Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE433 - ROODKAPJE

Een sprookje (boek), 1940

Hoofdtekst

Nu wil ik jullie eens de geschiedenis van Roodkapie vertellen. Misschien had dit kleine meiske wel een andere naam, maar iedereen noemde haar toch altijd Roodkapje. Dat kwam, omdat moeder grappige rode mutsjes voor haar dochtertje maakte. Dat paste zo goed bij de blonde haartjes van het kleine meisje.

Roodkapje woonde met vader en moeder in een leuk, klein huisje niet ver van het bos. Het was een erg gezellig huisje met een strooien dak waaronder de zwaluwen nestelden, en voor het venster stonden fleurige bloemen. Het huisje stond zo dicht bij het bos, omdat vader boswachter was. En de boswachter kende het grote bos, dat vlakbij lag, op z'n duimpje. Hij wist ook dat er nog een wolf leefde, die het bos onveilig maakte. Maar hoe vaak hij er ook met zijn geweer op uit trok, steeds was die wolf hem te slim af geweest.

Op zekere dag nu, toen moeder wasdag had en dus erg veel te doen had, zei ze tegen Roodkapje: “Lieverd, je moet een boodschap voor me doen. Ik heb gisteravond honingwafels gebakken en nu wil ik dat je naar Oma gaat om er haar een paar te brengen. Je weet, Roodkapje, dat die lieve goede Oma ziek is. Maar ik kan vandaag, met die grote was, heus niet zelf naar haar toe gaan. Jij bent ook al groot genoeg, als je maar precies doet wat moeder je zegt. Blijf vooral op de grote weg, dan ben je er vlug en dan kan je niets gebeuren. Maar wees nu eens heel erg gehoorzaam, Roodkapje. Pluk geen bloemen en ga niet van de weg af!” Roodkapje beloofde moeder, alles te doen zoals zij gezegd had. Ze zou vast geen bloemen plukken al waren ze nog zo mooi. Dan zou ze ook vanzelf op de grote weg blijven. Moeder zette Roodkapje haar mooie rode mutsje op, deed haar een schoon schortje voor en pakte in het mandje zes lekkere wafels, vier mooie rode appels en een flesje bessenwijn .... “Zo mijn schatje", zei moeder, “ga nu maar. En niet te lang wegblijven, hoor!" Moeder wuifde haar kleine meisje nog na tot ze -- bij een kromming van de weg -- uit het gezicht verdween. Helemaal gerust over Roodkapje was ze eigenlijk niet. Ze wist dat Roodkapje weleens ongehoorzaam was.

Intussen wandelde Roodkapje verder. Het was heerlijk weer, nog niet te warm, want het was vroeg in de ochtend. Roodkapje bleef op de grote weg wandelen, maar ze keek telkens naar rechts en naar links. Want naast de weg, onder de hoge bomen van het bos, stonden allerlei bloemen te wiegen in de morgenzon. Klaprozen, korenbloemen, margrieten, boterbloemen en ook prachtige bosviooltjes stonden daar. Roodkapje wist wel dat ze niet van de weg af mocht gaan en ook, dat ze geen bloemen mocht plukken, maar ze dacht: Grootmoeder is dol op bloemen. En bij ziekenbezoek hoort een mooie ruiker bloemen. En dan, ik zal wel zorgen vlak bij de kant van de weg te blijven. Ja, ja, zó redeneerde dat Roodkapje in zich zelf. Maar je weet ook wel, dat de dingen altijd anders gebeuren dan je denkt. En zo ging het ook met de goede voornemens van Roodkapje. Toen zij langs de kant van de weg bloemen plukte leek het net, of de grootste en mooiste bloemen telkens verder weg stonden. Zodoende dwaalde ze steeds meer van de weg af ....

