Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

TINNEV235

Een sage (boek),

Hoofdtekst

221.
Een mèèdje ha vekering met een jong. Daor ging ze geregeld met uut. Op een kier reje ze weg ien een koets. Onderweg zei de jong: "Ik mot ter effen uut". Hi'j klom uut de koets. Een mement later kwam der een wolf uut 't bos lope; den wol de dean aanvalle. Mao hi'j ging weer weg.
De jong kwam weerum en de dean vetelle eur, wat ze gezien had. Toe reje ze wiejer met eur beie. Ze leien aan ien een harbarg; toe schrok de dean, want zi'j zag dat de jong een draod van eur underrok tusse de tand had zitte. Daor had de wolf ien gebette. Die jong kon weerwolve.

Onderwerp

SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.    SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   

Beschrijving

Een meisje had verkering met een jongen en ging geregeld met hem uit. Op een keer reden ze weg in een koets. Onderweg zei de jongen: "Ik moet er even uit." Hij klom uit de koets. Even later kwam een wolf en wou het meisje aanvallen, maar ging weer weg. De jongen kwam terug en het meisje vertelde hem wat ze gezien had. Ze reden samen verder en gingen een herberg in. Toen schrok het meisje, want ze zag, dat de jongen een draad van haar onderrok tussen de tanden had zitten. Daar had de wolf in gebeten. Die jongen kon weerwolven.

Bron

Vertellers uit de Liemers samengesteld door A. Tinneveld, Wassenaar 1976, p.203.

Commentaar

Der zerbissene Tuch

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20