Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CJ045401

Een sage (mondeling), dinsdag 23 juli 1968

Hoofdtekst

Wij woonden in Winsum. Friesland. Daar het myn man de bloedspuwing kregen. Hij was zeven en dertig jaar toen is ie overleden. Ik bleef met vier kienders sitten.
De jongste was drie jaar. 't Waren arme tiden, ik kreeg vijf gulden onderhoud.
't Was in de eerste oorlog. Daar was geen seep te krijgen. We hadden kleizeep. Wij woonden in de Kerkeburen. Doe riep der een buurfrou over de huzen heen: "In de Bruggeburen kenne se allemaal een half pond seep krijgen!! Die frou die riep mij blied.
Ik in de midden en twa buurfrouwen an de kant, so gingen wij noar de winkel in de Bruggeburen.
Doe wij sowat bij de winkel waren sagen wij tegen de mure aan een stik of drie heel oude wyfkes staan. De middelste loopt der bij weg, en die gaf mij een stomp op de rug. Ik kon 't hele minske niet. Wij bleven stom staan. 'k Wist niet wat mij overkwam.
Doe kom ik thús. 'k Sei tegen myn man: "Wat is mij wat raars overkomen. Zo en zo is 't geval.
'k Liep in de midden en daar komt dat ouwe wyf bij de mure weg."
Myn man had de gek der met.
Fan dy tyd af begon ik te sukkelen. En dan waar 't nachts krekt of waren der wel duzent klokken bij ons in 't bed, so tikte dat altyd.
Doe sei 'k tegen myn man: "Hore jij dat niet?"
En dat ging altyd tot twaalf uur toe.
Né, hij hoorde 't niet. Ik wel. Altijd maar tikken - tikken.
"Och, jow jo del", sei myn man.
Van die tijd of werd ik stadichan minder. En dan op een morgen werd ik so benauwd, dat de buren kwamen bij mij en die belden dokter.
Toen ik bij dokter bij de tafel zat schreide die, want hij kende mij so goed. Zo'n meelijen had hij met mij. En hij sei met tranen in de ogen: "Dit duurt niet lang meer."
Ik was so benaud, ik kon haast niet ademhalen. Doe binne wij begonnen te stomen nacht en dag. Wij hebben voor zeven gulden petroalje verstookt. Doe bin ik stadichan weer wat beter worden. Maer doe bin wy út Winsum wei gaan naar Kollumerzwaag.
Wij hadden van die dikke fearen kussens. Ik sei: "Wij maken van twa maar drie."
De fader van myn man die holp mij, en ook een kostganger, oude Lútsen. Doe sei oude Lútsen ynienen: "Wat heb ik daar!" Doe haalde hij een krans út it kussen weg. En dat had de gedaante van een endfeugel. Kopke en oogjes, alles was der.
En 't zat met kramdraad in mekaar. Daaronder was speulgoed van myn kienders, zoals lapkes en zo. De feerkes zater er zo overheen.
Doe haalden se der nog een út. Volledig klaar. Krekt een endfeugel.
Doe haalden se der nog een út. Dat was de derde. En die was op it steertsje na klaar.
Ik had in verkeerde handen sitten. Ik was omtrint dood geweest.
Er zijn een heleboel mensen bij ons weest om die kransen te sien. Maar myn skoonmoeke wou dat niet meer hebben, die sei, se moesten maar ferbrand worden.
Maar ze wouden niet branden. Doe he we op 't laatst die kranzen maar bewaard. 't Waren krekt endfeugels. De frou, die mij de stomp op de rug gaf, die het it gedaan.

Onderwerp

TM 3101 - Heks maakt kind (mens, dier) ziek    TM 3101 - Heks maakt kind (mens, dier) ziek   

Beschrijving

Een vrouw krijgt bij een winkel een stomp van de middelste van drie oude wijfjes. Het oude wijf blijkt een heks: vanaf dat moment sukkelt de behekste vrouw met haar gezondheid. Als de vrouw bijna dood is, blijken er heksenkransen in de vorm van een eend in haar kussen te zitten. Twee kransen zijn al volledig; de derde is af op het eendestaartje na. Als de derde krans compleet was geweest, was de vrouw gestorven.

Bron

Collectie Jaarsma, verslag 454, verhaal 1 (archief Meertens Instituut)

Commentaar

23 juli 1968
Heks maakt kind (mens) ziek

Naam Locatie in Tekst

Winsum    Winsum   

Friesland    Friesland   

Kerkeburen    Kerkeburen   

Bruggeburen    Bruggeburen   

Kollumerzwaag    Kollumerzwaag   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21