De wolf, die hongerig door het grote bos zwierf, zag het mooie rode mutsje van Roodkapje al van verre tussen de bomen schemeren. Aha, dacht de boosdoener, Roodkapje is een lekker hapje voor me! Maar de wolf wist ook wel, dat Roodkapje's vader een gevaarlijke baas was, die steeds met een geweer liep en op hem loerde. De wolf moest dus zorgen dat het zó gebeurde, dat niemand er iets van zou merken. Daarom bedacht hij een list. “Dag Roodkapje”, zei hij met zijn liefste stem. Ja, want in sprookjes kunnen wolven ook spreken, dat is daar heel gewoon. Roodkapje keek op en schrok een beetje. “Wie ben je?" vroeg zij. Als de boosdoener nu gezegd had: “Ik ben de wolf”, dan zou Roodkapje natuurlijk hard zijn weggelopen. Want moeder had haar al vaak genoeg gewaarschuwd voor de wolf. Maar de wolf zei poeslief: “Ik ben de herdershond van boer Harmsen. Ik kwam net door het bos. Waar ga jij heen? Mag ik een eindje met je meelopen?" “Ik ga naar Oma", antwoordde Roodkapje. “O”, zei de wolf, “maar dan ben je erg afgedwaald en het is hier gevaarlijk in het bos. Weet je wat je doet Roodkapje, ga langs dit smalle pad, dan kom je heel vlug bij het huisje van Oma. Ik neem dan een andere weg en we zullen doen, wie er het eerst is. Afgesproken?" Nu, dat vond Roodkapje wel een aardig spelletje. Waarom zou ze dat niet doen? Hoe eerder ze hij Oma zou zijn, hoe beter. En zo'n spelletje met een trouwe herdershond kon immers geen kwaad. Dus ging Roodkapje de ene kant uit en de wolf de andere kant.

Maar de listige wolf had Roodkapje iets wijs gemaakt. Want natuurlijk nam hij de kortste weg naar Oma en hij liet Roodkapje de langste weg gaan. Zij liep nu toch maar stevig door. Bloemen plukken hoefde ze nu niet meer, want ze had al een mooie ruiker. Ze zette de ruiker in een hoekje van haar mandje, omdat de bloemen in haar warme handjes slap zouden worden. Zo stapte Roodkapje flink door. Maar de weg was lang en ze dacht: als die hond zich nu maar niet vergist heeft. Eindelijk hoor, daar zag ze Oma's huisje in de zon liggen. Het huisje was bijna helemaal begroeid en rondom geurden de bloemen en zongen de vogels.

En wat had de wolf intussen gedaan? De boosdoener was heel vlug naar Grootmoeders huisje gegaan. Toen hij daar voor de deur stond en niet wist hoe hij binnen moest komen, klopte hij aan en deed hij het hoge stemmetje van Roodkapje na. De wolf riep: “Ik ben het Oma, Roodkapje". En Grootmoeder, die te bed lag, antwoordde: “O, lieveling, ben jij het. Trek dan maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf wel open." Dat deed de wolf natuurlijk dadelijk! En je kunt wel nagaan, hoe Grootmoeder schrok toen ze daar dat roofdier binnen zag komen in plaats van Roodkapje. Maar voor ze om hulp kon roepen was de wolf al bij haar. Hap! hap! hap! zei hij, en Grootmoeder verdween in zijn gulzige muil. Ja, daar zat hij nu. Zo dadelijk zou Roodkapje komen. Wat moest hij nu doen? De wolf ging naar de kast, haalde daar een van Oma's schone nachtponnen uit en ook nog een schone muts. Hij wurmde zich nu met veel moeite in Grootmoeders nachtpon en zette voor de spiegel ook haar muts op. Ziezo, nu nog Oma's bril opgezet en daarna vlug in bed. De wolf ging netjes tussen de kussens liggen en trok de dekens over zich heen. En toen wachtte hij maar af, tot Roodkapje zou komen ....

Na een poosje, ja hoor, daar hoorde hij Roodkapje al aankomen! Trip, trip, trip gingen de kleine voetjes over de stoepsteentjes en klop, klop, klop ging het op de deur. De wolf die zekerheid wilde hebben, sprong vlug uit bed, keek even door het zijraam en kroop toen weer gauw tussen de dekens. “Wie is daar?" vroeg de wolf, terwijl hij Oma's stem nabootste. “Ik ben het Oma, uw kleine Roodkapje", antwoordde zij. “O liefje, trek dan maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan," zei de wolf weer. En de gluiperd deed Grootmoeders stem precies na. Roodkapje deed, wat haar gezegd was en stapte toen naar binnen. Ze ging naar Oma's bed en kwam aarzelend naderbij. Nu moet je weten dat Roodkapje nog erg klein was. En de wolf had het gordijn voor een der ramen dichtgedaan, zodat hij een beetje in het duister lag. Maar Roodkapje was toch niet zo dom, al was ze nog klein. “Wat bent u veranderd Oma," zei ze een beetje benauwd. De wolf schraapte zijn keel en kuchte. Toen zei hij met Grootmoeders stem: “Dat komt door de ziekte, mijn hartje. Ik heb last van mijn gal. Geelzucht noemen ze dat. Daarom zie ik zo bruin. Kom wat dichterbij, mijn liefje. Ik heb je zo lang niet gezien. Ik heb hier aldoor alleen gelegen." “Hier is een mandje met wafels, en nog wat appels en een flesje wijn," zei dat lieve Roodkapje. “En zal ik de bloemen maar in het water zetten?" “Doe dat maar, m'n lieve kind", zei de wolf. “Maar kom dan eindelijk wat bij mij zitten. Dan kunnen we wat babbelen." Roodkapje zette de bloempjes in een glas met water, schoof een stoel voor Grootmoeders bed en ging toen zitten.

