Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LOMBO328

Een sprookje (mondeling), zondag 10 oktober 1999

Hoofdtekst

RB: "Weten jullie waar de verhalen vandaan komen?"
Dochter Willy Jongenburger: "Ja."
RB: "Weet jij dat? Waar komen de verhalen vandaan? Weet jij dat?"
Dochter Willy Jongenburger wijst op rood gordijn: "Daar."
RB: "Daar vandaan? Jij hebt goed opgelet. Jij hebt goed opgelet. Ja, en misschien komen ze ook wel ergens anders vandaan."
Meisje: "Ze komen uit de verhalenkoffer."
RB: "Ze komen, ja, ik zal straks vertellen hoe het precies zit. Ze komen [wijst naar gordijn] daar vandaan en ze komen uit de verhalenkoffer. Maar ik zal eerst een verhaaltje vertellen. Kennen jullie Herman het Kind?"
Dochter Willy Jongenburger: "Ja."
RB: "Ja, jij kent hem?"
Dochter Willy Jongenburger: "Ja."
[Moeder Willy Jongenburger schudt achter haar laconiek van nee.]
RB: "En weet je dat Herman het Kind altijd praat met zijn speelgoed? En Herman het Kind was op een avond door zijn vader in z'n bed gestopt, goed ondergedekt, licht uitgedaan. En voordat 'ie ging slapen had pappa nog een verhaaltje voorgelezen. En toen Herman daar zo lag, toen zei ineens het vloerkleedje dat zo voor zijn bed lag, zei: 'Waar komen verhalen nou eigenlijk vandaan?' 'Nou uh,' kraakte de stoel, 'die komen...'"
Dochter Willy Jongenburger: "Uit de koffer."
RB: "Niet uit de koffer, dat wist die stoel niet. Die zei van: 'Die komen uit het hoofd van een vader.' 'Of het hoofd van een moeder,' zei de kapstok die in de hoek stond. Waarop de pop zonder hoofd antwoordde: 'Dat klopt niet. Ik ben al heel erg lang mijn hoofd kwijt, dat ligt ergens onder het bed, en daar is nog nooit een verhaal uitgekomen.' Toen was het een tijdje stil. En ergens, boven op de boekenplank, begon ineens het boek te bewegen. 'Verhalen komen uit boeken. Luister maar, ik zal het even laten zien.' En het boek deed een stapje naar voren en begon wild met zijn bladzijden heen en weer te bewegen, maar er was geen verhaal te horen. En toen kwam de pen tevoorschijn. De pen zei, dat ze het helemaal fout hadden, want verhalen die komen uit pennen. Die worden door mensen opgeschreven. En de pen die zou 't wel even laten zien. Die ging heen en weer op een velletje papier, maar ja, er kwamen alleen krassen en hele mooie sierlijke bogen, maar geen verhalen. Toen kwam de stempel tevoorschijn. Die had de hele tijd op het bureau gelegen en niets gezegd. De stempel, die echte letters stempelen kon, die zei dat verhalen gemaakt werden van letters. Van letters werden woorden gemaakt, en van die woorden werd dan een verhaal gemaakt. En de stempel die zou het wel even laten zien. Hij sprong heen en weer, en inderdaad, overal werden letters opgestempeld. Maar nog steeds geen verhalen. En toen ging Herman in zijn bed overeind zitten. Hij dacht een tijdje na en hij zei tegen zijn speelgoed: 'Jullie hebben het helemaal fout. Verhalen die bestaan niet. Verhalen die komen uit het niets. Zomaar. Die moet je verzinnen. En dan moet je ze heel voorzichtig, één voor één op elkaar stapelen. En pas dan krijg je een verhaal.' En ineens klonk er van onder uit de kast een stem. Het was de blokkendoos. En de blokkendoos die zei: 'Dat was nou precies wat ik ze wilde zeggen; ik durfde het alleen niet.' Zal het zo zijn, dat je verhalen gewoon kan verzinnen? Gewoon, alsof je een muurtje aan het bouwen bent, zo één voor één, de stukjes op elkaar stapelt? Jij denkt van niet? Wie denkt van wel?"
