Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_013_16

Een sage (mondeling), juni 1976

Hoofdtekst

De wonderdokters die werden vroeger pintjesmeesters genoemd. En, zo’n pintjesmeester dat was in vroeger dagen ’n zeer geziene persoonlijkheid, omdat hij de gave bezat om zieken te genezen. Nou kon zo’n pintjesmeester zo’n man niet alleen de zieken genezen, maar hij had ook de gave om de duivel uit ’t lichaam van ‘n bezetene te verdrijven, want dat was vroeger natuurlijk ook een ziekte. [Interviewer: Ja] Eh…, die gave om zieken te genezen, dat was a- weinig mensen toebedacht. Eh, dat was, en dat komt mooi uit met dat vorige verhaal, eh was toebedacht aan marskramers en aan schaapherders. Die waren dus zeer geschikt om wonderdokter te zijn. Want zowel de marskramer als de schaapherder dwaalde door de dorpen, door de weidevelden, door de heide, en al dwalende door ’n schaapherder over de grote heidevelden of door ’n marskramer van dorp naar dorp, had hij alle tijd om veel na te denken, werd hij op den duur ‘n kenner van weersomstandigheden, van allerlei kruiden, van giftige diersoorten, hè zoals bijvoorbeeld adders, allemaal zaten die in nauw verband staan met allerlei ziekten en kwaden. Aan boeren werd ook de gave van genezen wel eens toebedacht, want ook zij immers waren bekend met kruiden en vruchten. Die gave van genezen door zo’n pintjesmeester daar zat ook nog het een en ander aan verbonden. Want men kon alleen maar zo’n genezer zijn als men [Stilte] de zevende zoon was uit ’n gezin. Het geboren worden van een van achtereenvolgens zeven zonen was iets ongewoons, terwijl ’t geal zeven vroeger op zichzelf al een magisch getal was. Zo ’n zevende zoon kon zich dus ook ziekengenezer noemen, ze werden gezien als bezitters van hogere machten en krachten. Nu waren er ook mensen die totaal niets wisten van kruiden en geneeskunst maar er wel een goed belegde boterham in zagen. En deze mensen werden nu kwakzalvers genoemd, en deden hun gemees- ge- genezingen meestal in ’t dorp staande op ’n verhoging op ’t marktplein, en probeerden dan daar hun eigengemaakte geneesmiddelen aan de man te brengen. O naame dan beginnen met te vertellen hoe men nu aan de naam van pintjesmeester komt. [Verteller ademt in] Omdat heel eenvoudig de pint zijn voornaamste werktuig is. Zo’n pint is niets anders dan een pot, ‘n porseleinen pot bewerkt met allerlei blauwe figuren. U ziet ze nog wel bij diverse drogisterijen en apotheken staan. [Interviewer: Ja] [Verteller ademt in] Wanneer bijvoorbeeld iemand ernstig ziek geworden was, dan werd op ’n zuiver linnen doekje wat bloed van de gewonde of opgevangen en in allereil naar zo’n pintjesmeester gebracht. De pintjesmeester nam nu zijn pot, zijn pintus en deed ‘r in ’n soort van poeder, dat poeder van sympathie genoemd werd, en ’n soort vet afkomstig van dieren. De samenstelling van het poeder was alleen maar de pintjesmeester bekend. Dit poeder moest men dan enkele uren onder een glas in de zon zetten, en daarna werd het in ’n pint gedaan. Dan nam de pintjesmeester het bebloede lapje van de gewonde, verwarmde het bij ‘t vuur en deed het daarna in de pint bij het poeder. En vanaf dat moment moest de pijn van de gewonde verminderen, en begon de zieke te genezen. [Interviewer: Zonder dus die die die die poeder of die zalf naar de gewonde zelf toe te brengen?] Da wa- da da hoefde helemaal nie, ’t gin- ’t ging in hoofzaak uit dat eh eh die die zalf die was dus eh in of die poeder liever was dermate dat ’t ‘t ’t eh ’t doekje verteerde, en as ’t doekje verteerd was dan was de ziekte ook genezen. Dus hoe meer dat ’t doekje verteerde, hoe hoe s- beter dat ‘n zieke zich ging voelen. [Interviewer: Ja dat is inderdaad dan iets eh wonderbaarlijks dit] [Verteller: Ja] [Interviewer: Ik had namelijk gedacht dat die pintjesmeester inderdaad met hun poeiers en hun hun eh vet en zo naar de zieke toegingen] [Verteller: Nee, nee hoor] [Interviewer: Goh, merkwaardig, eh] [Lange Stilte] Zo’n pintjesmeester die kon niet alleen wonden genezen, waar ‘k zo-eve over had, maar hij kon de mensen ook verlossen van zweren en puisten en eelt en likdoorn eh maar alleen maar dus van van uiterlijke ziektes, [Interviewer: Juist] dus nie van koorts en dergelijke. [Verteller ademt in] Eh, zo’n man zo’n pintjesmeester, die moes ‘r natuurlijk wel voor betaald worden, want voor niets gaat alleen de zon op. Hij stond er zelfs op dat er contant werd betaald, en dat moest men dan ook, ’t was nog ‘t beste om contant te betalen want ’t was voor ’n pintjesmeester ’n heel koud kunstje om de pijn weer te doen terugkeren. [Interviewer: onverstaanbaar] Er waren in Brabant heel wat van die pintjesmeesters. In Veldhoven hebben we ‘r eentje gekend die was vroeger koster en die verstond de kunst om zieken te genezen. En hij gebruikte daarvoor niet alleen de pint en het poeder en de zalf, maar ook nog wierook en gewijde kaarsen en ’n bijbel. [Interviewer: Daar was die koster voor tenslotte] [Verteller lachend: Ja, ja daar was ie koster voor] [Interviewer: Ja] En in Heeze hebben we ‘r eentje gekend die met wonderwater werkte. Dit moest men drie maal innemen en dan was men genezen. En ten slotte een pintjesmeester in Vessem, die maakte het nog sterker, die kon iemand reeds genezen als van de zieke een haarlok werd getoond.

