten jullie dan dat die wolf me opgegeten had?" Dat komt zoo," legde de jager weer uit: "Uw kleindochtertje dacht, dat U In bed lag, maar kwam tot de ontdekking dat 't een wolf was.
Deze sprong plotseling op haar af. Hoe 't kleine ding nog kans gezien heeft te ontvluchten, weet ik niet. Toen ik voorbijkwam, hoorde ik haar ineens gillen. Ik ging vlug naar haar toe, en vroeg wat er aan de hand was. Toen vertelde ze me van een wolf die in 't huisje was. Ik kon 't dier nog net doodschieten, want toen ik binnen kwam wilde 't het raam uitvluchten." “Ja maar," vroeg 't oude vrouwtje nu angstig, “waar is m'n kleindochtertje nu?" “Maak je maar niet bezorgd," lachte de jager, “die heb ik zoolang aan de zorgen van de molenaarsvrouw toevertrouwd." De jager wendde zich nu tot den molenaar en zei: “Ga jij 't meisje maar gauw halen, want ze zal natuurlijk wel erg in angst zitten om haar grootmoedertje." Terwijl de molenaar wegging, deed de jager het lichaam van den dooden wolf in een grooten zak en maakte de vloer een beetje schoon.
Nauwelijks was hij hier mee klaar of de deur vloog open en daar opeens stormde Roodkapje de kamer binnen. Ze holde naar 't bed en terwijl ze haar belde armpjes om den hals van 't oude vrouwtje sloeg, snikte zo: “Lieve grootmoeder, Ik was toch zoo bang dat U door den wolf opgegeten was." Roodkapje pakte haar grootmoedertje, zonder erg, zoo stevig om haar hals, dat 't oude vrouwtje 't benauwd kreeg en weer vreeselijk begon te hoesten “Dat is waar ook," riep Roodkapje, die in haar angst heelemaal vergeten was, dat grootmoeder ziek was, “Ik heb een drankje voor U." Ze ging naar de kast en haalde weer een eierdopje. Het eerste had ze van schrik kapot laten vallen, toen de wolf op haar toespringen wilde. Vlug nam ze nu 't fleschje en vulde 't eierdopje. Dit bracht ze bij haar grootmoeder, terwijl zo zei: “Hier grootmoeder, drink maar gauw op, U zult zien, dat U weer gauw beter bent." Het oude vrouwtje pakte 't eierdopje aan en had 't even later leeg gedronken. En warempel, nog geen vijf minuten had zo 't drankje op of ze voelde zich al een stuk beter. De jager nam nu den zak waar de wolf inzat op z'n schouder en nam afscheid van het vrouwtje en haar kleindochter.
Dezen bedankten den man natuurlijk hartelijk voor wat hij voor hen had gedaan. “Roodkapje," zei 't oude vrouwtje, toen ze eens om zich heen keek, “wat heb je de kamer netjes opgeruimd." “Ja," antwoordde 't meisje, “al dien tijd ben ik hier bezig geweest, terwijl de wolf in bed lag. En ik wist er maar niets van, ik dacht nog steeds, dat U het was." “Maar kon je dat dan niet zien?" vroeg grootmoeder weer. “Neen," legde Roodkapje uit, “toen ik binnenkwam lag 't beest heelemaal in den hoek van het bed tegen den muur aan, en toen ik dichterbij wilde komen, zei 't slimme dier, dat het erg gevaarlijk was, omdat de ziekte besmettelijk was. 't Is anders maar goed, dat de wolf in de dekens verward raakte, anders had ik nooit kans gezien om te ontvluchten. “Maar," viel ze zichzelf In de rede, “ik zal eerst eens een lekker kopje thee zetten, misschien blieft U er dan wel een wafeltje bij, grootmoeder?" “Ja,” antwoordde de oude vrouw, "de paar laatste dagen had ik nergens trek in, maar nu zou ik heusch wel iets lusten, want door dat drankje ben ik een stuk opgeknapt. Heeft je moeder dat voor me meegegeven?" “Neen, grootmoeder, dat drankje heb ik van den koning der kabouters gehad," vertelde Roodkapje, “ik had in 't bosch een paar bramen geplukt en wilde net weer opstappen, toen ik een kaboutertje achter me hoorde. 't Ventje wilde me een plekje wijzen, waar nog meer bramen stonden, maar toen ik hem vertelde, dat m'n grootmoeder ziek was, vroeg hij me of ik met hem mee wilde gaan, dan zou hij voor een drankje zorgen, waardoor U gauw beter zou worden. Hij bracht me toen naar een donker hol. In 't begin vond ik 't wel een beetje griezelig. Maar de kabouter zei me, dat ik niet bang behoefde te zijn. We liepen door een lange gang en kwamen toen in een groote prachtige zaal. Op een purperen troon zat do koning der kabouters. 't Was een heel vriendelijk kereltje. Toen hij hoorde, dat m'n grootmoeder ziek was, vroeg hij me eerst wat ze scheelde. Ik moest toen even wachten, terwijl de koning 't drankje ging klaar maken. in dien tijd kregen de kabouter die me bij den koning gebracht had en ik een lekker glas limonade en een schaal met taartjes. Ja, die kabouter die ik bij me had, wist wel raad met die gebakjes. In tijd van een oogenblik had hij er een stuk of zes, zeven op. 't Is dat de koning gauw weer terug kwam, anders had hij vast de heele schaal leeg gemaakt. De koning gaf me 't fleschje en toen ben ik gauw hier naar toe gekomen, en de rest weet U," eindigde Roodkapje haar verhaal.
Onder 't vertellen, had 't meisje al vast een keteltje water boven 't vuur gehangen. 't Duurde niet lang of 't water kookte en nu zette Roodkapje een heerlijk kopje thee. Ze deed nu een wafel op een bord en bracht dit met een kopie thee bij haar grootmoeder. “Hé, hé,” zei 't oude vrouwtje, terwijl ze der laatste kruimeltjes van haar mond veegde, “dat heeft gesmaakt. Ik zou nu best een slaapje willen doen." “Gaat U dan maar gauw slapen, grootmoeder," zei Roodkapje, “’t is voor U vandaag een vermoeienden dag geweest. En om U eerlijk de waarheid te zeggen, ik verlang ook wel naar m'n bedje." Roodkapje nam nu nog wat frambozen, waschte deze, deed er wat op een bordje en zet, terwijl ze dit op een tafeltje naast 't bed zette: “Hier grootmoeder," als U nu vannacht wakker wordt, dan neemt U maar een paar frambozen, dat is lekker frisch in uw mond." Roodkapje wenschte nu haar grootmoeder wel te rusten en een poosje later, heerschte er diepe rust in 't kleine huisje. Den volgenden morgen was 't kleine meisje al vroeg op.