Dochter Willy Jongenburger: "Ik."
RB: "Jij denkt van wel. Dan gaan we het proberen. Want jij had het al gezegd: daar zitten allemaal professoren en mensen die geleerd hebben, die verhalen verzamelen. En in deze koffer - en dat had jij gezegd - daar zitten allemaal spullen in, zoals een grote sleutel, waar de verhalen van kwijt zijn."
Dochter Willy Jongenburger: "Ja."
RB: "En dan dacht ik van: we moeten maar eens even met elkaar gaan kijken, of we d'r achter kunnen horen... er achter kunnen komen, welke verhalen bij deze spullen horen. Dus jij mag iets uit de koffer halen."
Dochter Willy Jongenburger: "Eens kijken hoor."
RB: "Ja, goed kijken..."
Dochter Willy Jongenburger: "Waar ist'ie dan?"
Moeder Willy Jongenburger: "Je mag iets pakken."
RB: "Pak maar iets uit de koffer. Iets waarvan je denkt van: daar moeten we een verhaal van zoeken."
Dochter Willy Jongenburger: "Kijk, deze."
RB: "Die fluit?"
Dochter Willy Jongenburger: "Ja."
RB: "Dan gaan we het verhaal van de fluit zoeken. Zo, de koffer hebben we niet meer nodig. We zullen eerst even kijken over wie dit verhaal gaat. Want dat weet ik nog niet. We hebben alleen maar een fluit. Maar een fluit is nog geen verhaal, hè? Dan moeten we een persoon zoeken waar dit verhaal over gaat. Eens even kijken. Wil jij een kaartje trekken? Laat eens even aan de andere kinderen zien? Oh. En hij wil het ook nog zien. Wie zou dat nou kunnen zijn? Hoe kijkt die mevrouw?"
Meisje: "Boos."
RB: "Een beetje boos hè? Wie zou dat kunnen zijn: een boze mevrouw? Kun jij wat verzinnen? Je kunt toch wel wat verzinnen?"
Meisje: "Een heks."
RB: "Wat? Een heks? Een heks. Ja. Dat zou een heks kunnen zijn. En waar denk je dat die heks woont? Misschien woont die heks wel op een hele gewone plaats."
Bas Meder (9 jaar): "Uh. In het bos."
RB: "In het bos? Ja. Dat is goed. In het bos hier vlak achter, of niet? Oh. Nou hebben we een heks, en we hebben een fluit. Hier vlak achter is een heel groot bos. En daar woont een heks. Maar ja, zoals jullie weten: Amsterdam is een hele grote stad, en die stad wordt steeds groter, en daardoor wordt het bos steeds kleiner. En iedereen weet: heksen die horen in het bos te wonen."
Dochter Willy Jongenburger: "Ja."
RB: "En als je dan nu in het bos gaat kijken, nou, dan kun je tien stappen naar deze kant doen, en tien stappen naar die kant, en dan kun je op twee handen kun je alle bomen tellen die er staan. Dus die heks dacht van: ik moet ergens anders gaan wonen. D'r is hier gewoon geen bos meer. Dus wat deed de heks op een ochtend? Ze pakte haar toverfluit en begon op haar fluit te fluiten. En dan mogen jullie d'r eens voor mij achterkomen, wat er gebeurde toen zij op die toverfluit, in dat laatste stukje bos van Amsterdam, ging fluiten."
Meisje: "Toen veranderde ze zich ergens in."
RB: "Toen veranderde ze zich ergens in. Waar veranderde ze zich in?"
Meisje: "In een gewoon mens."
RB: "In een gewoon mens! Aha! In een gewoon mens, okee. En dat gewone mens dat stapte hier gewoon in de metro. En ging gewoon met de metro met de strippenkaart en alles naar het Centraal Station. Want de heks, vermomd als gewoon mens, wilde ergens anders gaan wonen. Ja, nou moeten we d'r achter komen van waar die heks gaat wonen. We zullen eens even kijken. Ze ging naar het vliegveld. Hoe heet het vliegveld hier?"