Beschrijving

Wonderdokters werden vroeger pintjesmeesters genoemd. Pintjesmeesters konden zieken genezen, maar ook de duivel uitdrijven. Vooral marskramers en schaapherders waren geschikte pintjesmeesters omdat ze veel rondtrokken en daardoor kennis opdeden van allerlei zaken die in verband staan met ziekten en kwaden. Ook boeren werden soms als genezers gezien omdat ze bekend waren met kruiden en vruchten. Om te kunnen genezen moest men echter wel de zevende zoon uit een gezin zijn. Er waren ook mensen die geen verstand van zaken hadden, maar zich toch voordeden als genezers. Deze mensen werden kwakzalvers genoemd. De pintjesmeesters kwamen aan hun naam door de pinten die ze gebruikten voor hun werk. Pinten zijn porseleinen potten waar blauwe figuren op staan. Als er iemand ziek was, werd het bloed van de zieke op een zuiver linnen doekje opgevangen en naar de pintjesmeester gebracht. De pintjesmeester hield het doekje boven het vuur en deed het vervolgens samen met van te voren verwarmd poeder, dat sympathie genoemd werd, en vet van dieren in de pint. Zodra dit gebeurd was begon de zieke te genezen. Hoe meer het doekje verteerde hoe beter de zieke zich ging voelen. Het was beter om een pintjesmeester direct te betalen, omdat deze anders de pijn kon laten terugkeren. Er waren ook pintjesmeesters bekend die andere methoden gebruikten om te genezen, zoals wonderwater of een haarlok van de zieke.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Locatie in Tekst

Brabant    Brabant   

Veldhoven    Veldhoven   

Heeze    Heeze   

Vessem    Vessem