Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MUYLD056

Een sprookje (mondeling), donderdag 17 april 1997

Hoofdtekst

Mi: Een sprookje?
Me: Moet ik een sprookje vertellen?
Mi: Ja, graag.
Me: Van Ezelsvel, of Bontepels, zo is het ook wel eens vertaald.
Er waren eens een koning en een koningin en een dochtertje, en die woonden in een groot kasteel op een hoge berg, en daar was het heerlijk. En toen het meisje groter werd werd haar moeder ziek, en op een dag ging haar moeder dood, en de vader was zó bedroefd. En de ministers zeiden: 'U moet weer trouwen, majesteit.' 'Ach', zei hij, 'niemand is zo mooi als mijn koningin was'.
Maar zijn dochtertje groeide op en werd net zo mooi als zijn vrouw geweest was, en op een dag zag hij dat. En hij zei: 'Ja, goed. Ik ga trouwen met mijn dochter.' Maar toen ze dat hoorde schrok ze. Want dat wilde ze niet, nee dat kon niet, dat hoorde niet. En ze dacht: 'Ik zal iets verlangen wat vreselijk veel moeite kost om het te verkrijgen, dan is het tenminste uitgesteld.' En ze zei: 'Vader, dan wil ik voor het bruiloftsfeest drie japonnetjes hebben. De ene zo prachtig stralend als de zon, en één zo lieflijk glanzend als de maan, en één zo schitterend als de sterren. En dan wil ik een bontmanteltje hebben, dat gemaakt is van stukjes bont van alle bontdragende dieren in het hele rijk.' 'Goed', zei de koning, 'het zal gebeuren'. En hij zond zijn jagers door het hele land om van alle dieren een lapje van hun vel mee te brengen. En hij stuurde de knappe naaisters en kleermakers aan het werk om heel bijzonder mooie zijden stoffen te halen en daar die japonnetjes van te maken ... En op een dag, daar was het klaar. En de koning zei tegen zijn dochter: 'Morgen zullen we bruiloft vieren. Hier heb je alles wat je gevraagd hebt.' Ze dacht: 'Dat mag niet gebeuren!' En toen het avond geworden was en donker, en toen iedereen naar bed gegaan was, was zij nog wakker en ze dacht: 'Ik moet weg. Het mag niet gebeuren.' En ze had een klein wagentje waar een schaap voor liep, en in dat wagentje ging ze zitten, en ze nam mee uit haar kastje de kostbare dingen die ze had: die drie japonnetjes, en ze sloeg het bontmanteltje om, dan zou ook niemand haar herkennen. En ze had nog een gouden spinnewieltje, en een gouden haspeltje, en een mooie gouden ring voor aan haar vinger. En dat pakte ze allemaal in een notedop, want zo fijn was het dat je het héél klein kon opvouwen. En ze ging in haar wagentje zitten, en ze reed de hoge berg af en het grote woud in, en de hele nacht reed ze door, en toen was zij zelf en het schaap zó moe dat ze moesten uitrusten. En daar was een holle boom, en ze kroop in die holle boom en sliep in.
Ze was er in het rijk van een andere koning gekomen. En de volgende ochtend ging die koning met zijn jagers op jacht in dat bos. En de honden, die voor ze uitliepen, die begonnen opeens vreselijk te blaffen bij een bepaalde boom. En toen de jagers daar naar toe gingen, zagen ze dat er een heel vreemd dier lag te slapen in een holle boom. Zo'n dier hadden ze nog nooit gezien. Het was behaard, maar met allerlei vlekken erop, en ze zeiden: 'Sire, daar ligt een heel wonderlijk dier.' 'Nou, neem het dan levend mee' zeiden ze, en ze namen het mee naar het koninklijk paleis ... En het was Bontepels. En die werd wakker, en ze was vreselijk verlegen en ongerust. En de mensen zeiden: 'Ze heeft iets menselijks. Laat ze maar leven, laat ze maar hier blijven.' En het personeel kreeg bevel om één of ander passend werkje voor haar te vinden en dan mocht ze in het paleis blijven wonen. En ze gaven haar om te slapen het kamertje onder de trap. Het was maar een donker hokje, maar goed. Daar legde ze haar kostbaarheden neer. En ze mocht in de keuken helpen, en ze moest hout aandragen en water, en heel nederig werk doen. En dan had ze haar bontjasje aan.
Op een dag was er groot feest in het paleis, en er was bal 's avonds, boven, en ze hoorde de muziek, en ze moest de kok in de keuken helpen, en ze zei: 'Mag ik soms even boven kijken?' 'Nou goed, als je maar gauw terug komt', zei de kok. En ze sloop de trap op, en ze keek door de kier van de deur van de balzaal. En daar zag ze al die mensen in hun mooie kleren dansen ... En ze dacht: 'O, wat zou het heerlijk zijn om mee te doen.' En ze sloop terug naar het kamertje onder de trap, en ze deed haar bontepels uit, en ze deed haar zonnejaponnetje aan, en ze deed het vuil van haar gezicht en handen af, en ze sloop naar boven, ze ging door de kier naar binnen ... en de koning zag haar binnenkomen en dacht: 'Dat is zeker een vreemde prinses, waarvan ik niet weet dat ik die uitgenodigd heb.' En hij ging naar haar toe, en vroeg haar handen, en danste met haar tussen alle andere dansenden. En iedereen keek naar haar: zo'n mooie prinses! En toen de muziek bijna ophield, dacht ze: 'Nu moet ik gauw weg!' En ze maakte zich los van de koning en ze vluchtte gauw door de deur weg. En de koning ging haar nog achterna maar hij zag haar niet meer. Ze was gauw weer naar het hokje onder de trap gegaan, en ze deed gauw haar bontepels weer aan en ze maakte zich weer zwart, en ging naar de keuken.
'Nou', zei de kok, 'je bent mooi lang weggebleven. Ik wou ook nog wat zien! Hier, dan moet jij de soep maar aan de koning brengen. De koning gaat nu eten in de eetzaal. En dan wil ik ook nog eens even boven bij de balzaal kijken.' En toen was ze alleen in de keuken, en toen nam ze dat kleine gouden spinnewieltje wat ze had - dat was maar zo'n sierstukje - en dat legde ze op de bodem van het diepe bord, en ze goot de soep eroverheen, dat je het niet meer kon zien. En zo ging ze naar boven, naar de eetzaal, waar de koning al op zijn eten zat te wachten, en ze bood hem de soep aan en ze ging weer weg. Nu, hij kwam aan de bodem, en daar lag een vreemd voorwerpje en dat was heel mooi, dat was van goud ... 'Wat is dat nou?' dacht de koning. En hij stuurde om de kok, en zei tegen de kok: 'Ik vind een vreemd voorwerpje op de bodem van mijn soepbord, wie heeft dat erin gedaan? Heb jij dat gedaan, jij dist toch mijn soep op?' En de koning die had de kok erg ongerust gemaakt, en die dacht: 'Wat moet ik zeggen?' En hij zei: 'Ja, sire. Maar deze keer heeft dat hulpje in de keuken uw soep op het bord gedaan, en die heeft het er zeker in gedaan.' 'Laat die dan bij me komen', zei de koning.
