Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Voedsel stelen door peetvader te spelen

Een (),

Onderwerp

AT 0015 - The Theft of Butter (Honey) by Playing Godfather    AT 0015 - The Theft of Butter (Honey) by Playing Godfather   

Tekst

Een trickster-dier (meestal een vos, anders een ander slank roofdier zoals een kat of jakhals) en een domme wolf (of ronder aandoend zoogdier zoals een beer, muis, of konijn) wonen bij elkaar of werken samen. Om de winter door te komen, hebben ze ergens anders een voorraad boter (of vet, honing, of enige andere spijs) aangelegd. De trickster doet alsof hij uitgenodigd is om bij een doop (of begrafenis of bruiloft) als peetvader aanwezig te zijn, maar in plaats daarvan eet hij stiekem van de aangelegde voorraad. Dit gebeurt drie keer (soms twee of vier keer). Als de wolf vraagt naar de naam van het gedoopte kind, dan geeft de trickster een naam die de vermindering van de kwantiteit voedsel aangeeft (motief K372 – Playing Godfather).
Wanneer de wolf ontdekt dat de spijs mist, beschuldigt hij de trickster, die schuld ontkent. De trickster stelt een test voor: ze gaan beiden in de zon (of bij een vuur) liggen, en na verloop van tijd zal de vettige spijs smelten en uit de snuit of anus van de schuldige stromen. De wolf valt echter in slaap, en de trickster smeert het kleine restje spijs op de snuit of anus van de wolf. Zo denkt de wolf dat hij dus toch schuldig is (motief K401.1 – Dupe’s food eaten and then blame fastened on him).