Jongen: "Schiphol."
RB laat iemand een kaartje trekken: "Ze ging naar Schiphol. En vanuit Schiphol kocht ze een kaartje naar...? Ja, een reus met twee koppen. Waar wonen de reuzen met twee koppen? Heb jij enig idee?"
Meisje: "In de wolken?"
RB: "In de wolken. Nou, dat is wel een goed idee, want ze ging met het vliegtuig. Dat klopt hè? Ze ging met het vliegtuig zo hoog als ze kon. En toen ze hier helemaal boven de stad vlogen, deed de heks, die nog steeds als mens vermomd was, heel voorzichtig het deurtje open van het vliegtuig. En jullie weten - misschien hebben jullie al wel eens in een vliegtuig gezeten - dat is hartstikke verboden. Als de piloot dat ziet, dan vliegt hij gelijk terug naar Schiphol, dan belt 'ie de politie en dan word je op het vliegveld weggehaald en ergens in de gevangenis opgesloten. Dus heel voorzichtig op haar tenen, sloop ze, sloop ze naar het deurtje, deed het deurtje open, en bleef daar zo staan: met één been naar buiten, met één hand hield ze zich heel goed vast, te wachten tot een goeie wolk voorbijkwam waarbij ze op over kon stappen. En net toen de stewardes in de gaten had dat iemand de deur had opengedaan, stapte ze op de wolk."
Meisje: "Kan niet echt..."
RB: "En daar ging ze eens rondwandelen, op zoek naar de reus met de twee hoofden. En wat was er nog meer bovenop die wolk? (Begin ik hier, kom ik zo bij jou.)"
Jongen: "Een kasteel."
RB: "Een kasteel. En wie woonde er in dat kasteel?"
Jongen: "Een reus met twee koppen."
RB: "Hé, da's toevallig! Een reus met twee koppen. Mee eens? Okee. Ze trok nog even haar kleren recht, stond voor de ongelofelijke deuren van het kasteel - want je begrijpt wel, als er een reus met twee koppen in woont, dat het een heel groot kasteel is met een hele grote deur. En heel voorzichtig klopte ze op de deur. Ze dacht van: dan komt zo direkt die reus en die doet voor mij de deur open."
Dochter Willy Jongenburger: "Nee, 't was een paardje."
RB: "Precies. D'r kwam helemaal geen reus, d'r kwam een paard. Een paard die deed de deur open. Een paard die op twee poten liep, en hij had wel twee hoeven en daarmee kon hij dan nèt de deur opendoen. Dat had de heks nog nooit gezien: een paard, die woont met een reus met twee hoofden in de wolken. En ze vroeg aan het paard van: 'Kunt u mij vertellen, waar de reus met de twee hoofden woont?' 'Komt u maar even mee,' zei het paard. En ze gingen een grote toren in, helemaal de trap naar boven, en toen ze daar zat, toen gebeurde er iets ergs. Nu moeten we met elkaar iets ergs verzinnen. Het mag van alles zijn: het mag iets engs zijn, het mag een ongeluk zijn, iets ergs."
Meisje: "Dat er opeens een draak tevoorschijn komt."
RB: "Een draak tevoorschijn komt. Goed. Zullen we het nog erger maken?"
Bas Meder: "Dat de laatste tree... dat het heel hoog was en dat de laatste tree nog maar net brook en dat ze weer helemaal beneden was."
RB: "Dat de laatste tree brak. O, dat is wel een goed idee. Ja, ze ging helemaal naar boven, tot ze helemaal bovenin was, en ze moest de hele tijd rondjes lopen, dus ze werd helemaal duizelig. En toen stond ze op het bovenste treetje en toen brak dat bovenste treetje. Toen viel ze helemaal weer naar beneden, alle trappen af, en toen stond daar ineens een draak... op haar te wachten. En dat paard dat stond achter de deur en had gauw de deur op slot gedraaid. En toen had bijna het laatste uurtje voor onze heks geslagen. Want ze kon d'r niet meer uit, en ze zat opgesloten met een afschuwelijke draak. We moeten iemand hebben die haar gaat redden. Of niet?"