Zachtjes sloop, op haar teentjes, naar grootmoeders bed. 't Oude vrouwtje lag echter nog rustig te slapen en Roodkapje dacht bij zichzelf: “ik zal ze nog maar niet wakker maken." Zonder 't minste leven te maken, kleedde ze zich vlug aan, nam uit de kast een melkkan en ging naar buiten. Vlug liep ze naar de boerderij die een klein eindje voorbij den molen lag en vroeg aan de boerenvrouw een liter melk. “Zoo," zei de vrouw, die Roodkapje kende, omdat ze wel eens meer melk kwam halen, “je komt zeker je zieke grootmoeder oppassen?" Toen Roodkapje toestemmend knikte, zei ze: “Hoe is 't met je grootmoeder, is ze al een beetje van den schrik bekomen? Gisteren is de jager, die den wolf doodgeschoten heeft, nog even hier aangeweest en heeft de geheele geschiedenis verteld." “Roodkapje vertelde nu, dat 't gelukkig nogal mee scheen te vallen en dat ze op 't oogenblik nog rustig sliep. Na de boerin goeden dag gezegd te hebben ging ze nu, met haar kannetje melk, weer naar 't huisje van grootmoeder. Deze lag nog heerlijk te slapen. Roodkapje haalde nu de rijst uit de kast en even later hing er een heerlijke pot rijstepap boven 't vuur. Niet lang daarna werd grootmoeder wakker. “Goedenmorgen, Roodkapje," zei ze, “ik heb heerlijk geslapen." Roodkapje wenschte haar grootmoeder nu ook goeden morgen en vroeg of ze trek had in een bordje rijstepap. “Ja," zei het oude vrouwtje, “dat zou ik best blieven." Het kleine meisje schepte nu een bordje pap en bracht dit bij de oude vrouw. Ze at het heerlijk op en zei toen: “ik voel me vanochtend nog veel beter als gisteren." “Ja," antwoordde Roodkapje, “maar nu moet U toch nog even uw drankje innemen.” Ze pakte nu 't fleschje en vulde weer een eierdopje. Een kwartiertje, nadat de oude vrouw dit had opgedronken, voelde ze zich zoo goed, dat ze een poosje op wilde. “Weet U wat," zei Roodkapje, “U kleedt zich lekker warm aan en gaat dan een poosje buiten in 't zonnetje zitten." De oude vrouw kwam nu 't bed uit, deed een dikken omslagdoek om en ging in den stoel zitten, die Roodkapje voor haar klaar gezet had. “Zoo," zei Roodkapje, terwijl ze nog een deken over haar heen legde, ,de buitenlucht zal U best goed doen." Wat was de dokter verbaasd, toen hij een poosje later kwam en daar do oude vrouw, inplaats van in bed, buiten op een stoel zag zitten. “Hoe kom je er bij vrouwtje," zei hij, “om daar uit je bed te komen, terwijl je nog zoo ziek bent?" “Ziek, dokter?" lachte 't vrouwtje, "ik mankeer niets meer, ik voel me zoo gezond als een visch." “Daar snap ik geen sikkepit van," zei de dokter nu, die wel zag, dat de oude vrouw er heelemaal niet ziek meer uitzag.
“Ik zal U zeggen, hoe dat komt, dokter," begon grootmoeder. “M’n kleindochtertje kwam gisteren naar me toe en die heeft van een kabouter, aan wien ze vertelde, dat ik ziek was, een drankje meegekregen." “Is ze soms bij den koning der kabouters geweest?” vroeg de dokter nu. Toen de oude vrouw toestemmend knikte, zei hij: “O, dan begrijp ik 't al, die kabouter is wel tweemaal zoo knap als alle dokters bij elkaar. Neem je drankje dan maar flink in vrouwtje, dan behoef ik hier niet meer bij je te komen." Hij gaf 't oude vrouwtje een hand en ging weer weg. Intusschen had Roodkapje 't middageten klaar, en vroeg grootmoeder of ze wilde komen eten. Weldra zat 't tweetal aan tafel. 't Smaakte grootmoeder best, ze zei tegen Roodkapje, dat ze in jaren niet zooveel gegeten had. “Wil je wel gelooven," zei ze, “dat ik best zin had, om samen naar je moeder te wandelen." Roodkapje keel eerst een beetje ongeloovig, maar 't oude vrouwtje zei: “Heusch, door dat drankje is 't net of ik een jaar of tien jonger geworden ben. Ga jij nu maar de borden even afwasschen, dan zal ik aan Teun den jager vragen of hij tijd heeft, om ons weg te brengen." Net was Roodkapje klaar met haar vaatwerk of haar grootmoeder en de jager stapte de kamer binnen. “Je grootmoeder loop weer zoo flink alsof ze een meisje van twintig jaar is,” lachte de jager. Met z’n drieën gingen ze nu op weg. En na zoo nu en dan even gerust te hebben, kwamen ze aan de rivier. De schip per zat in z’n bootje en was aan ’t visschen. “Hé, schipper,” schreeuwde de jager, “kan je ons even overzetten.” De goede man was zoo verwonderd, toen hij Roodkapjes grootmoeder daar aan den overkant zag staan, dat hij haast in 't water viel. Vlug roeide bij nu naar hen toe en zei tegen de oude vrouw: “Wel, wel, dat Is zeker wel tien jaar geleden, dat ik je voor 't laatst overgezet heb, moedertje." “Ja,” lachte 't oude vrouwtje, “ik wordt weer jong opnieuw." Maar 't meest verwonderd was wel Roodkapjes moeder, toen ze daar de oude vrouw binnen zag stappen. 't Duurde een heelen tijd voor dat ze vragen kon: “Hoe komt U nu ineens hier?" De grootmoeder vertelde nu van 't drankje en ook hoe de wolf haar verslonden had. Roodkapjes moeder sloeg van verbazing haar handen ineen, toen ze 't verhaal gehoord had. “Nu moeder," zei ze, “U blijft nu maar fijn voor goed bij ons, dan zullen we U eens fijn verwennen." Nog vele jaren leefden nu Roodkapje met haar moeder en grootmoeder gezellig bijeen. En nog dikwijls ging ze met haar oom naar het bosch en zacht dan den aardigen kabouterkoning op, die gemaakt had, dat haar grootmoedertje zoo opgeknapt was.