Dit verhaaltype heeft volgens de ATU-index en Berezkin’s index (motieven M74A – Strange names of the babies en M74AA Theft of food by playing godfather) een zeer brede verspreiding. Zo kan het worden gevonden in geheel Europa, de Russische Federatie, Georgië, Azerbaijan, Turkmenistan, Tadzjikistan, Turkije, Afrika, Oman, India, Japan, en als import ten tijde van de kolonisatie in Noord- en Centraal Amerika. Vanwege deze wijde verspreiding is het niet ondenkbaar dat het verhaaltype zich ook op andere plekken in de wereld voordoet. Vossenverhalen zijn ook een van de meest voorkomende dierenverhalen in de hele wereld (Uther 2006, p. 134), en de vos is in Europa het dier dat het meest wordt afgebeeld in kunst en architectuur (Uther 2006, p. 152).
Volgens Roberts kan men, aan de hand van de doopnamen van de kinderen, geen duidelijke regionale verdeling geven (1964, p. 16). Als we kijken naar de versies uit Nederland en Duitsland, dan verschijnt er echter een ander beeld. In de Saksisch-talige gebieden (tot aan Oostpruisen toe) vinden we daar een redelijk constant beeld van drie namen: het eerste kind heeft een naam als ‘Anfang’, ‘Fang an’, of ‘Aanbegin’; het tweede kind heet ‘Halvuut’, waarbij er ook een variatie is met ‘Middenin’ in Groningen, Drenthe, Niedersachsen, Mecklenburg-Vorpommern, en in Noorwegen (Roberts 1964, p. 16); en het laatste kind (niet altijd het derde kind) heet ‘Skrap-up-de-born’ (Schrap-op-de-bodem). Vooral deze laatste optie is interessant, omdat deze vorm ook in Zuid-Noorwegen voorkomt (als Skrapna Botne), waarvan Roberts stelt dat het de enige naam is die regio-specifiek is in Noorwegen (1964, p. 16). Wellicht is er dus iets te zeggen voor een verspreiding rond de Noord- en Oostzee voor deze naam. Vanwege het voorkomen van de namen in Saksische gebieden is een verspreiding vanuit de Hanze mogelijk. Een verspreiding vanuit het oude Frisia Tota is onwaarschijnlijk, omdat de versie uit Friesland heel andere namen kent met maar liefst zes kindernamen: It kin net op, It is forhipte lekker, It bigjint al yn to koarten, de boaijem komt hast yn sicht, It wurdt skraebjen om'e kant, en Dy't net sêd is, slikket him mar sêd (Poortinga 1978, p. 107-109). Dit blijft echter allemaal sterk speculatief, en behoeft meer data om tot een definitievere conclusie te komen. Ook is het interessant om op te merken dat onder de Franse creoolsprekers in Louisiana ‘Scrap-Bottom’ voorkomt (McCarthy 2007, p. 262). Hoe deze naam in dit verklaringsmodel te passen is, is op het moment onduidelijk.
In de verhalen over een vos die peetvader speelt komen voornamelijk de negatieve eigenschappen die met de vos worden geassocieerd naar boven, zoals sluwheid, bedrieglijkheid, en kwaadmoedigheid (Uther 2006, p. 134). Ook een etiologische uitleg is regelmatig aanwezig in de verhalen, zoals waarom een dier een pluimstaart heeft (ATU 2 - How the bear lost his tail), waarom twee diersoorten elkaars vijanden zijn, of hoe de zwakkeren of dommeren altijd door de sterkeren of slimmeren verslagen worden als ze proberen samen te werken (Lindahl 1987, p. 1221).
Het verhaal over de vos die peetvader speelt kent daarnaast soms sterke scatologische elementen (het uitdruipen van de vettige spijs uit de anus van de echte schuldige), en sommige versies kennen zelfs coprofagische elementen (het eten van uitwerpselen, zoals de vos die in het lege vat poept en de wolf dit laat opeten) (Lindahl 1987, p. 1219).
Het verhaal kent drie kernelementen: de onontdekte schuldige, de schuldig-lijkende onschuldige, en de aangelegde etensvoorraad. Naast deze kern is er veel variatie mogelijk. Regionale variatie is goed te zien in enkele zaken: wat voor dieren de rollen vervullen, wat voor voedsel er wordt gestolen, en welke andere verhaaltypen er aan het verhaal over de vos die peetvader speelt worden verbonden.
Voor Krohn liet deze variatie een historische ontwikkeling zien: waar het excuus oorspronkelijk om drie geboorten ging, gaat het in latere versies om drie bruiloften, feesten, of ziekten. Daarnaast is ook de test door de tijd heen veranderd volgens hem: eerst was het in de zon liggen, terwijl dit later door een kampvuur, en nog later door een haardvuur werd vervangen. Ook zou bij deze test eerst de vettige spijs uit de anus van de vos druipen, waarna hij deze op het achterlijf van de beer smeert. In latere versies zou de vos hiervoor het laatste restje uit de voorraad gebruiken (Krohn 1889, p. 77-79).
Dieren variëren, omdat er natuurlijk andere diersoorten zijn die in bepaalde omgevingen veel voorkomen. Zo is het vals-beschuldigde dier in Europa vaak een beer, zeker in Scandinavië (Lindahl 1987, p. 1218), en in Frankrijk, Duitsland, de Balkan, en buiten Europa, vooral bij Franco-Amerikaanse migrantengemeenschappen, een wolf (Kvideland en Sehmsdorf 1999, p. 26; Lindahl 1987, p. 1218). In Zuid-Amerika is het bedrogen dier vaak een tijger (Uther 2006, p. 142). In Afrika en India is de trickster een jakhals (Uther 2006, p. 134), in de Verenigde Staten en de Caraïben br’er Rabbit (broer Konijn) en een naamloos konijn in het Afrika onder de Sahara (Uther 2006, p. 134), en de spin Anansi ook in de Caraïben (Lindahl 1987, p. 1218).
