Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

Voda_021_03

Een sage (mondeling), vrijdag 18 maart 1977

Hoofdtekst

Over het spook van de Zevenzehn, in de Zeventien, de Zevenzehn dan, in de volksmond. He. Dar spookte het. Dat wil zeggen op de post Zeventien. Het werkpunt Zeventien. Dar was het lang nie pluis hoor. De Zevenzehn is een laagafdeling in de oude benaming van het Domaniale. Zuidelijk gelegen en onder de spoorlijn. Domaniale Simpelveld. Daar lag dus dat werkpunt. De Loreng die was daar aan het werken, toen ie ergens een gerucht hoorde. Wijl ie op dat moment alleen was, dacht ie: maar sacramente! Hij is toch ginne? En daar hij nie bang was, uh, ging ie eens verderop kijken. Maar hij zag noch ontdekte er een levend menselijk wezen. Dat was kras! Hij had het toch duidelijk gehoord? En alsie terug op zijn plaats weer was, en z’n kompel intussen ook daar was gekomen, vroeg ie ‘m: ‘’Hast du eurges gevaren?’’ Dat wil zeggen: heb je ergens gelopen? Maar het werd ontkennend beantwoord. De Loreng plette nog een hard woord tussen zijn lippen en ging toen door met werken. In de volegende sjiecht – het was op een nachtsjiecht – hoorde De Loreng hetzelfde. En nu dacht ie: ja, dat ergens boven ‘m een andere post kon zijn waar men aan ’t werken was, en aan ’t varen. Want het was duidelijk een sleep- of vaargerucht. Ja, en dat kon toch, niewaar? Zelf had ie het al eens meegemaakt dat de Duutsche Koeln in het veld van de Domaniale mijn had gezeten. Toen de opzichter kwam vroeg ie ‘t ‘m, maar de opzichter zei ‘m absoluut: ‘’Nee, nee, nee, nee, daar boven zit gin kool’’ En dus kon dat niet. En als De Loreng het vertelde wat ie gehoord had. Jaha, dan lachte de opzichter ‘m ontzaglijk uit he. ‘’Du bist toch gene klenge jong meer? Das du dat geleufst! En dan ging ie weg. Doch als de opzichter weg was, hoorde De Loreng weer dat varegerucht, dat loopgerucht, he. En ook z’n kompel had ’t gehoord. Heel duidelijk. Samen gingen ze verderop kijken. Maar ze vonden niets. Het waren voor een niet te lange tijd nog twee kuilders verongelukt. Op de post Zevenzehn. Zouwe dat misschien de geesten zijn van die mannen? Het werd boetertijd – dat wil zeggen botterhammentijd, er werd geboterham.. boetertied. Verschillende kwamen bij De Loreng op de kist zitten. Men had het een en ander al gehoord en er werd gepraat. De een wilde het geloven, de anderen niet, als plots nu allen het gerucht hoorden. Verschillenden schrokken ervan en.. en.. de boterhammen, ja, die smaakten hen toch niet meer zo goed hoor. Juist kwam ook de opzichter. Nog wilde hij niet geloven, ma. Toen klonk er een slag, alsof er ergens een deur hard dichtgesmakt werd. Men moest op rapport komen. En vertelde het wedervaren. Maar men werd er niet kloeke.. ‘t. ’t Spookte er, dat leek wel haast vaststaande. Hoe ongelovig men ook was he, er werden op een onheimelijke wijze spokende geruchten gehoord van schuiven en rijden, en andere geruchten ook. Alsof er ergens in het gebergte boven hen nog een kolenlaag lag, waarin de kolenwagentjes werden gereden. En. Kon amaal zijn.. Zou dan toch een of beide geesten van die twee mannen, die hier waren doodgebleven, hier vastzitten? En dolen? Er was er immers een bij, die zo godserbermelijk, zo hiemelschrijend, kon vloeken soms. Of de mijngeest.. d’r koelgeest. Zondags, als het vuurvaag ‘r was – dat was de mijnrevisie, op dagen dat het bedrijf stop lag werden de werkpunten toch gecontroleerd, de zogenaamde mijnrevisie – ging één man hier gewoonlijk alles na of de boel in orde was. Dit geschied uh, tot op uh, heden ten dage en zo lang als ‘t mijnbedrijf was, is dat nog altijd gebeurd. Maar in de Zevenzehn durfde men niet meer alleen. Twee mannen moesten hier de revisie doen, en de directie stond dit toe. Toch heeft men het spook nooit gezien. Het is hier een raadsel gebleven. We spraken De Loreng nog en een ouwe kuilder, een gepensioneerde, en thans op de Spekholzerheide wonende: ‘’Mer hier Eutenus, wetze wat.. wat ich mich so gedaad had? Ich hanne une spoek geheurd. Zo woar als een geivurigstor. Ever. ’t War mich zo eigenaardigs. Ik ben dat zoe op mien eigen nagegangen. De zuil war dar niet diep. En ok hoe ’t meulig zieje, dat ‘t ‘r locomotief war van ’t lijntje op Sumpelveld eh!’’ Het was niet diep onder het maaiveld, uh, dat moet oe begrijpen, en boven lag de spoorlijn naar Simpelveld, waaroverheen de locomotief reed. ‘’Ever. Hier. Dat hanich mich nicht erkundigt.’’ Daar heb ik me niet van overtuigd, heb ik niet van nagedacht. ‘’Ich had ’t spoekedig geruch oog gehoerd. Op de dieje dat bestimmt jene locomotief of zug gefahren had.’’ Op de Zevenzehn spookde het. En op ’t letst, houwe ze het spoek gevangen! Zo leed ons een andere oud mijnwerker, met jaha, buitendien ook mededelen. Dat men vreuger van die vaargeruchten had gehoord, en ander verder radau, wat nooit iemand heeft kunnen verklaren. Het was op de Zevenzehn onheimelijk. De jongeren lieten de ouderen hier steeds voorgaan. Die waren jet meer ome lach, en jet kuuner. Wat kloekig. En dan wisten de jongere of nieuwere mijnwerkers aan deze stel, aan deze post tenminste dat er niets was. Men zag vaak een schim door het water gaan ofschoon alles stikdonker was. Velen stonden doodsangsten uit en menigeen vroeg een andere afdeling. En zelfs waren er die erom de koel verlieten - die van de mijn afgingen. Tot ze, op het letst, het spook vingen. En wat waret? Er was altijd ene bij, die met de eerste zug – dus met de eerste lift, die naar beneden ging – meeging, en dan als verzwonden was. Hij zette dan echter zijn lamp in de ophouw – dat is een doortocht, das een enge, smalle uh gang die maar alleen in de kool gedreven is – zodat het licht tegen en in en door het water scheen wat er daar afliep. He, dat was nogal een betrekkelijk natte afdeling. Dan trok ie zich uit, dan kleedde ie zich uit, en kwam door het water op. Dit gaf een spookachtig gezicht. De anderen zagen het, wijl ze ondertussen tot hier waren gekomen. Ze schrokken ervan, bleven een tijd weg, verbuut, verpapzakte. Onderwijl, als dan de man een paar maal de deur dichtgooide – er was een een tochtdeur in die uh, um in, in, in die gang, he – en daarop gezwind naar zijn post of werkpunt ging, dan had ie al z’n wagen of meer kolen gedolven, eer de anderen er waren, en doodleuk zei: ‘’Ich ha nieβ gesehen.’’ Ik heb niets gezien, als de anderen weerom vertelden van de schim. Men ving hem doordat een paar, die voor de duivel niet bang waren en die van de vorige sjiecht achtergebleven, zich verstopten en alles uitspeculeerden: ‘’Dat ware spoeken hier. Ever! Het moet daar nog jet mier je weze zieje, qua spokerij.’’
Dat was het verhaal van de post Zevenzehn.

