Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DIVTX052 - De Elementen

Een broodjeaapverhaal (boek),

213.jpg

Hoofdtekst

[...]
Je doorbreekt de waterspiegel, en in het verblindende zonlicht en het kabaal van de storm die over de schuimende golven giert, draai je snel een keer om je as. Nergens nadert een boot - maar wel, een paar honderd meter verder, met een boog van de kust komend, een vliegtuig: een lompe, tweemotorige bovendekker, laag over de golven. Het komt in jouw richting, en om niet gezien te worden duik je onmiddellijk weer onder. Deinend op een meter diepte wacht je geschrokken tot het ge passeerd is. Maar even later breekt met een daverende slag iets het water binnen, een holte, een muil, het gebeurt te snel om te kunnen zien wat het is, in paniek probeer je het te ontwijken, het beeld ontglipt je, je graait er naar, maar dan ben je plotseling opgeslokt en meegenomen.
[...]
...en tegelijk stik je bijkans in de duisternis, je bril is verdwenen, de slang van het persluchtapparaat uit je mond geslagen bij de klap, maar je bent nog steeds onder water, dat davert van de motoren. Werktuiglijk, half verdoofd werk je je naar boven, waar je je hoofd tegen metaal stoot, maar daar is lucht. Half brakend hoest je het zoute water uit je longen en het is of je niet meer op de wereld bent, maar in een andere. Wat gebeurt er met je? De machine schudt en stampt in de storm, het water klotst alle kanten op, zodat je het steeds weer binnen krijgt. Je houdt je vast aan een uitsteeksel; door een kier tussen de ijzeren platen, waar de lucht doorheen fluit, schijnt wat licht. Je ziet, dat je in een langwerpig reservoir zit. Het kan niet anders of je bent gearresteerd. Op een of andere, misschien ultrasone manier is waargenomen, wat je aan het doen was met het beeld (inmiddels teruggezonken naar de zeebodem); meteen werd het patrouillerende vliegtuig gedirigeerd naar de plek, waar je boven meest komen. Wat moet je denken? Zo vangen ze diefachtige duikers - wat kan het anders zijn? Waar brengen ze je heen? Je trekt je op en kijkt door de kier. Onder de vleugel door zie je dat de machine landinwaarts vliegt, niet hoger dan tien of vijftien meter: je ziet nog juist het strand, mensen die omhoog kijken, de wuivende palmen, het hotel, je eigen bungalow en dan de kale heuvels. Dadelijk zul je landen op een klein vliegveld van de politie, waar ze op je staan te wachten. Of misschien op een luchtmachtbasis, die van de NATO; misschien houden ze je voor een spion, misschien is op de plek waar je dook iets geheims geïnstalleerd, een apparaat om onderzeeërs te localiseren of iets dergelijks, - hoe zouden ze ten slotte van dat beeld af kunnen weten? Natuurlijk, dat is het. En dat je niet voor de russen werkt, kun je aantonen door ze naar de Hermafrodiet te brengen: die moet terug te vinden zijn.
Je hoofd loopt om, het is of je hele voorafgaande leven niet heeft plaatsgevonden, alsof het een film is die je hebt gezien, een boek dat je hebt gelezen en dichtgeslagen, en dit ijzer en water en lawaai hier is opeens de werkelijke werkelijkheid. Uitgeput houd je je vast aan de bout. Je voelt geen angst, alleen verbazing en verdoving en zwaarte. Het was maar een verhaal, meeslepend verteld, zodat je jezelf vergeten was. De tank is zo groot als vroeger je jongenskamer [...].
Je kijkt op je horloge. Aan de instelling van de ring zie je, dat het zeven minuten geleden is dat je je van de zeebodem afzette; sinds vijf minuten zit je in het toestel. Met het water tot je nek kijk je weer door de fluitende kier. Langzaam stijgend, maar op dezelfde hoogte blijvend, nader je de bergen in het binnenland. Misschien ben je helemaal niet gearresteerd, denk je opeens, maar word je juist gered. Misschien dreigde er een gevaar, ten slotte hebben mensen je de zee in zien
gaan.
[...]
Het onafgebroken geraas van de motoren aan weerszijden van het sidderende ijzer is bezig je laatste weerstand af te breken. Je kin is op je borst gezakt, je ademt langzaam en diep, terwijl je oogleden zwaar open en dicht gaan. Aan het eind van de ruimte, bij de rammelende deuren waardoor je naar binnen bent gekomen, zie je een van je zwemvinnen drijven; ook de andere zit niet meer aan je voeten. Je zou je persluchtapparaat af willen doen, maar je hebt er de kracht niet meer voor. Plotseling begin je te snikken. Wat heb je misdaan? Je hele leven ben je toch eigenlijk zoet geweest, je hebt je vader niet vermoord en ook verder niemand iets onherstelbaars aangedaan, voor zo ver je weet.
[...]