Dochter Willy Jongenburger: "Jawel."
RB pakt pak kaarten: "Andere kaartjes. Oeh. Iemand die haar gaat redden. Ga jij eens een kaartje voor mij trekken. Ja, dat lijkt me wel een goede. Oeh, een enge meneer. Wie zou dit nou kunnen zijn? Enig idee? Verzin eens wat."
Jongen: "Een vampier."
RB: "Een vampier. En waar woont die vampier? Die moet natuurlijk ergens anders wonen, hè, niet in het kasteel. Die komt van ver, die moet haar gaan redden. Waar woont die vampier?"
Jongen: "Ernaast."
RB: "Ernaast. Maar die woont niet èh... Ja maar: waar woont 'ie?"
Jongen: "De buurman. In een huisje."
RB: "In een huisje. Wat voor een huisje? Ik ga net zolang doorvragen tot ik erachter ben, hoor. Want hier staat een heel groot kasteel. Daar zit... hier bovenin de toren, daar zat een heks. Die zich vermomd had als mens. Die was naar beneden gevallen, de trap af naar beneden. En die zat daar opgesloten met een grote draak. En toen hadden wij ons bedacht dat in een klein huisje daarnaast een vampier woonde die haar gaat redden. Maar nou weten we nog steeds niet hoe dat huisje d'r uitziet. Wat is er bijzonder aan dat huisje?"
Jongen: "Het was een kasteel."
RB: "Het was al een huisje. Het moet een huisje zijn. Want de draak woont in het kasteel, en de reus met de twee koppen."
Roel Meder (7 jaar): "Als het uit elkaar valt, dan gaat het vanzelf weer in elkaar."
RB: "Als het uit elkaar gaat, gaat het vanzelf weer in elkaar. Dat lijkt me wel een goed idee, ja. En hoe waarschuwt ze nou de vampier dat hij haar moet komen redden? Want zij zit daar onder in de toren."
Meisje: "Dan kun je op een knopje drukken waardoor het licht een beetje gaat branden."
RB: "Oooh, dat is een idee. Dat vind ik een heel goed idee, ja. Ze stond daar beneden en ze dacht: hoe moet ik nu gered worden? En toen had ze een heel slim plan. Ze zocht in het donker langs de muren net zo lang tot ze het lichtknopje gevonden had. En toen ging ze met haar vinger de hele tijd op het licht drukken. Aan uit aan uit aan uit aan uit aan uit aan uit. En die vampier, die zat ernaast in zijn kleine huisje, en die probeerde te slapen. Die lag lekker in zijn bed. Hij had nog even voor het slapen gaan een stripboek gelezen. En ineens zag 'ie de hele tijd - en dat is heel vervelend als je probeert te slapen - bij de buurman in het kasteel in de toren het licht aan en uit gaan. Aan uit aan uit. En wat gebeurde er dan?"
Roel Meder: "Hij kan niet slapen."
RB: "Dan kùn je niet slapen, dan blijf je wakker. Dus die vampier - en vampieren houden al niet van licht, die zijn liever in het donker - die werd daar helemaal niet goed van."
Dochter Willy Jongenburger: "Mikke dikkert... die muis."
RB: "Precies. Ja, die muis werd er ook niet goed van."
Dochter Willy Jongenburger: "Nee."
