Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LOMBO003 - Ton

Een personal narrative (boek), van maandag 01 september 1997 t/m maandag 01 juni 1998

221.jpg

Hoofdtekst

Ton
Ik heb een onvoorstelbaar mooie jeugdtijd meegemaakt. Ongelooflijk. Je had de oorlog gehad en dat was afgelopen. Al die oude auto's die daar lagen op het Suikerterrein, het kanaal was gegraven en je had daar nog van die bergen liggen, daar kon je in spelen bij de Hommel. We hadden een polder, er was niet één sloot te bekennen waar ik niet over heen kon springen. We waren altijd in de polder of hier in de buurt, het was een Eldorado. Dat krijgen ze nooit meer, zo veel plezier. Er waren in mijn straat zo maar 70, 80, 100 kinderen. Vergis je niet. En dan had je hier, bij het hoekkie van der Lee, daar stonden zomaar ieder avond, een man of 35, 40, rondom dat Bankaplein. We gingen massaal naar de polder toe. Je kon ook veel. Het enige wat niet mocht, je mocht nooit van je levensdagen op het gras lopen. Als je op het gras liep, dan werd je gepakt. Dan moest je mee. Dan moest je 500 regels schrijven of 5000, ik mag niet op het gras lopen. En dan had je de politiepost in het Majellapark. Ik zat daar dan te schrijven en die kerel die zat tegenover me. Op het politiebureau moest ik schrijven, ja. Als ik er 500 had, dan was ik gauw klaar, maar 5000... En ik denk en nou moet ik er vanaf! Ik was erg lenig en ik neem een aanloop, boem! Zo over die heg heen, koprol en ik weg. Door het park heen en dan tippelde ik ook wel weer over het gras, maar ik heb nooit meer wat gehoord van 'm.

Ik was onvoorstelbaar lenig. Ik heb altijd gesport. Gingen we naar de polder, daar had je die hoge brug, bij de Hommel. En dan was ik echt zo gek, dan liepen we over die leuning van de brug, waar nou het fietspad is. En dan riep ik: "Alles doen wat vadertje doet." En dan liepen die jongens achter elkaar achter me aan over die brugleuning heen. Acht, negen meter daaronder lag het kanaal. En toen konden ze het allemaal. Ik dacht: ik moet iets anders bedenken. Toen zei ik: en nu gaan we achteruit eroverheen. Een hoop risico's natuurlijk. De polder was gewoon een Eldorado. Dat is waar nu Oude Rijn zit. We kwamen in Lopik uit, man. En dan had je de rotonde. De weg naar Amsterdam was nog niet klaar toen.
En appeltjes pikken bij boer De Wit, die had een hond en pruimenbomen staan en dan moesten we over het hek heen, ik redde dat wel, ik was vlug genoeg, want ik dook er bij wijze van spreken over heen.
Ik was net altijd iets vlugger dan die andere jongens. Drie kwamen in het ziekenhuis terecht, door die hond gebeten, broek helemaal kapot natuurlijk. Even naar mevrouw Rutteman, broek laten naaien, anders kreeg je thuis op je lazer.

Op die brug, bij jullie daar, zat een vogelnest, een duif. En daar had je die paal staan en dan klom ik daar gauw in en dan ging ik even kijken hoe ver ze waren. Ik haalde nooit wat uit. Ik was echt een natuurmens. Dan ging ik kijken: ja hoor, er zitten jongen in. En dan kwam er politie met zijspan aan en dan ja, hoppa in dat ding naar het Paardenveld. Helemaal weg, onderin dat zijspan, ik wou mezelf niet laten zien, natuurlijk, dat was link hoor, als ze je zagen in zo'n politieding. Dat was niks, dan was je een boef, een gangster. Melden bij m'n moeder, kon mijn moeder me komen halen op het Paardenveld. Toen gaf ze me ook nog een schup, natuurlijk. Moest ik gelijk thuiskomen, had ik toch wel straf gehad. Maar dat vonden ze dan sportief.

Geld had je niet. Het was allemaal armoe. Maar als je naar het station ging en je ging oppassen op een fiets, had je zo 5 cent verdiend. Dan kocht je voor een cent een appel.
Je ging naar het station toe en dan eh... "Meneer, op uw fiets passen?" Nou, dan paste je op die fiets en dan kwam ie terug en dan kreeg je een stuiver. En als je twee stuivers had, dan kon je naar de spoorbio. Spoorbioscoop. Zo'n wagon, was dat. Die stond op de rails op een dood spoor en daar ging een doorlopende film, de hele dag. Nieuws, journaal, alles had je en een tekenfilmpje van Woody Woodpecker. Dat deden we in onze vakantie, dan kon je voor een dubbeltje naar binnen. En dan ging je zitten en dan dook je weg, je kon de hele dag blijven zitten.
Als het regende dan zei je: "Ma, we zijn naar spoorbio, hoor." "Hoe kom je aan het geld?"
"Oppassen fietsen." Dat ding heb er wel gestaan tot aan ik denk '56, '57?

