Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

TAMB127 - Sluyckerye.

Een mop (kluchtboek), 1659

Hoofdtekst

[p. 110]
Sluyckerye.
Onder andere wijsen van sluycken waer mede de Pachters bedrooghen worden, dunkt my desen niet een van de minste te zijn. Een Wijnkooper, befaemt veel uyt te tappen, en weynigh Impost te betalen, wierd om te betrappen, vande Pachters dapper vervolght, die sijn huys by nacht so wel als by dage soo gaaslaeghden, datter geen ratel-wacht van nooden was, om daer t gespuys van dieven af te weeren. Maer wat moeyte sy aenwenden konden hem niet achterhalen, het slimst van allen was, dat hy niet wou ontkennen dat hy slooc, ja hem selven vermat, dat hy in haer by-wesen, staende op sijn vloer, sluycken soude dat sy het saagen, en souden hem het selve niet beletten, dit docht haer onmogelick, om het weynig dat hy na haer gaf te kennen te gheven, neemet (van haer daer toe geport zijnde) aen, ontbiedt haer op soo en soo een uur te komen, sy wachten en wachten niet nae het uur, maer dencken om niet te laet te komen, laet ons liever een uur vroeger gaen, ghelijck sy doen, ondertusschen houdt hy haer in het voor-huys besigh met een goeden roemer Wijn, die al verscheyde maalen, om den mondt met praaten niet al te droogh te maken, rondt moest gaen. Sy met groot verlangen ontrent een uur gewacht hebbende, komen daer twee Brouwers Knechts, [p. 111] met een Brouwers water-ton daer Wijn in was, en Tafel-borden boven op dreven, als of het Water was, aen-totsen, en beginnen daer te roepen, of daer het heet water weesen most? de Meydt van achteren roept: jae, waer op sy de Ton voorby de Pachters heen (die elck een goeden Roemer Wijn onder den Neus hadden, en daerom niet ruycken konden, dat daer Wijn in de Ton was) in de kelder droeghen, daer leeg maeckten, en weer voor uyt gingen. De Pachters, daer nae het wachten verdrietende, vraeghden, waer sijn sluycken bleef? dat is al geschiedt, riep onsen Tapper; wy hebben 't niet gesien, seyden de Pachters, hoho sey de Wijn-kooper, kanick de Wijn voorby u lijf heen doen draghen, daerje op mijn vloer staet, onnoodigh is het datje mijn deur bewaekt, ick salse oock weten in mijn huys te krijgen, als ghy daer buyten bent, doen begondense de schelmerye te marken, hadden niet se seggen, maer gonghen deur, hoopende het hem op de een of de ander tijdt wel uyt te peperen, gelijk ook geschag, de kruyk gaet soo lang te water, tot sy breeckt, eens betaelt het al, segghen de dobbelaers, en soo speelen de Pachters mee. Sy kreegen hem dan eens onder de kluyten, doen was 't kruyst hem, kruyst hem, deden hem al sijn voorgaende pekel sonden so te nagelen en te teenen uyt sweren, dattet hem heugde; welke smaet hy op-kroppen most, doch kon dat [p. 112] brockje so niet verswelgen, of beloofde haer de selve binnen drie dagen op eenigerley wijse te betalen. Tot sluyken dorst hy hem niet weder begheven, maer hy wist dat de voornaemste Pachter een vuil woort veeltijdts in de mondt hadde, docht hem daer mede te behelpen. Hy krijght een arm man, doch een gauwert, by de kop, onderwijst hem hoe hy doen sal, gheeft hem een kluyt eens gegeten brood, by de Son hardt gebacken, mee, die komt by des Pachters huys, terwijl onse Wijn-kooper vast besich was met sijn breuck haer an te tellen) die niet klein was, wijlse seer geklaeght hadden voor den gerechte, dat de pachten hoog en door sodanige sluikeryen haer kassen leegh waren, en veel aen 't kantoor betalen mosten) klopt aen, wort in-gelaten, vraeght de Meydt na haer Meester, sy wil de boodtschap doen, ten mocht niet ghelden hy most de Man selfs spreken, ten laetsten komt Heer Pachter voor, dien de arme Man dus vraeghe: een Man mijn Heer, seydt hy, die wandelt en niet en handelt, moet die oock Impost betalen; wat een stront sey de Pachter (sijn ghewoonlick woordt) daer isse, mijn Heer, sey den armen; hem die in de handen duwende, en hem wegh packende, onse tapper, die in de zy-kamer was, dit hoorende, sprongh voor den dagh, en luyts-keels beginnende te lachen, voer dus uyt, soo, soo myn Heer, vul daer al jou leeghe kassen mee, en siet, of het kantoor 'er [p. 113] voor gangh-baer munt voor den Impost aennemen wil.

Beschrijving

Een wijnkoper smokkelt wijn zonder belasting te betalen, zelfs onder de ogen van de ontvangers. Later nemen de ontvangers wraak en laten de wijnkoper voor al zijn misstappen boeten. Eén van de ontvangers is nogal grofgebekt, en bij hem haalt de wijnkoper zijn gram. Hij laat een man een onzinnige vraag stellen, waarop de ontvanger een vloek met 'stront' laat horen. De man betaalt hierop meteen met 'stront' (eigenlijk uitgekauwd brood), waarop de wijnkoper vraagt of iedereen hiermee mag betalen.

Bron

Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen

Commentaar

1659

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22