En Bontepels, helemaal in die pels, met al die rare stukjes bont, die kwam bij de koning. En die dacht: 'Wat is het toch een raar schepseltje.' En hij zei: 'Weet jij iets van dit voorwerpje? Dat vond ik op de bodem van mijn soepbord.' 'Ik weet er niets van', zei Bontepels, en ze hield zich een beetje dom en onnozel. Hij kreeg niets uit haar. Hij zei: 'Wie ben jij eigenlijk?' 'Och', zei ze, 'ik ben maar een dom meisje, en ik ben alleen maar geschikt voor keukenwerk. En dat de mensen me een duw tegen mijn hoofd geven.' De koning kon er niet uit wijs en liet haar gaan. En zo ging er weer een tijd voorbij, en ze deed het nodige werk in de keuken, en toen was er weer eens een bal. En ze verheugde zich erop om daar naartoe te gaan, en ze vroeg aan de kok: 'Mag ik even gaan kijken?' En ze ging naar het kamertje onder de trap, en ze waste zich schoon, en ze deed haar bontepels uit, en ze deed dat beeldige kleedje dat zo lieflijk was als de maan aan, en zo ging ze naar boven en ging door de deur naar binnen, en de koning zag haar komen ... 'Ha', dacht hij, 'daar is die vreemde prinses weer!' En hij ging naar haar toe, en hij danste. En hij had een boodschap gegeven aan de muzikanten, dat ze een heel lange wals moesten spelen.
Toen de muziek uit was, wou hij haar goed vasthouden, maar ze rukte zich los en ze was verdwenen door de deur in een ogenblikje. En de deur moest weer open, en de koning zei: 'Gaan jullie haar achterna! Zoek toch waar ze blijft!' Niemand kon haar vinden, want ze was weer in haar hokje onder de trap. Ze maakte zich weer vuil, en zag er weer gewoon uit. Maar toen ze de soep voor de koning weer moest klaarmaken, deed ze daar dat kleine gouden haspeltje in, en goot de soep eroverheen, want de kok was weer naar boven om te kijken. En alles ging weer als de vorige keer, en de koning dacht: 'Hee, dat is weer dat raadselachtige.' Hij liet de kok komen, en die zei: 'Ja, dat hulpje heeft deze keer de soep voor u opgedaan. En hij vroeg het meisje weer te komen: 'Waar kom je toch vandaan?' Maar ze ontweek zijn vraag. Hij liet haar gaan.
Een hele tijd later was er voor de laatste keer die winter een grote danspartij in het paleis. En Bontepels vroeg weer of ze mocht kijken, en ze ging gauw naar haar hokje onder de trap, en ze trok de bontepels uit, en ze deed het héél mooie stralende kleedje als de sterren aan. En ze ging weer naar boven, maar ze had geen tijd gehad, want er was zo'n haast bij, om zich goed af te wassen, en toen bij een bepaalde beweging dat mooie kleedje even van haar arm afviel, toen zag je die blanke armen, en de koning dacht: 'Daar is iets mee ... Ik begin iets in haar te zien. Het is of ik haar herken, maar ik weet niet meer van wat.' Maar ze maakte weer dat ze wegkwam, en ze moest de soep weer opdienen, en toen deed ze haar gouden ring daar in. Maar de koning had nog net tijd gezien, voor ze zijn hand losliet, om ook een ring aan haar vinger te doen. En toen liet hij Bontepels komen, dat meisje uit de keuken, en haar kleed viel open, haar bontepels, en hij keek naar haar hand, en daar zag hij de ring aan die hij zelf daar aan gestoken had. En meteen vielen de twee beelden samen. Zie je wel, zij was dat meisje. En hij hield haar stevig vast, en hij zei: 'Nu laat ik je niet meer gaan, want jij bent mijn bruid. Nu moet je me vertellen wie je eigenlijk bent.' En toen vertelde ze dat ze eigenlijk een prinses was, en de volgende dag werd de bruiloft gevierd, en ze zaten naast elkaar aan tafel en zij was weer in haar oude glorie. En wat dat betekent, mogen jullie raden.
Mi: Waar komt dat sprookje vandaan?
Me: Het is een bekend sprookje. Zogenaamd sprookje van Grimm, dat zijn de Europese volkssprookjes die zij van de sprookjesmoedertjes in de dorpen hebben gehoord, en verzameld.
Mi: Mooi. Kent u er nog meer?
Me: Nou wat denken jullie, ik heb al iets gezegd. Wie is die prinses die de berg af moet, en het paleis uit, en in nederigheid leven? Onbekend?
Mi: De mens?
Me: De mensenziel. Komt uit een veel heerlijker staat, en komt, zonder zich te herinneren, hier. Wordt hier als mens geboren, en moet hier door de moeilijkheden van de schijn, het verkeerde leven, en hij herinnert zich niet zo goed. Hij heeft iets meegenomen, in een notedop. Wat is die notedop?
Yv: Bewustzijn? Geheugen?
Me: Denk aan een walnoot ...
Yv: Hersens?
Me: De hersenen.
Mi: Ja, natuurlijk!
Me: In ons hoofd zijn al die mooie kleedjes, en dat kan je dan in de horoscoop weer nakijken. Daar hebben wij een kleedje zo stralend als de zon en zo glanzend als de maan, en zo schitterend als de sterren. Dat is ons ware wezen. Ze komt als ziel in het mensenleven en in de verduistering ... En wie is die koning? Waar ze tenslotte mee trouwt, dus dan is het haar echtgenoot.
Mi: Haar ware ik?
Me: Zo kun je het noemen. Je kunt ook zeggen de geest. De eeuwige geest van de mens, die hij hier in het begin niet kent, niet bewust wordt. Hij weet dat hij een mensenziel heeft, en daar houdt het dan mee op. En daardoor gaat hij in de verbanning. Maar die geest wacht ergens op hem, om zich weer met die mens te vereenzelvigen. En dat is natuurlijk het huwelijk, de bruiloft. Dat we weer bewust zijn van onze geestelijke aard, en dat we daarbij behoren.

