Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE231 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1943

Hoofdtekst

Roodkapje
Aan de rand van het bos stond een huisje. Daar woonde een jager, zijn vrouw en hun lieve, kleine meisje. "Roodkapje", noemde iedereen dat kleine ding. Dat kwam, omdat moeder haar dochtertje altijd een rood kapje liet dragen, zodat iedereen haar met zo'n grappig rood kapje op zag.
Roodkapje had ook nog een Grootmoeder. Nu, en die twee waren dol op elkaar. Maar Grootmoeder woonde een heel stuk verder, zodat Roodkapje haar Grootje niet ieder dag zag. Op een mooie morgen zei Moeder: "Roodkapje, vandaag moet je eens een hele grote meid zijn. Je moet alléén naar Grootmoeder toe. Je weet, Grootmoeder is ziek geweest, maar nu ze wat beter wordt, verlangt ze er naar om je eens te zien. En ik kan vandaag niet weg, want ik heb de was te doen." Roodkapje wist, dat Moeder al vroeg opgestaan was en wafels had gebakken. Moeder deed nu wat heerlijke wafels in een mandje, zette er een fles bessenwijn in en deed er ook nog wat appels bij. Daarover ging een schone doek en: "Ziezo," zei Moeder. Maar vóór Roodkapje wegging, zei Moeder nog: "Denk er nu aan, dat je de rechte weg midden door het bos gaat. Op de grote weg zijn houthakkers en dan kan je niets gebeuren. Maar niet afdwalen en vooral geen bloemen plukken! Want zodra je van de grote weg afgaat, is er kans dat je de wolf ontmoet. Wees dus een verstandige, grote meid en doe wat Moeder je zegt."
Ja, Moeder had Roodkapje genoeg gewaarschuwd en precies alles uitgelegd, waarom ze geen bloemen mocht plukken en waarom ze op de grote weg moest blijven. En Roodkapje knikte maar. Ja, ja, ze had het allemaal best begrepen. Ze begon al een beetje ongeduldig te worden, dat kleine Roodkapje. En eindelijk, na een zoen, liet Moeder haar gaan. Roodkapje droeg het mandje voorzichtig, want ze wist, hoe bros de wafels waren. Ja, want ze had er 's morgens al twee van Moeder gekregen. Terwijl Moeder het mandje in orde had gemaakt, had ze die opgeknabbeld.
Het was heerlijk weer. De vogeltjes floten er lustig op los, en overal op het mos langs de weg stonden madeliefjes. Eerst wilde Roodkapje er niet naar kijken, maar toen het mandje wat zwaar aan haar arm werd, zette ze het even neer. En meteen kreeg Roodkapje een idee. Ze zou aan de kant van de weg wat bloemen plukken. Dat zou toch geen kwaad kunnen. En denk eens aan, hoe blij Grootmoeder met de bloemetjes zou zijn! Bij een ziekenbezoek hoorden toch eigenlijk bloemen. Dat bedacht Roodkapje allemaal en ze was helemaal vergeten wat Moeder had gezegd. En wie stond daar stil tussen de bomen te loeren? Jullie raden het al ....het was de wolf!
Maar Roodkapje merkte dat niet dadelijk. Ze plukte maar door. En het leek net, of nog meer het bos in de bloemen telkens mooier werden. Langs de weg stonden alleen madeliefjes, maar meer in de schaduw van de bomen groeiden wilde viooltjes en anemoontjes. En zo kwam het, dat Roodkapje haar mandje telkens een eindje verder weer neerzette en steeds verder van de grote weg afdwaalde. Tot ze eensklaps ....... de wolf zag! Roodkapje schrok geweldig, maar de wolf zei met z'n vriendelijkste stem: "Goedemorgen Roodkapje. Ga je naar Grootmoeder toe?" "Ja," zei Roodkapje, nog een beetje bevend. "Wel, wel", zei de wolf, "zullen we dan eens zien, wie van ons tweeën er het eerste is?" Nu, Roodkapje vond, dat daar helemaal niets kwaads in stak. Als de wolf tóch naar Grootje ging, dan zou hij haar ook wel geen kwaad doen. En dus ging ze langs het smalle bospaadje, dat de wolf haar aanwees, vlug op weg naar Grootje. En de wolf nam de langste weg door het bos. Tenminste, dat maakte hij het kleine, domme Roodkapje wijs. Maar je kunt wel begrijpen, dat hij de kortste weg nam!
