Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SPORDS15 - 15. DE DRIE WENSEN

Een mop (boek),

Hoofdtekst

15. DE DRIE WENSEN
Er was eens een rijke man die erg veel goed deed. Op zekere dag gebeurde het dat de Here Jezus tijdens zijn omzwervingen op aarde met zijn apostelen aan het huis van die man kwam en om nachtverblijf vroeg. Natuurlijk waren zij welkom en ze werden kostelijk onthaald. De volgende ochtend vertrokken de gasten weer, maar Petrus bleef nog achter, want Jezus had hem opgedragen om die goede man te belonen. De man mocht drie wensen doen, maar 't was een hele toer om dat van hem gedaan te krijgen, want hij wilde geen beloning hebben voor hetgeen hij had gedaan. Maar toen Petrus bleef volhouden, zei de man: "Als ik het dan toch zeggen moet wat ik graag zou willen, dan vraag ik in de eerste plaats om nog honderd jaar in welstand te mogen leven. Ten tweede, dat als de een of andere kerel in mijn vijgeboom klimt, dat hij er dan niet meer uit kan komen zonder mijn goedvinden. En ten derde, dat als er iemand in mijn leunstoel gaat zitten, dat hij daar net zo lang moet blijven zitten als ik dat wil." "Alle drie je wensen zullen worden vervuld", zei Petrus, "maar 't spijt mij erg, dat je met geen verstandiger wensen voor de dag bent gekomen. 't Zou heel wat beter zijn geweest als je verlangens naar de hemelse zaligheid waren uitgegaan."
Toen nam Petrus afscheid van de man en hij reisde't gezelschap achterna. De man bleef dus nog honderd jaar flink en gezond doorleven en om de tijd door te komen, kaartte hij veel, waar hij van lieverlee zo knap in werd, dat geen sterveling het van hem met kaart spelen kon winnen. Maar toen de honderd jaar ten lange leste om waren, toen kwam dan toch de Dood en zei: "Kameraad, je tijd is om, nou moet je er aan geloven." "Zo, wat je zegt", zei de goeie man. "Doe me dan nog maar een plezier en pluk een paar vijgen voor mij uit mijn vijgeboom, dan zal ik in die tussentijd aanstalten maken voor de grote reis." De dood klom in de boom en zocht een paar mooie vijgen uit. Maar wat gebeurde er? De takken grepen hem vast en wat hij ook deed, het lukte hem niet om naar beneden te komen. De goeie man liet hem stil begaan en deed net of hij er helemaal niets van merkte. En zo bleef de Dood in de boom zitten en al die tijd stierf er niemand op aarde. De Dood ging toen zachtjesaan begrijpen dat het zo niet langer kon en hij beloofde de man, dat hij weer honderd jaar mocht blijven leven, als hij hem vrij zou laten. Dat gebeurde en de man leefde nog eens honderd jaar en hij werd een steeds knapper kaartspeler, waar hij hoe langer hoe meer geld mee verdiende.
Maar ook de tweede eeuw ging voorbij en toen klopte de Dood weer aan zijn deur en zei: "Vriendje, je tijd is om, nu moet je sterven." "Ja", zei de man, "daar is nu niets meer aan te veranderen. Ga nu maar even in die stoel zitten, dan ben ik dadelijk tot je dienst." De Dood ging zitten, maar toen was hij weer gevangen. En of hij nu al raasde van kwaadheid, 't hielp hem geen steek. Hij zat vast en hij bleef vast. Van toegeven wou hij niets weten en zo bleef hij wel een half jaar lang op de stoel zitten. De goeie man stoorde zich daar niet aan, want hij wist maar al te goed dat zijn nieuwe kameraad hem toch niets kon doen en 't slot van het liedje was natuurlijk dat de Dood, om weer los te komen, opnieuw honderd jaar uitstel moest beloven.
Die jaren waren maar net voorbij of de Dood was weer present en nu pakte hij de man dadelijk beet en sleepte hem mee, voordat hij de gelegenheid zou hebben hem weer een streek te leveren. En zo ging de man dan toch eindelijk ter ziele. Eerst klopte hij aan de poort van de hemel, maar Petrus zei: "Waarom heb je toentertijd niet gewenst om zalig te worden? 't Spijt mij, maar ik kan jou niet in de hemel toelaten." "Wat niet kan, dat kan niet", zei de man en hij sloeg de richting van de hel in. Daar deden ze hem dadelijk open en toen hij bij Lucifer was aangeland, zei hij: "Eigenlijk hoor ik hier niet thuis, maar Petrus wou mij in de hemel niet toelaten, omdat ik zo veel van kaart spelen hou. Wat zou je ervan denken als we samen eens een partijtje gingen kaarten?" Lucifer was daar wel voor te vinden en ze spraken met elkaar af, dat als Lucifer zou winnen de goeie man dan in de hel zou blijven, maar in het andere geval zou zijn ziel vrij zijn. Zo begonnen ze dus te spelen. 't Was waarlijk geen wonder dat de man, die dat werkje al honderden jaren had gedaan, dat spelletje won. Toch verwachtte Lucifer nog dat de kans zou keren en hij bleef net zo lang doorspelen, totdat de goeie man nog twaalf andere zielen van hem had gewonnen. Toen kwam er een eind aan en de man koos de twaalf zielen uit en ging met dat gezelschap weg uit de hel. Zo kwam hij met zijn twaalf volgelingen weer aan de hemelpoort en vroeg aan Petrus om te worden binnengelaten.
"Neen", zei Petrus, "daar komt niets van in. Ik heb je al gezegd dat ik je niet binnen mag laten."
"Dat mag nou wel waar wezen", zei de man, "maar ben je soms al vergeten dat Onze Lieve Heer op 'n goeie dag met zijn twaalf apostelen aan mijn huis kwam om onderdak te vragen? 't Gaat hier nou eigenlijk om hetzelfde geval. In de hel kunnen wij geen onderdak vinden en in de hemel ook al niet. Strijk nou maar je hand over je hart en laat ons binnen."
Daar had Petrus toch wel enigszins oren naar en hij vertelde het geval aan Onze Lieve Heer en die vond het goed dat de man met de twaalf andere zielen werd binnengelaten. En zo kwam de rijke man per slot van rekening toch in de hemel.
(Den Haag)