Wegzakkend verslik je je in het water, met moeite trek je je op. En op dat moment balt je kracht zich nog eenmaal samen, uit alle macht bonk je op het ijzer en begint te schreeuwen; maar ofschoon de piloot vlakbij moet zijn, besef je dat hij je niet kan horen. Je hijst je weer op naar de kier. De helling is nu dichtbegroeid met olijfbomen, boven de kam zie je in de strakblauwe lucht de grauwe wolken van een optrek kend onweer. Radeloos zet je je af; alsof je hoopt ergens toch nog een uitgang te vinden, zwem je rond. Even later beginnen de motoren te loeien, je voelt dat de machine stijgt en een scherpe bocht neemt, - je wilt je ergens vastgrijpen in het zwalpende water, maar je bent te laat: de bodem klapt weg en je hebt het begrepen.
[...]
Het bos brandt. Met gespreide armen en benen, je gezicht omlaag, hang je in een grillige, veranderende gestalte van water, die het ene moment de vorm heeft van een danseres, het volgende die van een inktvis. Je neemt alles waar, eindelijk ben je op de top van je kunnen. Door het water en de rook heen zie je het vuur op de helling liggen als een filigraan netwerk van gouddraad, dat zich schikt tot het patroon van de aderen op een hand, die je een beker melk reikt. Je verdoving heeft op slag plaatsgemaakt voor een heldere gemoedsrust. Dat je juist op de plek moest zwemmen, waar het vliegtuig water schepte, ervaar je niet als een absurd toeval, maar als de hogere bestiering die het is. Je valt, je bent vrij. Je ziet brandweerauto's met nietige stralen, boeren en toeristen die met takken op de voortvretende uitlopers van het vuur slaan, je hoort hun geschreeuw. In het gebied, waar je zelf op af gaat, valt niets te blussen: in de egyptische storm zijn de knetterende vlammen daar soms meters hoog; de geur van de rook herinnert je aan kerstavond, wanneer je vader een dennetakje in een kaarsvlam hield om de kamer te bezwangeren met 'heidense wierook', zoals hij het noemde.
Je ziet vluchtende geiten, springend alsof zij stalen veren in hun poten hebben. Je valt, maar je valt langzaam, - nee, je valt niet, je hangt stil: het is het vuur, dat steeds langzamer op je toekomt, zodat je zijn hitte voelt, terwijl het vliegtuig zich steeds langzamer van je verwijdert. Je ziet dat niemand ziet, dat je uit het vliegtuig in de vlammen valt, zo kort duurt het; pas dagen later zal op de geblakerde helling het verkoolde lichaam van een kikvorsman gevonden worden, waarna de gang van zaken ongelovig wordt gereconstrueerd, zodat je toch nog de wereldpers haalt. Maar kort duurt het alleen voor wie het niet overkomt. Als in de wachtkamer van de tandarts de tijd al langzamer verstrijkt, dan staat zij bij het sterven natuurlijk stil. Je verkeert in staat van ataraxie. Je geest verricht nu in seconden het werk, waar zij anders nog dertig of veertig jaar over had gedaan, - niet in het aantal gedachten of herinneringen, maar in de intensiteit van het besef, dat je bestaat - dat de wereld bestaat. Je kijkt in de ogen van een kleine, ultramarijnblauwe vis, die met je mee valt. Uit zijn hulpeloosheid spreekt het leed van de hele wereld en je vraagt hem om vergiffenis. Je bent niet meer waar je bent, je bent nu in al het andere, en vanuit al dat andere kijk je naar jezelf [...]. En nu zie je, dat de brandende olijfbomen je bereiken. Een door het vuur ingesloten plek van een paar vierkante meter komt plechtig op je af en drukt zich zacht tegen je aan. Maar vervolgens houdt zij niet op, zich tegen je aan te drukken. Je voelt je neus breken, je tanden, je ribben, als op een reuzenplaneet met honderdvoudige aantrekkingskracht. Dodelijk gewond lig je in de laaiende oven; maar toch voel je nog, hoe ook iets anders zich tegen je aan drukt en bescherming bij je zoekt: het rotsharde voorhoofd van een verzengde, stervende bok. Je slaat een arm om hem heen - en dan zie je, hoe jullie beiden omarmd worden door de vlammen. Het vuur, de lucht, het water, de aarde, alles valt nu samen in dit moment, dat niet meer tot de tijd behoort maar tot de eeuwigheid...

Onderwerp

BRUN 04040 - The Scuba Diver in the Tree    BRUN 04040 - The Scuba Diver in the Tree   

Beschrijving

Op een avond gaat een man die met vakantie is, duiken in de zee. Hij wordt opgezogen door een vliegtuig dat op weg is om een bosbrand in de omgeving te blussen. De man wordt samen met het zeewater waarin hij aan het zwemmen was, over de brand gestort. Hij sterft in de vlammen.

Bron

Mulisch, H. De Elementen. Amsterdam 1988, p.129-150.

Commentaar

Onder Beeld een foto van de auteur.
The Scuba Diver in the tree

Naam Locatie in Tekst

Nato    Nato   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20