Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_020_10

Een sage (mondeling), januari 1977

Hoofdtekst

En die buurtschap die bestond uit zes personen naar de richting van de kerk en drie personen achter de richting van de persoon die ziek was. Dat waren er dus zes. Het waren zes buren en die moesten dan tevens ook zorgen dat er gebid werd voor die van de laatste heilige sacramenten werd voorzien. En dan werd bij die gelegenheid bij ieder – er werden rozenhoedjes gebeden, drie. Dat waren 15 tientjes. Daar werden de heilige geheimen bij gebeden en die mysteriën werden dan gebeden bij ieder tientje en achter dat - die geheimen werd bijvoorbeeld gezegd: ‘Heer, geef hem wat hem zalig is.’ Dus dat was dan de mens die was niet gestorven. ‘Leven of sterven. Heer, geef hem wat hem zalig is.’ En dat deden ze in de regel bij de buren waar die zieke dan eigenlijk op sterven leie. Het kan niet anders, begrijp wel, want in dat huis waar een stervende lag, daar was al droefheid genoeg. Nou, en dan leden ze soms lang mee met die zieke. Het gebeurde ook wel dat hij weer beterde en bij die gelegenheid van bedienen dat door - dat dan gedaan werd, bracht de priester of de misdienaar een zwart kruis mee. Dat was een kruis zonder corpus op. Het was een teken: die mens is van de heilige sacramenten voorzien en dan werd dat in die kamer onzichtbaar gelegd voor die zieke. Maar de huisgenoten die wisten wel waar ze dat kruis onder een doek, onder een zwarten doek gelegd hadden. Zou in zeker geval die mens weer beter worden, dan was het het gebruik als je zo – in zoverre weer beter was, dan moest je dat kruis dat de misdienaar en de priester mee had gebracht naar de boerderij of naar het ziekenhuis weer zelf naar de kerk brengen. En dat was een algemeen – vroeger – gebruik. Stierf die mens, dan werden de voorzorgsmaatregelen genomen in dat lijkhuis. Daar werden de spiegels bedekt met een witten doek en de blinden, dat waren de vensterluiken van buiten, die werden dichtgemaakt. Soms op een kiertje, want ze moesten iets in het huis kunnen zien. En dan werd dat lijk, zo gezegd, op stro gelegd. Vroeger waren die bedsteden, die hadden ze geen peluwen en ook niks, maar dan werd dat lijk op stro gelegd. Dat was het ouwe gebruik. Vroeger hadden ze wel peluwen maar daar zat stro en alles onder. En dan werd - de eerste buren die moesten zorgen voor een lijkkist. Dan gingen ze naar de naastbijzijnde of de timmerman die gebruikelijk die werkzaamheden altijd op dat bedrijf verricht had. Dan werd die lijkkist besteld en gemoedelijk den derden dag werd dat lijk dan ten grave gedragen, naar de kerk gebracht. Dat deden den eersten buur achter de richting de kerk. De voorsten buur dat was den voorbidder. Die moest voorop gaan. En die andere die moest dan zorgen voor kar en paard en dan werd die lijk naar de kerk gereden. En tevens moesten dus staan zes dragers. Men zou kunnen zeggen zes die de baar meedroegen. Maar die gingen met die kar over, als er een buurtschap was buiten de gemeenschap, dan gingen ze met die kar over en dan de nodige werkzaamheden die ze dan verrichten, die lijk die werd dan aan de kerk van die kar afgezet op de draagbaar en dan stonden die zes dragers gewoon, niet plechtig, in een zwart kostuum. Als het meer bijzonders was, dan was het een – dan hadden ze zwarte pakken aan, kleren aan. En dan werd die lijk op die baar gezet en dan werd die vroeger ingehaald, soms wel in een meter of 15, 20 van de parochiekerk. Naar gelang dat die mensen meer invloed hadden en meer begiftigd waren met aardse goederen werd het wel eens gebruikelijk dat die lijken ver van de kerk ingehaald werden. Maar dat was algemeen genomen – werd dat beschouwd als een onding. Als ze dood zijn dan zijn de mensen allemaal hetzelfde. Waarom moet die ophef en die glorie eraan vooraf gaan? En toch was dat vroeger een noodzakelijk kwaad.

Beschrijving

Als er iemand ziek was, moesten zes buren ervoor zorgen dat er gebeden werd en dat de zieke van de heilige sacramenten werd voorzien. Men zei dan: ‘Heer, geef hem wat hem zalig is.’ Dat gebeurde in het huis van de buren. De priester of de misdienaar nam een zwart kruis mee dat hij onder een zwarte doek legde. Als de zieke beter werd, moest hij het kruis zelf weer terug naar de kerk brengen. Als de zieke stierf, werden de spiegels bedekt en sloot men de vensterluiken. Het lijk werd op stro gelegd. De begrafenis was op de derde dag. De buren zorgden voor een lijkkist, een voorbidder, kar en paard en zes dragers. Op weg naar de kerk werd het lijk ingehaald, op 15 of 20 meter van de kerk, of verder als het een belangrijk persoon was.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)