Regionale variatie is ook te zien in de etenswaar. In Slavische landen, Frankrijk, en op de Balkan wordt er honing gestolen, terwijl in Scandinavië en Duitsland er boter wordt gestolen (Lindahl 1987, p. 1218). Volgens Krohn is de boter als gestolen spijs te vinden in Noord-Europa, en de honing in het zuiden (Krohn 1889, p. 77).
Soms is ook een derde of vierde dier aanwezig, zeker in Zuid-Europa. Dit is vaak een haas en soms een beer (Lindahl 1987, p. 1218; zie ook Dähnhardt 1912, p. 242). In Afro-Amerikaanse versies komt een heel scala aan dieren langs (Lindahl 1987, p. 1218).
Daarnaast is het een verhaaltype dat veelvuldig wordt gecombineerd met andere verhaaltypen. In Noord-Europa zijn dit drie verhalen. Het eerste is het stelen van een vis door een vos (ATU 1 – The theft of fish). Het tweede verhaal gaat over een beer die zijn staart verliest door ermee te vissen in ijswater. De staart vriest vast, en de beer trekt hem eraf zodra hij ergens voor moet vluchten (ATU 2 – How the bear lost his tail) (Lindahl 1987, p. 1220). Het derde verhaal gaat over een vos die wordt gevangen door een beer. De beer knaagt aan de poot van de vos. De vos zegt dat de beer eigenlijk aan een boomwortel knaagt, waarna de beer de vos loslaat (ATU 5 – Biting the foot) (Kvideland en Sehmsdorf 1999, p. 27; Lindahl 1987, p. 1220).
In Estland wordt het vaak verbonden met het verhaal over een vos die telkens één van de berenwelpen opeet al de moederbeer weggaat (ATU 37* - The Fox as Nursemaid for the Mother Bear) (Lindahl 1987, p. 1220).
In Frankrijk en Duitsland wordt het verhaal over de vos die peetvader speelt vaak verbonden met het verhaal over een wolf die zich volvreet in de kelder van een boer. De wolf is hierna zo dik geworden dat hij niet meer door het gat kan ontsnappen waar hij eerst doorheen kwam. De eigenaar van de kelder doodt de wolf dan (ATU 41 – The wolf overeats in the cellar) (Lindahl 1987, p. 1220).
In de Verenigde Staten is het verhaal over de vos (of konijn) die peetvader speelt een belangrijk onderdeel van de verhalencyclus over Broer Konijn (McCarthy 2007, p. 264). Vooral onder Afro- en Franco-Amerikanen wordt het vaak verbonden met het verhaal over een konijn die een met pek bestreken pop slaat, waardoor het konijn vast komt te zitten en niet met zijn gestolen buit kan ontsnappen (ATU 175 – The tarbaby and the rabbit) (Lindahl 1987, p. 1220).
In Noorwegen in het verhaal over de vos die peetvader speelt het meest verzamelde dierenverhaal (Roberts 1964, p. 15). Dit geldt ook voor Georgië, waar het verhaal veelvuldig voorkomt in combinatie met andere verhaaltypen. Eén van deze combinaties is met het verhaal over een dier dat denkt dat het einde van de wereld eraan komt omdat er iets kleins op het hoofd valt, of omdat ze een raar geluid zoals een scheet horen (20C - The Animals Flee in Fear of the End of the World) (Turashvili 2014, p. 217). Deze combinatie is ook te vinden in twee versies uit Ostfriesland, maar daar zijn de doopnamen van de kinderen weggevallen. Wel bedriegt de vos de wolf met een aantal biggen die ze vinden, waarvan de vos zegt dat hij ze eerst wil dopen voordat ze worden opgegeten; hierdoor kunnen de biggen ontsnappen (Henssen 1951, p. 45-53).
In IJsland gaat het verhaal over de vos die peetvader speelt over mensen, en niet over dieren. Daarbij wordt het verhaal vaak gecombineerd met verhalen over een man die al het werk verkeerd doet (ATU 1408 - The man who does his wife’s work), en het verhaal waarin de vrouw haar man met een hamer doodslaat omdat er een vlieg op zijn neus zit (ATU 1586 – The man in court for killing a fly) (Bolte en Polívka 1913, p. 12; Þorsteinsdóttir 2015, p. 72).
In het algemeen zijn ook nog vele andere combinaties te vinden. Zo wordt het verhaal over de vos die peetvader speelt verbonden met het verhaal over een vos die zijn hoofd met iets smerigs bedekt en zegt dat zijn hersenen eruit geslagen zijn. Dit beangstigt de beer (ATU 3 – Sham blood and brains). Ook wordt het verhaal over de vos die peetvader speelt verbonden met het verhaal van een vos die doet alsof hij ziek is, zodat de wolf die echt ziek of gewond is hem draagt (ATU 4 – Sick Animal Carries the Healthy One). Daarnaast wordt het verhaal over de vos die peetvader speelt wel gecombineerd met het verhaal over een wolf die in het water duikt omdat hij denkt dat de reflectie van de maan een kaaswiel is (ATU 34 – The wolf dives into the water for reflected cheese; zie ook ATU 1335A – Catching the moon). Verder wordt het verhaal over de vos die peetvader speelt verbonden met een verhaal over een vos die de staart van een roofdier aan een zogenaamd karkas van een herbivoor vastbindt, waarna de herbivoor opspringt en wegrent, het roofdier achter zich aanslepend (ATU 47A – The fox hangs onto the horse’s tail). Daarbij komt ook de combinatie van het verhaal voor met het verhaal over een groep dieren die op elkaar gaan staan en veel geluid maken, waardoor ze rovers wegjagen die hun buit achterlaten (ATU 130 – The Animals in Night Quarters (een groep dieren gaan op elkaar staan en maken veel geluid). Als laatste komt ook de combinatie voor met het verhaal over dieren en objecten die zich in een huis verstoppen en binnensluipers straffen met hun karakteristieke eigenschappen, waarna de binnensluipers sterven (ATU 210 – The traveling animals and the wicked man) (Lindahl 1987, p. 1220; Uther 2004, p. 26).

De versie van het verhaal over de vos die peetvader speelt die de gebroeders Grimm geven in hun 'Kinder- und Hausmärchen' is al te vinden in de eerste editie van 1812 (Burghoff 1988, p. 28). Wilhelm Grimm heeft hem opgetekend uit de mond van Margarete ‘Greta’ Marianne Wild in 1808 (Uther 2008, p. 6). Deze versie valt op om twee zaken. Allereerst is de trickster een kat en de belazerde een muis, wat weinig voorkomt in de mondelinge overlevering, maar wel gevonden zou kunnen worden in Saarland in Duitsland (bij de grens met Luxemburg en Frankrijk), Vlaanderen, en Japan, waarschijnlijk door invloed van de tweede editie van de Kinder- und Hausmärchen (Lindahl 1987, p. 1218). Ten tweede kent de versie van de gebroeders Grimm een moralistische les sinds de zesde editie van 1850, namelijk ‘Siehst du, so geht’s in de Welt’ (‘Zoals je ziet is dit hoe het eraan toe gaat in de wereld) (Uther 2008, p. 6). Deze slotformule is ook als spreekwoord in de Duitse taal terecht gekomen, samen met nog een aantal anderen (Burghoff 1988, p. 28-30). Ook het Engelse ‘send not the cat for lard’ wordt naar het verhaal van de gebroeders Grimm getraceerd (Bolte en Polívka 1913, p. 9).

Er zijn verschillende oorsprongstheorieën van dit verhaal. Krohn stelt dat het oorspronkelijk Noord-Europees is, omdat het daar als onafhankelijk verhaal voorkomt bestaande uit twee delen: de vos die peetvader speelt en de test om te bepalen wie het eten heeft opgegeten. Daarvandaan is het naar de rest van Europa, Afrika, en de Verenigde Staten verspreid. De Slavische versies zouden daarna de inspiratie zijn van de Aziatische versies (Krohn 1889, p. 80-81). Het lijkt inderdaad zo te zijn dat vossenverhalen sterk verschillen tussen Europa en Azië (Uther 2006, p. 134). Krohn stelt dat het verhaal na de introductie van het Christendom in Scandinavië is ontstaan, omdat het dopen volgens hem in de vroegste versies een kernelement is. Echter, dat de Russische versies van de vos een vroedvrouw maken (een vrouwelijke vos komt voor (Lindahl 1987, p. 1218)) problematiseert volgens hem deze algemene datering (Krohn 1889, p. 81). Lindahl betwijfelt dit, omdat deze tweedeling in heel Europa te vinden is (Lindahl 1987, p. 1217). Daarnaast is het onduidelijk waarom juist deze twee elementen, de vos die peetvader speelt en de test om te bepalen wie het eten heeft opgegeten, de Noord-Europese versies oorspronkelijker zou maken.
Benfey, daarentegen, zoekt de oorsprong van de Duitse versies in de Arabische raamvertelling 'Kaliila wa Dimna', die zelf geïnspireerd zou zijn door de Indiase 'Pañcatantra' (Benfey 1859, p. 596-597), waarvan vaak wordt gesteld dat ze de bron zijn van vele middeleeuwse Europese dierfabels (Thompson 1946, p. 217). Het gaat dan om het eerste verhaal uit boek 9, wat gaat over twee duiven. Echter, deze versie mist het peetvader- en diefstalelement, waardoor het volgens Lindahl onwaarschijnlijk is dat deze versie de oorspronkelijke bron is (1987, p. 1219).
Gerber acht het niet onmogelijk dat boek 24 van de 'Roman de Renart' een vroege versie van dit verhaal weergeeft (Gerber 1891, p. 52; zie ook Uther 2004, p. 26). In deze versie steelt de vos Renart drie hammen van de wolf Ysengrin, nadat Renart heeft aangedrongen dat Ysengrin de hammen verstopt. Zodra Ysengrin klaagt dat zijn hammen gestolen zijn, zegt Renart dat het erg geloofwaardig is hoe hij klaagt, en dat niemand door zal hebben dat Ysengrin de hammen eigenlijk verstopt heeft. Bij deze versie missen het peetvaderschap en de schuldtest, waardoor Lindahl ook hier stelt dat het geen waarschijnlijke bron is voor de andere versies (1987, p. 1219). Toch komt de naam Ysengrin in de variatie Isegrim voor in een Oostfriese versie (Van der Kooi en Schuster 1993, p. 261-263), wat wel weer afkomstig is uit de 'Roman de Renart' of 'Van den vos Reinaerde'.
Dundes stelt dat de oorsprong van het verhaal over de vos die peetvader speelt onduidelijk is (1977, p. 45), omdat het verhaaltype zowel in Europa als in Afrika te vinden is (p. 43). Voor verhalen in de Verenigde Staten is het altijd de vraag of een verhaal oorspronkelijk uit Afrika of Europa komt, of geheel nieuw ontstaan is in de Nieuwe Wereld (p. 37). Het verhaal over de vos die peetvader speelt zou niet wijd verspreid zijn in de Anglo-Amerikaanse traditie, maar wel in die van de Afro-Amerikanen en de Caraïben (p. 43). Wat Dundes wel opvalt is dat het element van over een vuur of een rivier springen (ATU 30 - The Fox Tricks the Wolf into Falling into a Pit) een uniek Afrikaans element is in dit verhaal in de Verenigde Staten, wat niet voorkomt in de Europese versies (p. 44).

Er zijn, zover bekend, acht versies van dit verhaal te vinden in het Nederlandse taalgebied. De vroegste versie komt uit het Belgische Denderleeuw [link: http://www.verhalenbank.nl/items/show/10737]. Hierbij gaat het om een vos, Reintje, en een beer, Bruin. Zij hebben een tobbe vet die door de vos in drie sessies wordt leeggegeten. In het Belgische Welle zijn er drie dieren: vos, beer, en wolf (De Mont & De Cock 1898, p. 86). Ook is er een variant opgetekend waarbij de beer een wolf is geworden, en de vos naderhand wordt gestraft (Joos 1890, nr. 7). Dat de vos wordt gestraft is ook te vinden in Hans Andreus’ Het Grote Boek vol Dierenverhalen, waarbij wordt gesteld dat deze variatie veel te vinden is in Noord-Amerika (1962, p. 170). Daar is echter geen bewijs voor gevonden.

Uit Noord-Nederland zijn drie versies bekend. De versies uit Groningen [http://www.verhalenbank.nl/items/show/13051] en Drenthe [http://www.verhalenbank.nl/items/show/34908] hebben beide een vos en een wolf in de rol van respectievelijk trickster en gedupeerde. Deze twee versies kennen veel overeenkomsten. Zo leent de vos in beide versies vier keer de laarzen van de wolf om de reis naar de doop te kunnen maken, wat ook te vinden is in een Estse versie (Dähnhardt 1912, p. 241). Beide versies kennen ook het element dat de vos het vat weer vult met stenen en bedekt met een laagje boter, waar de wolf een hap uit neemt. Ook worden beide versies gecombineerd met ATU 47A. Hierbij zegt de vos, als het paard wegrent terwijl de staart van de wolf aan het ros vastzit: ‘sla de hielen in de grond vast’. Hierop antwoord de wolf: ‘Och, wat zou ik! Ik kan hemel noch aarde zien’. Een groot verschil is dat in de Groningse versie er zes vaten boter van de boer worden gestolen, terwijl het in de Drentse versie om één vat gaat.
Een vrij uitgebreide versie is de vinden in het oeuvre van de Friese Roel Piters de Jong, opgetekend door Ype Poortinga. Hierbij doet de vos (Rein geheten) zich voor als een kapelaan, en trekt bij een beer (Brún geheten) in. Brún ontdekt dat Rein van zijn honing- en vetvoorraad heeft gegeten en confronteert Rein daarmee. Deze zegt dat hij Brún telkens daarvan heeft ingelicht door de doopnamen van de kinderen: ‘It kin net op’ (het kan niet op); ‘It is forhipte lekker’ (het is verrekte lekker)’; ‘It bigjint al yn to koarten’ (het begint al minder te worden); ‘De boaijem komt hast yn sicht’ (de bodem komt haast in zicht); ‘It wurdt skraebjen om’e kant’ (Het wordt schrapen aan de kant, d.i. om nog wat te krijgen moeten de kanten afgeschraapt worden); en ‘Dy’t net sêd is, slikket him mar sêd’ (Hij die het niet zat is, snoept zich maar zat) (Poortinga 1978, p. 107-109).
Tjaard de Haan geeft nog een versie uit het graafschap Bentheim, dat altijd een sterke Nederlandse oriëntatie heeft gehad (1977, p. 88-90). Het is zeer waarschijnlijk dat De Haan deze versie heeft overgenomen van een eerder gepubliceerde versie in het Emmelkamper (West-Westfaalse) Saksisch (Specht 1967, p. 102-103). Deze versie combineert ATU 15 met ATU 1 en 47A. Bij deze versies valt het op dat de vos niet stiekem van het vaatje boter eet. Zodra de vos en de wolf het hebben gestolen schrokken ze de inhoud leeg, waarna ze elkaar de schuld geven van het ledigen van het gehele vaatje. De vos heeft dus geen excuus nodig, en doopnamen ontbreken derhalve in deze versie. Toch volgt hierop een test, waarbij de vos de boter onder de staart van de wolf smeert, en waarbij de wolf dus de primair schuldige lijkt.

Literatuur

Primair

Andreus, Hans. Het Grote Boek vol Dierenverhalen. Amsterdam: Uitgeverij Ploegsma, 1962.
Boekenoogen, G.J. “Nederlandse Sprookjes en Vertelsels.” Volkskunde 15 (1903), p. 34-236.
De Haan, Tjaard. Nederlandse Volkssprookjes. Utrecht: Spectrum, 1977.
De Mont, Pol, en Alfons de Cock. Dit zijn Vlaamsche Vertelsels: Uit den Volksmond opgeschreven. Gent: Van Der Poorten, 1898.
Henssen, Gottfried. Überlieferung und Persönlichkeit: Die Erzählungen und Lieder des Engbert Gerrits. Münster: Aschendorffsche Verlagsbuchhandlung, 1951.
Joos, Amaat. Vertelsels van het Vlaamsche Volk: Naverteld door Kanunnik Amaat Joos. 2e Deel. Thielt: P. Pollet-Dooms, 1890.
Poortinga, Ype. De held ende draek: Folksforhalen fan Roel Piters de Jong. Baarn: Bosch & Keuning, 1978.
Specht, Heinrich. Die Gläserne Kutsche: Bentheimer Sagen, Erzählungen und Schwänke. 3. Ausgabe. Nordhorn: Heimatverein der Grafschaft Bentheim, 1967.
Van der Kooi, Jurjen, en Theo Schuster. Märchen und Schwänke aus Ostfriesland. Leer: Schuster, 1993.