Onderwerp

ATU 1676    ATU 1676   

TM 3118 - Het Mijnspook    TM 3118 - Het Mijnspook   

Beschrijving

Het spook van de zeventien. Zijn het de geesten van twee verongelukten, waarvan de ene altijd vreeslijk vloekte, of de mijngeest? Een Limburger zegt: ''Ik dacht eerst, dat het een trein was, maar dat kon niet, want het geluid was er ook, wanneer de trein niet reed.'' De jongeren lieten de ouderen in de post zeventien zodoende altijd voorgaan. Die waren beter onderlegd. Tenslotte vingen ze het spook: het was een mijnwerker, die als eerste naar beneden ging, de lamp voor de ingang van een gang zette en zelf ontkleed uit het water oprees.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Motief

K1833 - Disguise as ghost.    K1833 - Disguise as ghost.   

Commentaar

In het verhaal wordt zowel Standaardnederlands gesproken als Kerkraads.

Naam Overig in Tekst

De Loreng    De Loreng   

Simpelveld    Simpelveld   

Spekholzerheide    Spekholzerheide   

Zevenzehn    Zevenzehn   

Zeventien    Zeventien   

Naam Locatie in Tekst

Zevenzehn    Zevenzehn   

Zeventien    Zeventien   

Plaats van Handelen

Post Zevenzehn/Zeventien in de domaniale mijn te Kerkrade    Post Zevenzehn/Zeventien in de domaniale mijn te Kerkrade