Onderwerp

AT 0510B - The Dress of Gold, of Silver, and of Stars (Cap o' Rushes)    AT 0510B - The Dress of Gold, of Silver, and of Stars (Cap o' Rushes)   

ATU 0510B    ATU 0510B   

Beschrijving

Nadat zijn vrouw is overleden, wil een koning met zijn dochter trouwen, omdat zij de enige is die net zo mooi is als de koningin. Het meisje eist drie bijzondere jurken en een bontjas van verschillende soorten bont, om de bruiloft even uit te stellen. Als de koning uiteindelijk toch aan haar eisen heeft voldaan, vlucht ze in een karretje met een schaap ervoor. Ze wordt gevonden door jagers van het paleis van een andere koning, die denken dat ze een raar wezen is, omdat ze zo'n vreemde bontjas draagt. Ze wordt keukenhulpje in het paleis.
Tot drie maal toe danst het prinsesje tijdens een bal met de koning, die niet weet dat zij het vreemde wezen uit de keuken is. Ze laat iedere keer als teken een gouden voorwerp achter in de soep van de koning. De derde keer dat dit gebeurt, herkent de koning het keukenhulpje, omdat zij de ring draagt die hij tijdens het dansen aan haar vinger had geschoven. De volgende dag trouwen ze.

Bron

interview Bussum, 17-04-1997

Commentaar

17 april 1997
The Dress of Gold, of Silver, and of Stars

Naam Overig in Tekst

Ezelsvel    Ezelsvel   

Bontepels    Bontepels   

Europees    Europees   

Naam Locatie in Tekst

Grimm    Grimm   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21