Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

STSAG921 - Dagboek van een moordkat

Een broodjeaapverhaal (boek), 1994

Hoofdtekst

Anne Fine
Dagboek van een moordkat
Met tekeningen van Steve Cox
Vertaald door Huberte Vriesendorp
Fontein
Baarn 1995
[...] [p.14]
4: donderdag
Oké, oké! Ik zal het konijn proberen uit te leggen. Om te beginnen vind ik niet dat ze voldoende bewondering hadden voor het feit dat ik het beest door het katteluikje had gekregen. Dat kan ik je wel vertellen. Het heeft me minstens een uur gekost het konijn door dat kleine gaatje te wurmen. Dat konijn was ronduit dik. Het leek meer op een varken dan een konijn, als je het mij vraagt.
Niet dat het iemand kon schelen wat ik ervan dacht. Ze gingen helemaal over de rooie.
"Het is Kloppie!" riep Ellie. "Het is Kloppie van de buren!"
"O, goeie genade!" zei Ellies vader. "Nu is de boot aan. Wat doen we nou?"
Ellies moeder staarde naar mij.
"Hoe krijgt een kat dat voor elkaar?" vroeg ze. "Ik bedoel, het is geen klein vogeltje of een muisje of zoiets. Dat konijn is net zo groot als Tuffy. Ze wegen allebei een ton."
Leuk hoor. Dat is nou mijn familie, wat zeg je me daarvan? Nou ja, Ellies familie. Maar je begrijpt wat ik bedoel.
En Ellie kreeg het natuurlijk op haar heupen. Ze ging helemaal door het lint.
"Het is verschrikkelijk!" riep ze. "Verschrikkelijk. Ik kan niet geloven dat Tuffy zoiets zou doen. Kloppie woont al jaren en jaren hiernaast."
Ja, zeker. Kloppie was een vriend van me. Ik kende hem goed.
Nou kreeg ik de wind van voren.
"Tuffy! Dit is het toppunt! Dat arme, arme konijn. Moet je hem zien!"
Ja, Kloppie zag er inderdaad een beetje verfomfaaid uit, dat moet ik toegeven. Ik bedoel, het was grotendeels gewoon modder. En een paar grasvlekken, denk ik. En er zaten nogal wat takjes en troep in zijn vacht. En er zat een beetje smeerolie aan een oor. Maar iemand die zo'n eind door een tuin wordt gesleept, onder een heg door, dwars door nog een tuin en door een pasgeolied katteluikje, ziet er daarna heus niet uit of ie naar een feest gaat.
En Kloppie kon het niet schelen hoe hij eruitzag. Die was dood.
Maar de anderen kon het wel schelen. Het kon ze heel veel schelen.
"Wat doen we nou?"
"O, wat erg. De buren kijken ons nooit meer aan."
"We moeten er iets op verzinnen."
En dat deden ze. Ik moet zeggen dat het een briljant plan was, hoe je het ook bekeek. Eerst haalde Ellies vader de emmer weer en vulde hem met warm sop. (Hij keek me even aan toen hij dat deed, in de hoop dat ik me schuldig ging voelen omdat hij voor de tweede keer in één week met zijn handen in het sop moest. Ik staarde gewoon terug met mijn gewone 'Ik-ben-heus-niet onder-de-indruk' blik.)
Toen doopte Ellies moeder Kloppie in de emmer en gaf hem een lekkere schuimige wasbeurt. Het water kreeg een behoorlijk gore bruine kleur. (Al die modder.) En vervolgens met een boze blik op mij, alsof het allemaal mijn schuld was, kieperden ze hem in de gootsteen en begonnen van voren af aan met een vers sopje.
Ellie zat natuurlijk weer te snuffen.
"Hou op met dat gesnotter, Ellie," zei haar moeder. "Het werkt op mijn zenuwen. Doe liever wat nuttigs en haal de föhn."
Dus sjokte Ellie naar boven, nog steeds tranen met tuiten huilend.
Ik zat boven op de keukenkast naar ze te kijken.
Ze draaiden de arme Kloppie om en doopten hem weer in de emmer. (Maar goed dat hij niet meer zichzelf was. Wat zou hij de pest hebben gehad aan al dat wassen.) En toen het water eindelijk schoon bleef, haalden ze hem eruit en lieten hem uitlekken.
Daarna gooiden ze hem op een ouwe krant en gaven de föhn aan Ellie.
"Vooruit," zeiden ze. "Maak hem maar mooi pluizig."
Nou, ze wierp zich vol overgave op die taak, dat kan ik je wel vertellen. Die Ellie zou later best eens een supergoeie kapster kunnen worden als je zag hoe ze zijn vacht behandelde. Ik had Kloppie nog nooit zo mooi meegemaakt, en hij woonde nog wel jaren en jaren in het hok hiernaast en ik zag hem elke dag.
"Ha die Klop," knikte ik altijd zo'n beetje terwijl ik over het grasveld wandelde om te kijken wat er verderop in de straat in de etensbakjes was achtergebleven.
"Ha die Tuf," wiebelde zijn snuitje dan zo'n beetje terug.
Ja, we waren vrienden. We waren de beste maatjes. En het was echt fijn hem zo mooi pluizig te zien toen Ellie klaar met hem was.
Hij zag er prima uit.
"Wat nu?" vroeg Ellies vader.
Ellies moeder keek hem even aan - met zo'n blik waar ze mij soms ook mee aankijkt, maar dan vriendelijker.
"O nee!" zei hij. "Ik niet. O nee, nee, nee, nee, nee."
"Het is jij of ik," zei ze, "Ik kan het niet doen, nee toch?"
"Waarom niet?" vroeg hij. "Jij bent kleiner dan ik. Jij komt veel gemakkelijker onder de heg door."
Toen begreep ik pas wat ze van plan waren. Maar wat kon ik zeggen? Wat kon ik doen om ze tegen te houden. Om het uit te leggen?
Niets. Ik ben maar een kat.
Ik bleef zitten en wachtte af.

