Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

TAMB094 - Treck.

Een mop (kluchtboek), 1659

Hoofdtekst

Treck.
Zeecker uys-vader, op sijn verscheyden leggende, geboodt eenige der voornaemste van seecker Klooster, de selve beveelde hy zijn gans kappitael, zijnde omtrent 30000. guldens, mids, datse sijn Soon, als eenig erfgenaem, daer voor souden in't klooster houden, so hy daer lust toe had, en soo hy, tot sijn jaren komende, daer gheen lust toe hadt, datse hem dan soo veel van dit geldt souden geven, als sy self begeerden. De Klooster-vooghden namen dit aen, 't welck schriftelijck bevestight wierd, maer als nu den Soon tot zijn jaren ghekomen was, so begeerde hy by 't ghemeene volck, en [p. 67] niet in 't Klooster te leven. Versoeckende dan datse hem een reedelijcke penningh van sijn Vader kappitael souden ter handt stellen. Maer zy, schriftelicke volmacht hebbende, om hem soo veel te mogen gheven, als sy selfs begeerden: so gavense hem niet meer, dan 2000 guldens; seggende, dat hy moeste te vreeden wesen, alsoo ze hem wel met minder konden af-gheschaft hebben. Hy, daer-en-teghen sijn Vaders Testament wel wetende, en onthouden hebbende, daeghde haer voorden Rechter: voor den selven verschijnende, soo gaven de Klooster-vooghden haet gheschrift over, daer sy vermeenden bergh en dal mee te kunnen effenen. Maer als den Rechter las, dat ze hem niet meer behoefden te gheven, als sy begeerden. Soo voer den Daagher hier op uyt: Mijn Heer daer staet, datse my soo veel sullen geven als sy begeeren. Nu is het gants Kappitael, dartigh duyzent guldens; hier van gevense my twee duysent guldens, en sy begeeren self acht-en-twintigh duysent guldens: Soo moetense my dan acht-en-twintigh duysent guldens geven? Dewijl sy self soo veel begeeren. 't Welck den Rechter over wegende, soo wees hy 't minste aen de Klooster-vooghden, en 't geen sy self begheert hadden, aen de Erfgenamen, Waer over de Gedaeghden vry wat slecht op haer neus sagen.

Beschrijving

Een vader laat zijn kapitaal na aan het klooster waar zijn enige zoon zit. Als de zoon daar niet meer wil wonen, moet het klooster zoveel geld als zij begeren aan de zoon geven. Zij geven heel weinig en de zoon gaat naar de rechter en zegt dat ze zelf een groot deel begeren en dat eigenlijk aan hem moeten geven.

Bron

Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen

Commentaar

1659

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22