Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LOMBO700

Een sprookje (mondeling), zondag 17 december 2000

Hoofdtekst

[Vertelster zet tafeltje neer met acht waxinelichtjes, en steekt er zes aan]
In Polen, in het stadje Lublin, ver voor de Tweede Wereldoorlog, stond er in het joodse gedeelte van de stad een armenhuis. Bedelaars woonden daar, zwervers, daklozen, maar ook paardendieven, en hoeren die te oud waren om nog te werken, of te ziek. En in dat armenhuis was ook een afdeling voor kinderen. Weeskinderen, zieke of gebrekkige kinderen. En daar groeiden Menasje en Rachel op. Ze waren allebei wees en allebei blind. Rachel was al bij haar geboorte blind, en Menasje was op zijn derde blind geworden door de mazelen.
[Vertelster valt even uit haar rol]
Menasje en Rachel waren heel erg op elkaar gesteld. Ze waren onafscheidelijk. Dat vonden sommige dames van de liefdadigheidsvereniging, die vonden dat niet zo geweldig. Die vonden dat kinderen die blind waren maar op moesten trekken met kinderen die konden zien. Dan konden die hun de weg wijzen in het eeuwige donker waarin ze leefden. Maar bovendien, Menasje, dat was een heel slim jongetje. Die kon wel twintig hoofdstukken uit de Torah, uit de joodse wet, zo uit zijn hoofd opzeggen. Hij kon prachtige verhalen vertellen. Zo mooi, dat zelfs de volwassenen kwamen luisteren. Ja, en moest zo'n jongen nou heel de tijd optrekken met zo'n klein meisje? Nou was Rachel ook niet dom: die kende een aantal gebeden in het Hebreeuws, en ook nog een paar in het Jiddisch.
[Vertelster valt weer kort uit haar rol]
Bovendien was Rachel heel mooi: ze had lange blonde haren, en ze had ogen zo blauw als korenbloemen. En zo glanzend dat niemand kon geloven dat die ogen blind waren. Menasje had zwart haar, en zijn ogen waren vroeger zwart geweest als rijpe kersen, maar nu waren ze witachtig van de staar. Menasje en Rachel waren zo aan elkaar gehecht, dat ze zich echt niet lieten scheiden. Het was chanoeka, het feest van de herinwijding van de tempel. Het was de zesde dag. Al zes avonden lang...[zelfcorrectie] al vijf avonden lang hadden ze met de andere kinderen samen spelletjes gedaan. Ook lekkere pannenkoekjes gegeten met suiker en kaneel. Die hadden rijke dames van de liefdadigheid voor hen gebakken. Maar deze avond hadden Menasje en Rachel helemaal geen zin om met de andere kinderen samen te spelen. Ze wilden veel liever met z'n tweetjes bij de chanoeka-lichtjes zitten.
"Menasje? Vertel eens een verhaal?"
"Moet ik je nou alweer een verhaal vertellen? Jij kent al mijn verhalen al. En hoe moet dat dan later als we getrouwd zijn? Dan heb ik niks meer te vertellen. Nee, vertel jij maar eens een verhaal."
"Ik, Menasje? Ik een verhaal vertellen? Maar ik weet helemaal geen verhalen."
"Hoe weet je nou dat je geen verhalen weet? Je moet gewoon net doen als ik. Als ze mij vragen om een verhaal te vertellen, dan begin ik gewoon te praten, dan wordt het vanzelf een verhaal."
"Echt? Nou... Je lacht me niet uit, hè...? Er waren eens een jongen en een meisje. En hij heette... Menasje en zij heette Rachel. En de mensen dachten dat ze blind waren, maar ze konden zien. Ik weet zeker dat Rachel kon zien. Andere kinderen die zien wat er om hen heen is, maar Rachel die kon binnen in zichzelf zien. Als mensen in hun bed liggen slapen, dan zien ze ook bomen en dieren en olifanten en giraffen... Nou, zo was het bij Rachel ook. Ze zag allemaal mooie dingen. En ze kon ook kleuren zien: geel en groen en blauw en nog veel meer kleuren. En soms dan gingen die allemaal door elkaar dansen, en dan werden het ineens vlinders. Of bloemen, of figuurtjes. Zie jij nooit eens, Menasje?"
"Ja, ik kan ook dingen in mezelf zien. En dan zie ik dingen van voor die tijd dat ik blind was. Dan zie ik mijn vader en mijn moeder, en mijn opa en mijn oma. En dat ik ziek in bed lag, in een kamer vol zonlicht. En een dokter met een hoge hoed, die zei dat alle gordijnen dicht moesten. Omdat zonlicht niet goed is voor kinderen met mazelen. Ik heb het je nooit verteld. Ik dacht dat je het niet zou begrijpen."