Ze keek Grootmoeder goed aan en zei toen: “Wat hebt u grote oren, Oma!" “Heb ik dat?" antwoordde de wolf. “Wel, dat is dan om je beter te kunnen horen." “En wat hebt u grote ogen!", ging Roodkapje verder. “Heb ik die?", vroeg de wolf weer. “Dan kan ik je beter zien, mijn hartje." “En wat hebt u een grote neus!”, merkte Roodkapje weer op. “Een grote neus?" vroeg de wolf. En hij begon te snuiven. “Dan kan ik je beter ruiken." “O, Oma, en wat hebt u een grote mond met tanden!", zei Roodkapje weer. “Dat is, om je beter te kunnen opeten!" schreeuwde de wolf. Hij vond, dat hij nu lang genoeg had gewacht. Hap! slok, slok. Met één hap was dat arme kleine Roodkapje in de muil van de wolf verdwenen .... "Hè, hè", de wolf zuchtte er van. Hij kroop weer in Grootmoeders bed en dacht: “Ik ken nu best een dutje gaan doen." En omdat Grootmoeder en Roodkapje voor één maaltijd zelfs voor een hongerige wolf wel wat veel was, sliep hij gauw in en snurkte zwaar en luidruchtig.

's Morgens, toen Roodkapje's vader thuiskwam en zijn dochtertje miste, zei moeder: “Misschien wil je straks even bij Oma aan gaan om te kijken, of Roodkapje daar goed is aangekomen. Ik weet niet, of ze van de weg is afgedwaald, en met die wolf in het bos ben ik toch niet erg gerust." Na het eten ging vader dus naar Grootmoeders huisje. Van verre hoorde hij al zwaar snurken .... Zó hard kon een oude, zwakke vrouw toch niet snurken! De boswachter kwam heel stil naderbij, keek door het raam en .... zag de wolf in Grootmoeders bed liggen! En dat nog wel in Oma's nachtjapon en met haar muts op! En toen kon de boswachter wel raden wat er gebeurd was. Hij haalde zijn grote jachtmes te voorschijn en ging naar binnen. Hij sneed de buik van de wolf open en gelukkig kwamen toen Grootmoeder en Roodkapje gezond en wel te voorschijn. De wolf was nu dood en wonder boven wonder waren Oma en Roodkapje ongedeerd.

Grootmoeder was van de schrik ineens beter en ging met vader en Roodkapje mee naar huis. Ze wilde een paar dagen bij Roodkapje's moeder gaan wonen. Wat was Roodkapje blij weer thuis te zijn! Ze beloofde nooit, nooit meer ongehoorzaam te zullen zijn. En ik geloof dat ze na deze schrik ook woord heeft gehouden. Denken jullie ook niet? En de boze wolf was nu voorgoed verdwenen, zodat hij het bos niet meer onveilig kon maken.

Einde

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

TM 3402 - De kinderschrik    TM 3402 - De kinderschrik   

Beschrijving

Roodkapje ging met honingwafels, appels en wijn op weg naar haar zieke grootmoeder. In het bos kwam ze de wolf tegen, aan wie ze vertelde waar zij heen ging. De wolf snelde Roodkapje vooruit naar grootmoeders huisje en deed alsof hij Roodkapje was. Hij at grootmoeder op, trok haar kleren aan en ging in haar bed liggen. Toen Roodkapje aankwam, deed de wolf zich voor als grootmoeder en at ook Roodkapje op. De volgende dag ging Roodkapjes ongeruste vader kijken en vond de wolf slapend in grootmoeders huisje. Hij bevrijdde Roodkapje en grootmoeder en doodde de wolf.

Bron

Willy Schermelé. Roodkapje. Turnhout Kempische Boekhandel [ca. 1940]

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje