Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_018_04

Een sage (mondeling), 1976

GraadEngels2.jpg

Hoofdtekst

Nou, u vraagt me om een verhaal te vertellen over kabouters. Daar zijn verschillende versies van, maar ik heb het mooiste, volgens mij het mooiste verhaal daarvan, heb ik opgedaan bij de heer Hendrik Genen in Heythuysen. Jammer genoeg is die man voor een jaar of twee overleden, en zal ik dus in dit geval zijn taak over moeten nemen. Hij kan het dus niet zelf vertellen.

In Roggel, aan de rand van het bos dat het Leudal omzoomt, ligt de boerderij Zeelsterhoof. De overgang van het hoge veld naar het broek verliep in een steile, met struiken begroeide helling. Mijn vader, geboren in 1848, woonde daar in zijn jonge jaren als knecht. Hij vertelde mij dat daar in die helling vijftien kabouters woonden. Ze hadden een klein huisje, dat half in die helling, en half daarboven gebouwd was. Het was een heel mooi en proper huisje met heldere ruitjes, kraakwitte gordijntjes, fleurig geverfde deuren en venstertjes en een prachtig mooi bloemenhofje. De mensen, die mochten er overdag niet komen, en ze durfden dit ook niet, omdat ze het er niet pluis vonden. De kaboutertjes, oudachtige mannetjes met baarden en slechts tachtig centimeter hoog, kwamen overdag wel veel op deze boerderij, om voedsel te kopen en soms om spullen te lenen. Zo kwamen ze bijvoorbeeld om de andere dag om ‘twieë pondj èèrpele’, aardappels, waar ze met hun vijftienen twee dagen van aten. Ze maakten daar heel mooie en heel kleine aardappeltjes van, die er dan hagelwit als zuiver op de schotel uitzagen.

Het huisje lag op drie minuten afstand van de boerderij. De boer werd wel eens door één der twee hoofdmannen, of leiders, uitgenodigd om in de nacht bij hen op bezoek te komen. De leiders nodigden hem dan mee aan tafel. De boer kon echter niet gewoon aanzitten, omdat tafel en stoelen veel te klein waren. Er werd, op bevel van de hoofdmannen, door de dertien anderen opgediend. Het eten was er heel erg lekker, en zuiver, doch de beetjes waren zo klein, dat men ze nauwelijks kon proeven. De koffie werd opgediend in kleine porseleinen kopjes van een poppenservies, met gouden randjes en mooie bloempjes en van helderwit porselein. De leiders zaten met de gast mee aan, terwijl de dertien andere kabouters rustig langs de wand van het vertrek hurkten. Als de koffie opraakte, trapte één der leiders op een bijna onzichtbaar draadje, dat over de vloer riep, waardoor er een helder en fijn zilveren belletje tingelde. De dertien mannetjes sprongen dan op en bedienden hen opnieuw.

Op een zekere keer kleedden de hoofdmannen zich in hun beste tenue. Zij hadden schitterende, mooie, kleurige frakken aan, met gouden tressen en kwasten op de schouders. Hun doordeweekse kleren waren evenals die van de andere kabouter gewoon kabouterkleren. Op de verjaardag van één der leiders wilden ze eens wat aparts doen. Ze wilden eens een feestmaaltijd houden met spijzen zoals de mensen die graag aten. De leider kwam op de boerderij vragen of men hen daarbij wilden helpen. Dit werd graag beloofd, en de boer, die pas een varken geslacht had, bracht hen ’s nachts als ‘proof’ een ‘krammenaad’, gebakken in ‘vèrevet’. Dat betekent dus een karbonade in het vet van het buikvlies gebakken, beide dus van een varken. Ze hadden dit zo – zo heerlijk gevonden dat ze ‘s anderendaags twee gewone kabouters kwamen vragen om meer. De boer bracht hen dit weer in de volgende avond. Het bleek dat ze dit niet konden bereiden in hun kleine keteltjes. Er kwamen twee kabouters bij de boerderij en vroegen: ‘Boer Lepel, lieëntj os eure kaopere ketel? As we klaor zeen en 't heet goed gesjmaktj, dan bringe we uch de ketel, gesjoordj en volmaaktj.’ Daags erna brachten ze die ketel mooi glanzend geschuurd terug. In de ketel, langs de rand in een kring geplaatst, vond men vijftien uit hout gestoken beeldjes, van maar vijf centimeter hoogte, zeer fijn en precies gemaakt, en elk een precieze weergave van één der kabouters. Ze zeiden: ‘We bringen uch de ketel veurumme. Ten hoeëgstje bedanktj, en we kome noeët mieë trök.’ Hiermee eindigt dit verhaal. Mijn vader moet daar omstreeks 1865 gewoond hebben als knecht. De beeldjes waarvan hij beweerde ze dikwijls bewonderd te hebben, bleven van vader op zoon in de familie op deze boerderij. Thans woont er een andere familie, en het is niet meer bekend waar die beeldjes zijn gebleven.

Moet daar omstreeks 1865 als knecht gewoond hebben. De beeldjes, waarvan hij beweerde ze dikwijls bewonderd te hebben, bleven van vader op zoon in die familie op de boerderij Zeelsterhoof. Thans woont er een andere familie, en het is niet meer bekend waar die beeldjes zijn gebleven.

Beschrijving

In Roggel ligt aan de rand van het bos de boerderij Zeelsterhoof. In een nabije helling woonden vijftien kabouters in een klein huisje. De kabouters gingen wel eens naar de boerderij om voedsel te kopen of spullen te lenen. Op de verjaardag van één der leiders wilden de kabouters een feestmaaltijd houden met spijzen zoals de mensen die graag aten. Ze vroegen de boer om hulp. De boer bracht hen vervolgens karbonade dat in het vet van het buikvlies gebakken was. De kabouters vonden het heerlijk, en vroegen de volgende dag om meer. Dit gaf de boer ze mee. De kleine keteltjes van de kabouters waren echter te klein om het vlees in te bereiden. Daarom leenden ze een grote ketel van de boer. Ze beloofden deze, als het voedsel hen goed zou smaken, de volgende dag glimmend terug te brengen. Zo gebeurde het. In de geschuurde ketel stopten zij nog vijftien houten kabouterbeeldjes als aandenken. Tot slot zeiden de kabouters dat ze niet meer terug zouden komen. Het is onbekend waar de kabouterbeeldjes zijn gebleven.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Motief

F451.2.3.1 - Long-bearded dwarf.    F451.2.3.1 - Long-bearded dwarf.   

Naam Overig in Tekst

Hendrik Genen    Hendrik Genen   

Naam Locatie in Tekst

Roggel    Roggel   

Plaats van Handelen

Roggel    Roggel