Hij klopte bij Grootmoeder aan en zorgde er wel voor, dat ze hem door het raam net niet zien kon. En met een hoge, zachte stem zei de wolf: "Ik ben het Grootmoe, Roodkapje, Uw kleinkind." En Grootmoeder, die goede ziel dacht werkelijk dat het Roodkapje was. Ze had zo lang alleen gelegen en ze was zo blij, dat Roodkapje er eindelijk was, dat ze helemaal niet merkte, dat de stem een beetje anders klonk. Ze riep dan ook dadelijk terug: "Trek maar aan het touwtje, Roodkapje, dan gaat de deur vanzelf wel open." Nu, dat liet die schavuit van een wolf zich geen tweemaal zeggen! Hij trok aan het touwtje en "wip", daar ging de deur open. Wat er toen gebeurde, kun je wel begrijpen. Met één slok hapte die gemeenerd de arme Grootmoeder naar binnen. En toen kreeg de wolf een plannetje. Hij dacht: straks komt Roodkapje en dan doe ik net, of ik Grootje ben. Vlug haalde de wolf een nachtjak en een slaapmuts uit de kast en ging, zo verkleed, in bed liggen. Maar hij zette eerst nog Grootmoeders bril op. Ziezo, en nu maar wachten.
En ja hoor, het duurde niet lang of daar klopte Roodkapje. De wolf bootste nu Grootmoeders stem na en riep: "Trek maar aan het touwtje, Roodkapje, dan gaat de deur vanzelf wel open!" Nu, eerst vond Roodkapje Grootmoeder wel veranderd. Maar ze was nog maar erg klein, en ze dacht dat het door Grootmoeders ziekte kwam. Toch was ze zo verwonderd, dat ze zei: "Grootmoeder, Grootmoeder, wat hebt U een grote oren!" "Wel Roodkapje," kwam het antwoord uit bed, "dan kan ik je beter horen." "Maar Grootmoeder, wat hebt U grote ogen!" zei Roodkapje weer. "Dat is, om je beter te kunnen zien," was het antwoord. "Maar Grootmoeder, Grootmoeder, wat hebt U een grote mond ...." "Wel, dat is om je beter te kunnen oppeuzelen!" En bij die woorden vloog de valse wolf uit bed en hapte Roodkapje met één slok naar binnen. En daarna was de wolf zo moe geworden, dat hij maar weer in Grootmoeders bed kroop. Hij dacht natuurlijk: "Hier lig ik veilig." En even later snorkte hij er al lustig op los.
Nu kwam toevallig die dag Roodkapje's vader in de buurt. Die was jager, en daar hij bijna iedere dag langs Grootje's huisje kwam, wilde hij even vragen hoe het haar ging. En meteen wilde hij eens zien, of Roodkapje er al was. Maar toen hij dat luide gesnork hoorde, vond hij het wel wat verdacht. Nu, de jager was de enige die de schrokkige wolf baas kon. Met één klap was het beest dood. Hij sneed de buik van de wolf open en o, wonder boven wonder, daar kwam Grootje en Roodkapje springlevend te voorschijn. Roodkapje omhelsde Vader en zei, dat ze nóóit, nóóit meer ongehoorzaam zou zijn.
En Grootmoeder, die gelukkig weer helemaal beter was, zette een lekker kopje thee. En omdat er met het mandje, dat Roodkapje had meegebracht, niets gebeurd was, knabbelden ze toen later alle drie aan de lekkere wafels. Maar Roodkapje is nooit meer ongehoorzaam geweest.

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder op de grote weg te blijven, niet te treuzelen en geen bloemen te plukken. Toch plukt Roodkapje bloemen, dwaalt af en ontmoet de wolf. Hij vraagt of za naar grootmoeder gaat, en wijst haar een langere weg. De wolf neemt de kortste weg, klopt aan bij grootmoeders huis, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, en gaat verkleed als grootmoeder in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na. Roodkapje verbaast zich over ogen, oren en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. Hij gaat weer in bed en snurkt zo luid dat een jager, de vader van Roodkapje, gaat kijken. Hij slaat de wolf dood, snijdt de buik open waar grootmoeder en Roodkapje uit komen. Roodkapje belooft nooit meer ongehoorzaam te zijn.

Bron

Willy Schermelé. Roodkapje. [S.l.]: [s.n.], [ca. 1943]
KB: KW XKP 457
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Ills Willy Schermelé
Naar Grimm

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-07-02