RB: "Ze werden er samen niet goed van. En ze besloten dat de vampier eens even bij de buurman zou gaan klagen. Dus de vampier ging eerst naar de grote poort toe, klopte weer aan, d'r werd opengedaan door het paard, die op twee benen loopt, die liet hem naar binnen, en toen zei 'ie van uh: 'Ik word niet goed van dat licht bij jullie wat de hele tijd aan en uit gaat.' Toen had het paard in de gaten dat er iets aan de hand was. Dus hij deed de deur open van de toren waar de draak zat en de heks en duwde de vampier naar binnen. En deed gauw de deur weer dicht. En toen zaten ze daar met z'n tweeën opgesloten. En toen moesten ze ontsnappen met z'n tweeën. En daarvoor moeten wij een slim plan bedenken. Want dit verhaal moet af. Volgens mij hebben wij een kaartje nodig. Trek jij maar even een kaartje. Ah, wat is dat?"
Bas Meder: "Een zak geld."
RB: "Een zak geld. Laat deze zak geld eens aan hun zien. Een zak geld. Ha. Kunnen we daar iets mee?"
Jongen: "Ja. Dan betaal je door de brievenbus om vrijgelaten te worden."
RB: "Door de brievenbus? En waar hebben ze dat geld dan? Dat moet dan wel ergens zijn. Dat is wel een goed idee, maar waar halen ze dat geld, waar halen ze ineens een zak geld vandaan?"
Meisje: "Dat had de vampier in zijn jaszak gestopt en meegenomen."
RB: "Die had 'ie in z'n jaszak gestopt! Ja. Ja, want vampieren - dat weten jullie niet - die bijten altijd mensen. En deze vampier die vroeg er altijd een kwartje voor. Als 'ie iemand beet. En die had zijn zakken helemaal vol met geld zitten. En de heks, nou die was ongelofelijk geschrokken, die zei: 'Nou zitten we hier met z'n tweeën! Jij moest mij komen redden! En nou zit je hier ook opgesloten!' 'Geen probleem,' zei de vampier, 'geen probleem. Want ik ken dat paard. Dat paard heeft namelijk een reusachtig spaarvarken. Dat weet ik toevallig. En dat is nog lang nog niet vol.' Dus wat deed 'ie? Hij pakte eerst die een dubbeltje, en gooide dat door de brievenbus naar buiten. En toen nog een dubbeltje, en toen een kwartje, en toen een gulden, en toen een rijksdaalder, en toen zo'n muntje van vijf. En dat paard stond buiten, en die zag al die muntjes door de brievenbus komen, dus die bukte elke keer en deed het geld in zijn zak. En toen kwam er helemaal niks meer. Dus het paard klopte voorzichtig op de deur en vroeg of ze nog meer van die muntjes hadden voor in zijn spaarvarken te stoppen. En toen had de vampier iets heel slims bedacht en die zei van: 'Ja, ik heb er hier nog een paar, en die glimmen heel erg mooi, maar die passen niet door de brievenbus. Kun je misschien even de deur voor ons opendoen?' En daar trapte het paard in. Hij pakte zijn sleutelbos, hij deed de deur open, de heks pakte razendsnel haar wonderfluit, floot een liedje, zodat ze weer heks geworden was, pakte een bezem, samen sprongen ze op de bezem en vlogen zo weg, terwijl het paard nog de muntjes van de grond stond op te rapen. Hij had het niet eens in de gaten. En waar vlogen ze heen? Ook dat moeten we nog hebben, en dan is het verhaal echt af. Want de heks was eigenlijk op zoek naar een nieuw plekje om te wonen, of niet?"
Jongen: "Ze gingen weer terug naar het bos."
RB: "Naar dat kleine bos, met z'n tweeën? Oh. Vinden we dat een goed idee? Terug naar het bos? Weet je wat? We verzinnen twee verschillende ideeën, en dan gaan we d'r over stemmen. Waar gingen ze heen met z'n tweeën?"
Bas Meder: "Uuuuh. Naar een ander bos."
RB: "Een ander bos. Mwah. Hij heeft al bos. Of uh, is dat een bijzonder bos? Anders moeten we stemmen tussen bos en bos, tussen een klein bos en een groot bos. Ja, dan stemt iedereen voor het grote bos. Kun je iets anders verzinnen?"
Bas Meder: "Hmmm."
