Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_020_06

Een sage (mondeling), januari 1977

Hoofdtekst

Die gelegenheid, wat men zegt, voor de verkering was in veel gevallen vroeger moeilijker als tegenwoordig. Als men dan bekijkt die grote gelegenheid voor bij elkaar te komen van partijen jongens en meisjes, dat was er vroeger lang niet altijd bij. De enigste mogelijkheid was om een meisje goeiemorgen of goeiendag te zeggen, dat was gewoonlijk op de kerkweg. Als ze naar de kerk gingen. En dat was ook niet altijd het geval om hen daar te treffen. Maar dan werd er toch wel eens opgelet als de diensten in de kerk uit waren. En vroeger was dat de meeste plaatsen de dorpen. Dan stond er vlak bij de hoge toren een hele overgrijze lindeboom, eeuwenoud, en daar werd alles verteld van de wegen het nieuws, en het toekomstige nieuws, en zodoende waren het niet alleen mannen maar ook meisjes die daar stonden te wachten en binnenkort dan naar huis gezamenlijk, in brede gang, naast mekaar, maar niet achter mekaar, naar huis gingen. En vanzelfsprekend was dan de jongen, die al voor die tijd een meisje een lief oogje had geknipt, present om dit met bedeesde schreden na te volgen, achtervolgen, om er verder buiten de kom van het dorp mee te praten. Maar dat moest heel huiverig en stiekem gebeuren, want als men goed wil vrijen dan moet men eerst de ouders vrijen en dan komt het andere vanzelf. Maar wat ik juist bij de gelegenheid om feest te vieren, dat zat er wel een beetje in, kermissen werden overal gehouden, soms wel vijf dagen achter mekaar. En dat was toch wel vertier op de markten genoeg. Maar dansen, dat hoorde er op veel plaatsen niet bij. Maar een grote gelegenheid was vroeger wel, het waren ook de winteravonden, er werd bij de muziekgezelschappen werd er concerten gegeven en concerten dat waren soms twee zondagen, zondagen avonden achter mekaar. En die concerten die werden dan in de regel - de zalen waren primitief. Maar dat was dan in een zekeren kerstvakantie, dan werden die klassen soms uitgebroken, en dan werd er ruimte gemaakt, drie, twee, drie klassen voor zo’n zaaltje dat er toch altijd een paar honderd mensen van de dorpsgemeenschap en alles wat aantrekkingskracht had voor die kermis om zich daar te herbergen. En de eetplaats voor de ander was een groot verschil, daar waren zelfs muziekgezelschappen, tevens verbonden met toneelgezelschappen die buitengewoon konden spelen. Vroeger werd weleens gezegd: er was bijna geen een muziekgezelschap af die speelden in mooi drama, van het een of het andere. Zeldzame mooie stukken. En dat waren gezochte nummers, daar leerden ze toch wel tamelijk lang op, dan kochten ze die prachtige uniformen die ze aankleedden, die ze zo op zekere plaatsen kochten, bij venk vroeger in Venlo was er een plaats. En er werd dan toneel gemaakt en vanzelfsprekend was dat ook wel een gelegenheid dat daar jong en oud en zo veel mogelijk naartoe gingen. Maar de jeugd, nee, dat werd toch nog wel een beetje geweerd. Maar dat waren toch allemaal jongens van de vijftien tot een oudere leeftijd. In de opkomende jaren. En als dan zo’n meisje kennis had gemaakt met zo’n jong, ja, dan had dat ook alle gelegenheid en zeker verlof van de ouders had om de drie weken daar bij de ouders in het huis te komen. Verders, dat was zelfs vroeger niet toegestaan, niet zo dikwijls. En dat werd niet toegestaan, want ze moesten heel kalm beginnen. En die kwamen door de week misschien nog wel eens bij elkaar maar eigenlijk om daar in een avond bij – in het ouderlijk huis te vrijen, dat hoorde er niet bij. Later is dat wel ingekrompen tot zeg maar de veertien dagen en wat zullen we er tegenwoordig van zeggen, dat lost vanzelf op. Maar niettemin, die liefdesverklaring die was beklonken en die ging over velden en wegen soms, dat was nog een mooie gelegenheid ook nog wel eens. In die herfsttijd dan moesten die boerendochters die moesten die koeien in de velden tuieren in het veld. Dat was