Thuis waren ze in zoverre streng, wij spraken altijd met twee woorden. Jij en jou was er beslist niet bij, dan werd er gezegd: "Wat zei je hond?" Dan kreeg je gelijk de kous op je kop. Maar verder ja, waren we echt zo vrij als een vogel. We kregen natuurlijk wel eens over ons lazer, en als ze dan boos werd, dan werden er schoteltjes neergegooid, maar ja, goed. Op een gegeven moment waren de schoteltjes op. Maar verder altijd correct: pikken of stelen was er niet bij. O, god als ze wisten dat we ergens wat... dan was de boot aan. Ik durf gerust te zeggen dat ik nooit ergens... Ja, snoepjes pikken, appels pikken wel. Dat was de normaalste zaak van de wereld. Maar om een winkel in te lopen en daar zo wat weg te struinen, vergeet het maar! Nee, ik kan me niet herinneren dat ik een klap gehad heb. Dan werd je naar boven gestuurd en dan ging ik naar boven en dan deed ik achter het raam open en dan klom ik via de regenpijp omhoog. Dan ging ik het dak op en dan ging ik bij een vriend naar beneden en dan door het huis, was ik toch weer buiten.

Mijn jongens zijn ook wat dat betreft vrij gelaten. Waar ze heen wilden of waar ze op wilden daar konden ze heen. Mijn zoon zegt u en mijn dochter zegt jij. Ik maak daar geen punt van, dat moeten ze zelf weten. Daar zijn ze natuurlijk vrij in, het is een hele andere tijd.
Dat ken je niet vergelijken, dat is totaal anders. Daar kan je geen vergelijk mee maken. Als je vroeger, dat weten jullie nog wel, bij een baas kwam, dan stond je in de houding, bij een baas, dan moet je in de houding staan. En die bood je geen stoel aan om in te zitten.
Dat was gewoon eenmaal zo. Letterlijk en figuurlijk, als je bij de Biko, dat was in '57, toen was ik wasmachinemonteur en... dan moest je komen en dan stond je zo..., dan stónd je echt. Dan had je geleerd om met je handen op je rug... en dan bleef je keurig netjes staan. En dan was het: "Ja meneer Kerkhof, nee meneer Kerkhof." Zo'n baas zat in de categorie pastoors en dominees.
Die man die besliste op een gegeven moment of je wel of geen werk had. Zo was het. Kijk en dat heb je van thuis meegekregen en dat was gewoon al zo.

Ze hebben een goeie opvoeding gegeven. Dat je toch wel weet waar je moet staan en wat je wel mag doen en wat je niet mag doen. Degeen die wou leren die mocht leren, dat was er altijd bij en God, als je ging werken, dan ging je werken. Streng, wat heet streng? Het was uitdragen dat je respect hebt voor een ander. Dat je niet zomaar tegen de eerste de beste tegenaan kan gaan staan blaffen.
("Als ik het vertel, zie ik het weer helemaal voor me" Verhalen uit Lombok. Deel 1. Utrecht 1998, p.18-24.)

Beschrijving

De verteller vertelt over zijn jeugd. Hij heeft een onvoorstelbaar mooie jeugd gehad. Hij vertelt over de kwajongensstreken die hij uithaalde en over de opvoeding die hij genoot. Hij heeft geleerd respect te hebben voor de medemens, maar verder werd hij vrij gelaten. Tijden veranderen en je kunt vroeger moeilijk met nu vergelijken.

Bron

"Als ik het vertel, zie ik het weer helemaal voor me" Verhalen uit Lombok. Deel 1. Utrecht 1998, p.18-23

Commentaar

tussen 1 september 1997 - 1 juni 1998
Onder Beeld een fotocollage.

Naam Overig in Tekst

Ton    Ton   

Suikerterrein    Suikerterrein   

Hommel    Hommel   

hoekkie van der Lee    hoekkie van der Lee   

De Wit    De Wit   

Rutteman    Rutteman   

Woody Woodpecker    Woody Woodpecker   

Naam Locatie in Tekst

Eldorado    Eldorado   

Majellakerk    Majellakerk   

Oude Rijn    Oude Rijn   

Lopik    Lopik   

Amsterdam    Amsterdam   

Paardenveld    Paardenveld   

Biko    Biko   

Kerkhof    Kerkhof   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20