Secundair

Benfey, Theodor. Pantschatantra: Fünf Bücher Indischer Fabeln, Märchen und Erzählungen. Erster Theil. Leipzig: Brodhaus, 1859.
Bolte, Johannes, en Georg Polívka. Anmerkungen zu den Kinder- und Hausmärchen der Brüder Grimm: Erster Band (Nr. 1-60). Leipzig: Weicher, 1913.
Burghoff, Beatrix. “”In den alten Zeiten, wo das Wünschen noch geholfen hat …”: Die KHM 1-25.” In <<Redensarten des Volks, auf die ich immer horche>>: Das Sprichwort in den Kinder- und Hausmärchen der Brüder Grimm, red. Heinz Rölleke, pp. 27-59. Bern: Peter Lang, 1988.
Dähnhardt, Oscar. Natursagen: Eine Sammlung natürdeutender Sagen, Märchen, Fabeln, und Legenden. Band 4: Tiersagen, Zweiter Teil. Leipzig: Teubner, 1912.
Dundes, Alan. “African and Afro-American Tales.” In African Folklore in the New World, red. Daniel Crowley, pp. 35-53. Austin: University of Texas Press, 1977.
Gerber, Adolph. “Great Russian Animal Tales.” Publications of the Modern Languages Association of America 6.2 (1891): pp. 1-103.
Krohn, Kaarle. Bär (Wolf) und Fuchs: Eine Nordische Tiermärchenkette. Vertaald door Oscar Hackman. Helsinki: Suomalaisen Kurjallisuuden Seuran Kirjapainossa, 1889.
Kvideland, Reimund, en Henning Sehmsdorf. All the World's Reward: Folktales Told by Five Scandinavian Storytellers. Seattle: University of Washington Press, 1999.
Lindahl, Carl. “Gevatter stehen.” In Enzyklopädie des Märchens: Handwörterbuch zur historischen und vergleichenden Erzählforschung. Band 5, pp. 1217-1224. Berlin: De Gruyter, 1987.
McCarthy, William Bernard. Cinderella in America: A Book of Folk and Fairy Tales. Jackson: University Press of Mississippi, 2007.
Roberts, Warren. Norwegian Folktale Studies: Some Aspects of Distribution. Oslo: Universitetsforlaget, 1964.
Thompson, Stith. The Folktale. New York: The Dryden Press, 1946.
Turashvili, Marine. “ქართული ხალხური ცხოველთა ზღაპრების კომპარატივისტული ანალიზის ზოგიერთი საკითხი (საარქივო მასალების მიხედვით)” [“Several Questions of the Comparative Analysis of the Georgian Animal Tales (According to the Archive Materials)”]. სჯანი 15 (2014): pp. 209-217.
Þorsteinsdóttir, Rósa. ““Ég kann langar sögur um kónga og drottningar”: Eight Icelandic Storytellers and their Fairy Tales.” ARV: Nordic Yearbook of Folklore 71 (2015): pp. 67-98.
Uther, Hans-Jörg. The Types of International Folktales: A Classification and Bibliography based on the System of Antti Aarne and Stith Thompson. Part I: Animal Tales, Tales of Magic, Religious Tales, and Realistic Tales, with an Introduction. Helsinki: Suomalainen Tiedeakatemia, 2004.
Uther, Hans-Jörg. “The Fox in World Literature: Reflections on a "Fictional Animal".” Asian Folklore Studies 65.2 (2006): pp. 133-160.
Uther, Hans-Jörg. Handbuch zu den "Kinder- und Hausmärchen" der Brüder Grimm: Entstehung - Wirkung – Interpretation. Berlin: De Gruyter, 2008.