5: vrijdag
Ik noem het vrijdag omdat ze er zo laat mee waren. Tegen de tijd dat Ellies vader zich uit zijn gemakkelijke stoel voor de tv hees en naar boven ging, stond de klok al ver na middernacht. Toen hij weer beneden kwam, was hij helemaal in het zwart gekleed. Zwart van top tot teen.
"Je ziet eruit als een inbreker die ergens een huisdier gaat stelen in plaats van terugbrengen," zei Ellies moeder.
"Ik wou dat iemand bij ons inbrak en die kat stal," mompelde hij.
Ik negeerde hem maar. Dat leek me het beste.
Samen liepen ze naar de achterdeur.
"Niet het buitenlicht aandoen," waarschuwde hij haar. "Je weet nooit of er niet iemand naar buiten kijkt."
Ik probeerde tegelijk met hem de deur uit te glippen, maar Ellies moeder hield me tegen met haar voet.
"Je blijft vannacht maar eens binnen," zei ze tegen we. "Jij hebt ons deze week al genoeg last bezorgd."
Daar zat wat in. En ik heb het toch achteraf allemaal wel van Bella, Tijger en Poekie gehoord. Ze kwamen me allemaal verslag uitbrengen. (Het zijn echte vrienden.) Ze hebben allemaal gezien hoe Ellies vader over het grasveld sloop met zijn plastic tasje met Kloppie erin (stevig in een handdoek gewikkeld om hem schoon te houden). Ze zagen allemaal hoe hij zich door het gat in de heg wrong en op zijn buik over het grasveld van de buren schoof.
"Ik kon maar niet bedenken wat hij daar uitvoerde," zei Poekie achteraf.
"Het gat in de heg is helemaal vernield," klaagde Bella. "Hij heeft het zo groot gemaakt dat de rottweiler van de Thompsons er door kan."
"Die vader van Ellie moet ontzettend nachtblind zijn," zei Tijger. "Het duurde een eeuwigheid voor hij in het donker dat konijnehok had gevonden."
"En het deurtje had opengepeuterd."
"En arme ouwe Kloppie erin had gepropt."
"En hem netjes op zijn strobedje had uitgestald."
"Keurig opgerold."
"Met het stro opgeschud om hem heen."
"Zodat het net leek of hij sliep."
"Het zag er heel erg levensecht uit," zei Bella. "Ik was er zeker ingetrapt. Als iemand toevallig in het donker langs was gelopen, had ie echt gedacht dat arme ouwe Kloppie zonet in zijn slaap van ouderdom was overleden na een lang en gelukkig leven."
Ze begonnen allemaal te gieren van het lachen.
"Ssst!" zei ik. "Hou je gemak, jongens. Straks horen ze het nog en ik mag eigenlijk helemaal niet buiten zijn. Ik heb straf."
Ze staarden me allemaal aan.
"Wat zeg je nou?"
"Straf?"
"Maar waarvoor dan?"
"Moord," zei ik. "Konijnemoord met voorbedachten rade."
Dus gierden we het opnieuw uit. We jankten van het lachen. Het laatste dat ik hoorde toen ik met de rest van het stel de beukenlaan afliep, was een van de bovenramen dat opengegooid werd en Ellies vader die gilde: "Hoe ben jij buiten gekomen, geniepig mormel dat je bent."
Nou, wat gaat hij eraan doen? Het katteluikje dichttimmeren soms?