Onderwerp

AT 0330 - The smith outwits the devil    AT 0330 - The smith outwits the devil   

ATU 0330    ATU 0330   

Beschrijving

Een man biedt onderdak aan Jezus en de apostelen en mag als beloning drie wensen doen. Hij wenst nog honderd jaar te leven en een vijgeboom en een stoel waaruit iemand niet weg kan zonder zijn wil. De man leeft nog honderd jaar, en als de Dood hem komt halen, laat hij hem in de vijgeboom klimmen: de Daad wordt pas verlost als de man nog honderd jaar mag leven. Daarna komt de Dood in de stoel vast te zitten en leeft hij nog honderd jaar. Ondertussen wordt de man onverslaanbaar met kaartspelen. Als de Dood hem uiteindelijk haalt, wil Petrus hem niet in de hemel toelaten. De man gaat naar de hel en wint met kaartspelen de zielen van twaalf mensen. Daarmee keert hij terug naar de hemel, en wordt hij toegelaten als hij zijn eigen gastvrijheid in herinnering brengt.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Spokerijen in Rijnland, Delfland en Schieland. Sagen, legenden en volksverhalen, veelal uit de volksmond opgetekend. Zaltbommel 1977. p. 23-25

Commentaar

The smith outwits the devil

Naam Overig in Tekst

Onze Lieve Heer    Onze Lieve Heer   

Petrus    Petrus   

Jezus    Jezus   

Lucifer    Lucifer   

Dood    Dood   

Here Jezus    Here Jezus   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20