Theo Meder souffleert: "Naar Amerika."
Bas Meder: "Naar Amerika, hihi."
RB: "Naar Amerika! En waar precies heen? Naar een...?"
Bas Meder: "Naar een huis."
RB: "Naar een huis. Een..."
Meisje: "Een hotel."
RB: "Een hotel. Een hotel in Amerika. Okee, we gaan stemmen. Goed. Iedereen heeft één stem, en volwassenen mogen niet meedoen. Alleen kinderen mogen stemmen, en we gaan stemmen waar ze met z'n tweeën naartoe gaan wonen, hè. Ze vliegen daar nog steeds. Ze komen van de wolk af met z'n tweeën, de heks voorop op de bezem, de vampier achterop de bezem. Ze worden al een beetje verliefd op elkaar natuurlijk, dat begrijpen jullie wel, en ze gaan nu ergens naar toe vliegen om te gaan wonen. Òf naar dat stukje bos dat hier nog achter is gebleven in Amsterdam van tien bij tien met negen bomen, òf ze vliegen gelijk door naar Amerika en gaan in een hotel wonen. Okee. Uh kun jij effe tellen, Theo?"
Theo Meder: "Kan ik wat vertellen?"
RB: "Kun jij tellen?"
Theo Meder: "Ja hoor, dat gaat prima. Ja hoor."
RB: "Okee, jouw stem."
Roel Meder: "Uh, naar het hotel in Amerika."
RB: "Naar het hotel in Amerika."
Jongen: "Naar het hotel in Amerika."
RB: "Jullie hoeven niet allemaal hetzelfde te zeggen, hoor. Je mag echt zelf stemmen. Hotel. Waar stem jij voor, het bos of het hotel?"
Dochter Willy Jongenburger: "Naar het bos."
RB: "Het bos."
Meisje: "Het bos."
RB: "Het bos."
Jongen: "Naar Amerika."
RB: "Amerika."
Jongen: "Amerika."
RB: "Amerika."
Meisje: "Hotel."
RB: "Hotel. Het wordt spannend. Hoe ver zijn we?"
Theo Meder: "Vijf voor het hotel en twee voor het bos."
RB: "Echt waar, pas twee?"
Bas Meder: "Het bos."
RB: "Het bos. Drie voor het bos. Nou, weet je wat? Dan maken we d'r een heel mooi hotel van in Amerika, en als je uit het raampje kijkt, dan zie je buiten een heel erg groot bos liggen. Zo ver als je kunt kijken. Dank jullie wel voor het verhaal. Dan hebben we bij de fluit in ieder geval een verhaaltje. Die kan uit de koffer. Die stoppen we hier dan in het archief. Zo. Dank jullie wel."
[Applaus.]
[Kinderen krijgen de gelegenheid om bij het verhaal een tekening te maken.]
(Verteld op 10 oktober 1999 voor kinderen op de Wetenschapsdag van het Meertens Instituut te Amsterdam)

Beschrijving

Een heks gebruikt haar toverfluit om een gewoon mens te worden. Ze verlaat haar bos, omdat het te klein wordt. Met een vliegtuig vliegt ze de wolken in, waar ze uitstapt om naar het kasteel van de tweekoppige reus te gaan. Ze wordt binnengelaten door een paard, valt uit een toren omlaag en wordt in een kamer opgesloten met een draak. Met lichtsignalen weet ze een vampier te lokken, die ook bij haar wordt opgesloten. De vampier heeft echter geld bij zich om hen vrij te kopen. Ze ontsnappen, met de toverfluit wordt de vrouw weer een heks en samen vliegen ze weg op een bezem. Ze komen in Amerika terecht, waar ze in een hotel gaan wonen in een groot bos.

Bron

bandopname archief Meertens Instituut

Commentaar

10 oktober 1999
Het verhaal wordt door de verteller al improviserend verteld, op basis van de gegevens die de kinderen uit het publiek aandragen. Hun fantasie wordt onder meer geprikkeld met voorwerpen en met kaarten met afbeeldingen.

Naam Locatie in Tekst

Amsterdam    Amsterdam   

Schiphol    Schiphol   

Centraal Station    Centraal Station   

Amerika    Amerika   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21