"O Menasje, ik begrijp toch alles? Als ik 's nachts in mijn bed lig, en ik kan niet slapen, dan zie ik gezichten, en ik zie bergen, en rivieren en weilanden en akkers met de maan erboven. Hoe de maan eruitziet? Nou, gewoon, heel rond; met twee ogen, een neus en een mond."
"Ja, dat klopt. Zo herinner ik me ook dat de maan eruit ziet. Als ik 's nachts niet kan slapen, en ik lig zo in mijn bed, dan zie ik soms dingen waarvan ik niet weet, of ze nou echt zijn, of dat ik ze maar fantaseer. Laatst zag ik een reus, nou, die was zo hoog; die kon helemaal met zijn hoofd tegen de wolken. Hij had horens en een neus zo lang als een olifantenslurf. En hij liep door de zee, maar het water kwam nog niet eens tot aan zijn knieën. Nou, dat heb ik toen tegen de beheerder van dit huis gezegd, maar die zei dat ik loog. Maar ik zag die reus echt, hoor!"
"Weet je, Rachel, misschien moeten wij onze verhalen, onze geheimen nog maar niet aan de mensen vertellen. Zolang we nog klein zijn tenminste. Dat kunnen we beter doen als we groot zijn."
"O Menasje, konden we maar vast groot zijn, en trouwen! Dan zou jij chanoeka-lichtjes aansteken, en ik zou pannenkoekjes bakken. We zouden onze verhalen vertellen aan onze kinderen, want die hadden we natuurlijk. Die zouden daar dan 's nachts van dromen."
"Ik droom ook. Ik droom van jou, Rachel. Dan zie ik een goudblond meisje."
"Menasje, ik droom ook van jou. Ik droom altijd van jou. En dan zie ik je zwarte haar en je blanke huid, en je neus, en je mooie ogen. Menasje, ik wil je iets vragen. Menasje, geef me eens een zoen! ... Ja, joh, dat mag wel! En d'r is toch niemand die het ziet? ... Ja, natuurlijk ziet God het, maar jij zegt toch altijd dat God in de harten van mensen kijkt? Nou, en in mijn hart ben ik allang met jou getrouwd. En dan mag het, hoor!... Hè, toe nou... De kinderen zijn allemaal aan het spelen. Die lachen ons niet uit. Toe, eentje maar... Zo, hier op m'n wang... Ha!... Menasje? Nou ga ik jou ook een zoen geven."
Smak. Hun hartjes klopten als hamertjes, en hun wangen gloeiden, toen de beheerder plotseling voor hun stond en vroeg waarom ze zo met hun tweetjes apart zaten.
"Waarom zijn jullie niet met de andere kinderen aan het spelen?"
Menasje legde uit, dat Rachel hem zojuist een verhaal had verteld. Een verhaal over een onbewoond eiland met leeuwen, tijgers, luipaarden en krokodillen, en twee kinderen die schipbreuk hadden geleden, en op dat eiland...
[Publiek lacht]
Maar de beheerder had geen tijd om daar allemaal naar te luisteren. Kinderen waren ruzie aan het maken, en daar moest hij naar toe. Maar Rachel was vol bewondering voor Menasje: dat 'ie zo maar weer een heel nieuw verhaal had bedacht. Maar dat verhaal vertellen we een andere keer.
[Applaus]
(Verteld op zondag 17 december 2000 tijdens een Kerst-vertel-concert in houtzaagmolen De Ster)

Beschrijving

Een blinde jongen en een blind meisje, twee joodse kinderen, trekken samen op in het weeshuis. Tijdens chanoeka vertellen ze elkaar verhalen, over wat ze in hun fantasie zien. Die fantasie wordt door de volwassenen niet erg gewaardeerd. De twee bekennen dat ze van elkaar houden en later zullen trouwen. Als de beheerder vraagt wat ze met z'n tweeën zitten te doen, weet de jongen meteen weer een nieuw verhaal op te dissen. Het meisje is erg trots op hem.

Bron

bandopname vertelsessie archief MI

Commentaar

17 december 2000

Naam Overig in Tekst

Tweede Wereldoorlog    Tweede Wereldoorlog   

Joods    Joods   

Menasje    Menasje   

Rachel    Rachel   

Hebreeuws    Hebreeuws   

Jiddisch    Jiddisch   

Naam Locatie in Tekst

Polen    Polen   

Lublin    Lublin   

Torah    Torah   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21