groenvoeder voor het vee. En dan stonden die koeien aan houten repels of houten kettingen en dan moesten die om de kwartier soms vertuurd werden, dat die een maag dik kregen, en dan werd in die velden zo’n strooien hutje gebouwd, daar waren nog wel enkele boeren die een houten hutje hadden. En daar moest je die boerendochters, of boerenmeiden, dat ook hun eigen boerendochters waren, want die dienden dan bij een andere boer uit, moesten ze daar die koeien verzorgen. Soms wel driekwart van de dag. Want het was eigenlijk het gebruik vroeger altijd dat die koeien ’s nachts naar de stal moesten. Die bleven maar zelden voor in het veld, als ik hier praat van open veld. En nou, die meisjes die hadden dan verstelwerk bij zich, die moesten dat breien. Strijken zeggen ze ook wel. En stoppen en naaien, hadden ze zo’n mandje bij met die heel mooie – die mooie mandjes die die boerenmoedertjes vroeger hadden. Een dan was er allerhande van stijlgoed in, dat hingen ze aan de arm. En in één hand hadden ze die lange ketting vast van die koeien en dan die koeien die wisten de weg door die ouwe karsporen naar dat veld. Dat was in de regel in het bereik van de boerderij. Maar dan nog van terug te komen, die schermen die dienden voor wind en regenvlagen, die in dat veld bij die koeien stonden. En dat kunnen herders nogal veel meemaken. Er was dus een mooie geval, er was er een boerin die was buitengewoon bezorgd, niet voor haar eigen dochters, maar dat had ze ook wel, voor haar eigen dienstmeid. En toen had ze tegen haar man gezegd: 'Je moet maar dat scherm zo zetten, dat de opening altijd staat naar de boerderij. Dan kan je ook goed zien wie er bij dat meisje in dat scherm kruipt.’ Maar mijn lieve god, dacht dat meisje, wat heb ik er eigenlijk aan als dat open scherm naar het westen staat en de regen komt van het westen, waar moet ik mij dan schuilen? Maar er was een goede buurman, ook in het veld die een scherm had, maar dat was een ouwe scheper, en daar had ze nooit geklaagd, en dan had ze gezegd: 'Maar ik begreep de boer toch niet, ik heb niks aan dat scherm, dat steekt met het open front naar de boerderij, maar ook met het open front naar de regenbuien. Waar moet ik dan zitten als het regent?' 'Och', zie die ouwere scheper, 'kom maar bij mij in het hutje zitten.' En in tussentijd was die vrouw boven – in het bovenlicht door het raampje gekeken, had gezegd: 'Nou kom eens kieken, Jan, nou zit die Marie van ons bij die oude vrijer in dat scherm.' Maar goeien raad was duur, het was gauw opgelost. Die pennen die dat scherm moesten verbinden in de grond, die werden eruit gehakt en dan werd het scherm met de wind mee gezet. Als de wind van het zuiden kwam, dan stond de rugzijde van het scherm naar het zuiden, kwam het van het westen of van het noorden dan was het raadsel in één keer opgelost. Dat was een slim bedrijf, van minder slimme mensen, maar ze hadden hem goed begrepen.

Beschrijving

Vroeger was er minder gelegenheid om verkering te krijgen dan tegenwoordig. Soms gebeurde dat op de kerkweg, na de mis. Er werd ook gepraat bij de lindeboom, waarna de jongen stiekem met het meisje meeliep naar huis. Er was ook gelegenheid bij de kermissen, markten, concerten en toneeluitvoeringen die werden gehouden. Als een meisje een jongen had ontmoet, dan mocht hij 1 keer in de 3 weken langskomen.

Boerendochters moesten er in de herfst de hele dag voor zorgen dat de koeien zo veel mogelijk aten. De meisjes hadden verstelwerk bij zich en konden schuilen in een hutje. In 1 geval stond de opening van het hutje altijd naar de boerderij toe, zodat de boerin kon zien wie er bij haar dienstmeisje in het hutje zat. Maar als de regen van die kant kwam, werd het meisje alsnog nat. De oude scheper zei dan: 'Kom maar bij mij in het hutje'. Het probleem werd opgelost door het scherm altijd met de wind mee te zetten.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Marie    Marie   

Naam Locatie in Tekst

Venlo    Venlo