Onderwerp

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Het verhaal van Roodkapje in een brede context: over de dood van haar vader, de reis naar grootmoeder, de kabouter die haar meenemt naar de kabouterkoning om een drankje voor grootmoeder, het paleis van de kabouterkoning.
Na het bericht van grootmoeder dat ze ziek is en vraagt of Roodkapje een poos kan komen, gaat Roodkapje op weg naar grootmoeder. Ze wordt de rivier overgezet, zoekt tevergeefs naar de houthakkers die haar naar grootmoeder zullen brengen, en gaat alleen verder. In het bos plukt ze bloemen, ontmoet de wolf, vertelt dat ze op weg is naar grootmoeder en waar ze woont. De wolf rent naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op en gaat in haar bed liggen. Ondertussen ontmoet Roodkapje een kabouter die haar meeneemt naar de koning van de kabouters, om een drankje voor grootmoeder. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na. Eerst weert de wolf Roodkapje af, als ze dichterbij mag komen verbaast Roodkapje zich over de ogen, oren, mond en tanden van grootmoeder. De wolf wil haar opeten, raakt verstrikt in de dekens, waardoor Roodkapje kan vluchten. Ze krijgt hulp van een jager die de wolf doodschiet en met hulp de buik van de wolf open maakt, en grootmoeder redt. Roodkapje verzorgt grootmoeder, na het drankje is grootmoeder weer beter en gaat mee naar moeder waar ze blijft wonen.

Bron

Roodkapje. Amsterdam: Goede Lectuur, [193-?]
KB: KW XKZ 1761
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Naar Grimm
Ills Theo Funke Küpper, Albert Funke Küpper, Frans Funke Küpper

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Wiesje    Wiesje   

Teun    Teun   

Datum Invoer

2019-06-03