[...]
7: zaterdag [p.36]
[...] [p.52]
"Over konijn gesproken," zei de buurvrouw. "Er is zoiets merkwaardigs gebeurd bij ons."
"Heus?" vroeg Ellies vader met een woeste blik op mij.
"O ja?" vroeg Ellies moeder met een al even woeste blik.
"Ja," zei de buurvrouw. "Maandag zag onze arme Kloppie er een beetje armetierig uit, dus haalden we hem maar binnen. En dinsdag was hij er nog slechter aan toe. En woensdag ging hij dood. Hij was ontzettend oud en hij had een lang en gelukkig leven gehad, dus waren we niet al te erg van streek. We hebben zelfs een begrafenisje gehouden en hem in een doos in de achtertuin begraven."
Ik staar nu naar de wolken.
"En donderdag was hij weg."
"Weg?"
"Weg?"
"Ja, weg. Alles wat er van hem over was, was een gat in de grond en een lege doos."
"Echt?"
"Allemachtig!"
Ellies vader keek me heel achterdochtig aan.
"En gisteren," ging de buurvrouw verder, "gebeurde er iets nog merkwaardigers. Kloppie was weer terug. Helemaal schoon en donzig, en terug in zijn hok."
"Terug in zijn hok, zeg je?"
"Schoon en donzig? Wat vreemd!"
Je moest het ze nageven: het zijn prima toneelspelers.
Ze bleven het de hele weg naar huis volhouden.
"Wat een wonderlijk verhaal!"
"Hoe kan dat nou gebeurd zijn?"
"Heel eigenaardig!"
"Zo vreemd!"
Tot we veilig in huis waren. En toen, ja hoor, toen kreeg ik natuurlijk weer de volle laag.
[...] [p.57]

Onderwerp

BRUN 02105 - The Hare Dryer    BRUN 02105 - The Hare Dryer   

Beschrijving

Een kat komt met het dode konijn van de buren thuis. De eigenaars van de kat wassen en föhnen het konijn en leggen het terug in het hok. Daarna vertelt de buurvrouw dat het konijn is overleden en bergaven, waarna het dier door onbekenden weer is opgegraven en schoon in zijn hok is gezet.

Bron

Anne Fine: Dagboek van een moordkat. Baarn 1995.

Commentaar

1994
Deze urban legend is verwerkt in een kinderboek.
The Hare Dryer

Naam Overig in Tekst

Tuffy    Tuffy   

Kloppie    Kloppie   

Tijger    Tijger   

Poekie    Poekie   

Naam Locatie in Tekst

Ellie    Ellie   

Thompson    Thompson   

Bella    Bella   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20