Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE450 - WAT GROOTMOEDER VERTELT ZES SCHOONE VERHAALTJES VOOR ONZE BRAVE KINDEREN

Een sprookje (boek), 1932

Hoofdtekst

ROODKAPJE

Er was eens een heel, heel klein meisje. Ze had een rond, vriendelijk gezichtje met blauwe, heldere kijkers; nooit keek zij boos of knorrig. Zij had blonde wiegende krulletjes, een rood mondje en als ze lachte zaagt ge haar kleine muizentandjes. Dat meisje lachte bijna altijd en heel den dag hoordet ge haar vroolijk stemmetje. Grootmoeder had haar een mooi kapje gemaakt van rood fluweel en omdat het meisje altijd dat kapje droeg, noemden de menschen haar nooit anders dan Roodkapje.

Roodkapje's vader was een jager en hun huizeke stond dicht bij een heel groot bosch. Als nu Roodkapje naar haar grootmoeder ging, dan moest ze altijd het bosch door. Dat was niet erg want de weg liep altijd maar recht door, zoodat ge er van zelf kwaamt. Op dien weg liepen ook gewoonlijk nog al veel menschen, houthakkers en jagers, zoodat ge niet behoefde bang te zijn.

Nu was Roodkapje's grootmoeder ziek geworden. Moeder had heel lekkere wafels gebakken en zei tegen Roodkapje: “Grootmoeder zal misschien wel trek hebben in een paar wafels. Ik zal wat wafels en een flesch wijn in een korfje doen, dan kunt gij ze wegdragen, want ik heb geen tijd.” Roodkapje zette haar kapje op en nam het mandje aan den arm. Toen ze klaar was, zei moeder: “Roodkapje, altijd rechtuit loopen, den grooten weg langs en geen zijpaadjes inslaan, hoor?” Moeder wist wel waarom ze dat zei. In het land waar Roodkapje woonde, waren er nog wolven in de bosschen en die probeerden soms menschen op te eten. Roodkapje beloofde dat ze doen zou wat moeder zei en ze ging het bosch in.
Maar toen ze een eind ver was, zag zij wat verderop in het kreupelhout heel prachtige bloemen staan. “Die bloemen kan ik wel even plukken,” dacht Roodkapje. En toen ze de bloemen geplukt had kwam ze op een smal paadje, waar boschbessen stonden. ”Langs het paadje zal ik wel weer op den grooten weg komen” dacht zij. Maar dat was niet zoo, zij ging al maar dieper het bosch in.

Zij stapte dapper door, maar daar kwam de wolf! Roodkapje schrikte, maar toch niet zoo heel erg want ze dacht dat het een groote hond was. De wolf trok zijn vriendelijkste gezicht, want hij had in de verte houthakkers gezien. Hij zou proberen Roodkapje verder in het bosch te lokken. Dag, mijn lief kindje, zei hij heel beleefd, waar gaat ge naartoe met uw mandje. Roodkapje vertelde aan den wolf, dat ze naar grootmoeder ging, die ziek was, om wafels en wijn te brengen en dat zij haar weg verloren had. Gaat dit smalle paadje maar langs, zei de wolf, dan komt ge weer op den grooten weg en dan zijt gij vlak bij grootmoeder's huizeke. Dank U wel • lachte Roodkapje, en zij huppelde het paadje op, en waarlijk, daar zag zij reeds den grooten weg en het roode dak van grootmoeders huizeke.

Maar wat had die slimme wolf gedaan? Die was gauw door het bosch geloopen, recht naar grootmoeders huizeke. Hij klopte op de deur. “Wie is daar?” riep grootmoeder uit het bed. “Ik ben het: Roodkapje” antwoordde de wolf en hij maakte zijn stem zoo fijn mogelijk. “Druk maar op de klink” riep de oude vrouw. De wolf zette zijn poot op de klink, de deur sprong open; de wolf liep naar binnen en slikte met een hap grootmoeder in. Toen trok hij haar kleeren aan, zette haar muts op en ging in het bed liggen.

Toen Roodkapje aan grootmoeders huizeke kwam stond de deur open. €”Dat is vreemd” dacht ze, maar ze stapte toch maar binnen. “Dag, grootmoeder” riep zij. Uit het bed hoorde ze een gemompel, dat absoluut niet leek op grootmoeders vriendelijke stem. Grootmoeder lag in het bed, maar zij zag er zoo vreemd uit. “Grootmoeder, zei Roodkapje, ik breng U lekkere wijn en wafels..., maar wat hebt ge vandaag groote oogen!” “Dat is om U beter te zien, kindlief” zei de wolf. “Maar grootmoeder, wat hebt ge groote handen!” “Dat is om U beter te kunnen pakken, liefje”, bromde de wolf en hij likte zich reeds de lippen. “Maar grootmoeder, wat hebt ge toch een grooten mond!” “Dat is om U beter te kunnen opeten!…” En daar rees de wolf op!…. Roodkapje begon te huilen en op hetzelfde oogenblik sprong de deur open en een groote hond sprong den wolf naar de keel... Daar kwam ook een jager binnen en met zijn jachtmes sneed hij den wolf open en -- 't is haast niet om te gelooven -- daar kwam grootmoeder levend te voorschijn. Ze was alleen een beetje buiten adem geraakt.

De jager was niemand anders dan Roodkapje's vader; die had van de houthakkers gehoord dat de wolf in de buurt was en hij had diens spoor gevolgd. Hij was net op tijd gekomen! Roodkapje beloofde nooit meer ongehoorzaam te zijn.

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

TM 3402 - De kinderschrik    TM 3402 - De kinderschrik   

Beschrijving

Roodkapje ging met een mandje met wafels en een fles wijn op weg naar haar zieke grootmoeder. In het bos kwam ze de wolf tegen, aan wie ze vertelde waar grootmoeder woonde. Terwijl Roodkapje bloemen plukte in het bos, snelde de wolf Roodkapje vooruit naar grootmoeders huisje en at daar grootmoeder op. Hij trok grootmoeders kleren aan en ging in haar bed liggen. Toen Roodkapje aankwam, deed de wolf zich voor als grootmoeder en probeerde ook Roodkapje op te eten. Net op tijd kwam de vader van Roodkapje kwam binnen met zijn hond. De hond doodde de wolf en vader bevrijdde grootmoeder uit de buik van de wolf.

Bron

Wat grootmoeder vertelt zes schoone verhaaltjes voor onze brave kinderen. [S.l.] [s.n.] [ca. 1932]

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje