Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_013_17

Een sage (mondeling), juni 1976

Hoofdtekst

Nou waren ‘r ook pun- pintjesmeesters die de kunst verstonden om te genezen door overlezen of belezen. Dus die hadden helemaal geen materiaal verder van doen. [Interviewer: Ja] En, tot op den dag van vandaag kan men wel zeggen, komt men ze nog tegen, want in diverse plaatsen kent men nog mensen die kunnen overlezen en en belezen. Dit was meer ’n erfelijke kunst, die overging van een vader op zijn dochter of van een moeder op haar zoon. Dus op ’t sterfbed dan kon de vader zijn dochter of de moeder kon haar zoon de kunst van ’t belezen overgeven. Die dat belezen en dat bestrijken vroeger dat werd en ook nu nog werd toegepast bij allerlei kwalen, ziektes, kneuzingen en verstuikingen. Maar bij kneuzingen en verstuikingen echter moet ik wel moest men wel enige punten in acht worden genomen, dat moest men trouwens ook bij brandwonden, wilde men tot ‘n goed resultaat komen. Op de eerste plaats mocht noch de belezer noch degeen die belezen werd, de belezene dus, een pet op ’t hoofd dragen. [Interviewer op zachte toon: Ja] Op de tweede plaats mocht de belezer niet door de belezene bedankt worden, en ten derde moest ‘t slachtoffer onvoorwaardelijk geloven in de gave van de belezer. Nu is dat logisch dat zo’n belezene geen pet op ’t hoofd mocht dragen [Interviewer: Ja] want eh men sprak een gebed uit, hè men sprak dus tot God en dat doet men natuurlijk nie met, zoals men vroeger allemaal [Interviewer: Ja] d’n pet op hadden. Eh. [Interviewer: Het niet bedanken is misschien wat merkwaardig] [Verteller: Nee, men moet men moest men mocht dus eh] [Interviewer: Men mocht die man niet bedanken, men moest God danken] [Verteller: Moest God danken] [Interviewer: Juist] [Verteller: Die man moe- moch dus niet bedankt worden] [Interviewer: Ik begrijp ‘t] [Verteller: Hè, want die man da was gewoon ‘n ‘n] [Interviewer: ’n Tussenpersoon] [Verteller: ’n Tussenpersoon] En, dan moest, ten derde moest ‘t slachtoffer onvoorwaardelijk geloven in de gave van de belezer, [Interviewer: Ja] anders hielp ’t nie, men moes er dus echt in geloven. Hè, men kan je misschien ‘n vorm van eh van teleportieren [Interviewer: Ja] zien. Het belezen op zich ging als volgt: de belezer zei driemaal dezelfde spreuk waarbij hij zeven maal over het zieke lichaamsdeel streek en blies, en wel van onder naar boven. Een andere manier was om driemaal met de hand over het zieke lichaamsdeel te strijken, eerst in een bepaalde richting, vervolgens kruislings, en dan terwijl men driemaal in de ene en driemaal in de andere richting streek, dus een kruis maakte over over de wond, een spreuk sprak. [Interviewer humt instemmend] Hè, dus men streek naar men men men streek naar de richting van ’t hart en dan gewoon [Interviewer: Maakte een kruis] van boven naar beneden, en dan had men ’n kruis [Interviewer: Ja] en dat deed men zo dan driemaal. [Interviewer: Ja]

Beschrijving

Er waren pintjesmeesters die konden genezen door overlezen of belezen. Dit was een erfelijke kunst, die overging van vader op dochter en van moeder op zoon. Tijdens het belezen moesten wel enkele regels in acht genomen worden. Ten eerste mocht noch de belezer noch de belezene een pet op het hoofd dragen omdat men tot God bad. Ten tweede mocht de belezene de belezer niet bedanken, omdat de belezer maar een tussenpersoon was. Ten derde moest de belezene onvoorwaardelijk geloven in de gave van de belezer. Er waren twee manieren om te belezen. De eerste manier was om driemaal dezelfde spreuk te zeggen en zeven maal over het zieke lichaamsdeel te strijken en van onder naar boven te blazen. De tweede manier was om driemaal met de hand in een bepaalde richting en kruislings over het zieke lichaamsdeel te strijken en driemaal in de ene en driemaal in de andere richting te strijken tijdens het spreken van een spreuk.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

God    God