Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV011 - Van den slimmen Jan.

Een sprookje (), 1894

Hoofdtekst

Van den slimmen Jan.

Er was ereis een man en die kon de huur van zijn huis niet betalen. De huisheer zei: "Hoor eens, Jan, dat gaat zoo niet langer; als jij de huur niet betalen kunt, dan moet je er maar uit." "Och," zei Jan tegen zijn vrouw, "we moeten onze eenige koe maar slachten, dan hebben we weer wat om te eten en met het geld dat het vel opbrengt kunnen we onze huur betalen." Het was wel hard, maar er zat niets anders op; Jan slachtte zijn koe en ging met het vel naar de markt. Maar al stond hij drie uur in wind en regen te wachten, er kwam niemand naar het vel kijken. Het werd al avond en hij wist niet wat te doen, want zonder geld kon hij toch niet thuis komen. Nu stond hij vlak voor het stadhuis en daar werd in een van de zalen licht opgestoken, zoodat hij door het raam kon zien dat de heeren van het stadhuis een massa geld zaten te tellen. Jan dacht: "Ik wou dat ik dat geld had," maar lang bedacht hij zich niet: hij sloeg het koevel om en vloog brullend de trap van het stadhuis op. Toen de heeren een stier zagen aankomen schrikten ze, gingen op den loop en lieten geld en al in den steek. Jan kroop uit het vel en vulde dat met geld en bracht het naar huis. "Vrouw," zei hij, "ga naar buurman en leen zijn aardappelenmaat: ik wil het geld eens meten." De vrouw deed het, en Jan meette drie spint geld aan dubbeltjes en kwartjes. Nu ging hij den volgenden dag de huishuur betalen. "Wel," zei de huisheer, "hoe kom je in eens aan zooveel geld?" "O," zei Jan, "ik heb een beest geslacht en de vellen zijn duur aan de markt tegenwoordig. Ik heb voor het mijne drie spint geld gekregen." "Drommels," dacht mijnheer, "dan zal ik ook een paar beestenvellen verkoopen," en hij stuurde zijn knecht naar de markt met de vellen van zijn twee beste melkkoeien. Toen die nu op de markt stond kwam een Jood naar den prijs vragen. "Drie spint zilvergeld," zei de knecht. "Nah! dat heb ik met mijn heele familie niet," zei de jood: "drie spint zilvergeld! Maar ik wil je een twee gulden geven." Daarvoor kreeg hij ze echter niet en hij liep weg en andere koopers liepen ook weg, en de knecht kwam onverrichter zake weer thuis. "Heb je ze niet verkocht?" "Neen, mijnheer, want ze wilden er nog geen tien gulden voor geven." Toen begreep mijnheer dat Jan hem voor den gek had gehouden, en hij ging naar hem toe!
Maar Jan zag hem aankomen en zei tegen zijn vrouw: "Daar komt de huisheer en als hij me uitscheldt moet jij me ook uitschelden; dan zal ik je doodsteken, en laat dan verder alles maar aan mij over." Hij bond een darm met bloed onder de kleren van zijn vrouw, en juist was hij daarmee klaar toen de huisheer binnenkwam. "Zoo, bedrieger, vind ik je daar! schaam je je niet iemand zoo te beliegen en te bedriegen?" "Ja," riep de vrouw, "u hebt wel gelijk. Jan is een gemeene vent. Hij deugt niet: hij liegt tegen mij ook altijd." "Zoo," zei Jan, "ondeugend wijf, vind.je dat?" en hij nam een mes en gaf haar een steek dat het bloed uit den darm spoot en zijn vrouw achterover viel. "Wel, wel," zei mijnheer, "dat is ook wat moois, daar heb-je nu je vrouw doodgestoken." "O," zei Jan, "dat is niemendal; dat heb ik wel meer aan de hand gehad en mijn vrouw is er al aan gewend. Ik zal haar wel weer levend maken." Toen nam hij een gewoon cents-fluitje en floot er driemaal op en zijn vrouw was weer springlevend. Mijnheer dacht: "Dat fluitje moest ik hebben," en hij zei: "Hoor eens, Jan, dat fluitje moet je mij verkoopen." "Stellig niet," zei Jan. "Maar ik wil er je een goeden prijs voor geven." "Toch niet," zei Jan, "ik wil het niet missen." Eindelijk bood mijnheer duizend gulden en toen gaf Jan hem zijn zin. Nu ging mijnheer, die anders nooit zoo iets deed, naar de herberg en dronk zich dronken en ging toen naar huis. Zijn vrouw zei: "Maar man, ben-je gek geworden? Wat is dat nu voor manier van doen? Eerst zoo maar twee beste melkkoeien tegelijk slachten en dan het geld in de herberg er doorbrengen: 't is schande!" "Hou je stil, mensch! of ik steek je dood," want daar had hij groote lust in nu hij toch het fluitje had, waarop hij maar driemaal hoefde te blazen om haar weer levend te krijgen. Hij maakte zoolang ruzie totdat zijn vrouw eindelijk driftig werd en zei: "Vent, je bent dronken!" Dat kon hij niet hooren en hij vloog op haar af en stak haar dood. "Dat is niets," dacht hij en begon te fluiten: driemaal, zesmaal en nog meer, maar het gaf niet; het mensch was dood en bleef dood.
Woedend ging hij nu naar Jan toe: "Jou bedrieger, je hebt alles weer gelogen!" Maar Jan had hem weer zien aankomen. 't Was tegen etenstijd en de pot met erwtensoep stond te borrelen op het vuur. "Vrouw," zei hij, "daar komt de huisheer. Zet gauw den pot achter de deur en dek het vuur toe; de soep blijft nog wel wat doorkoken; hij is flink aan de kook." Toen de huisheer nu den pot achter de deur zag, staan koken, vroeg hij: "Jan, wat is er in dien pot dat zoo kookt." "O," zei Jan, "erwtensoep. Wij koken in dien kunstpot altijd zoo maar zonder vuur: we zetten den pot eenvoudig achter de deur en dan kookt hij vanzelf." "Zoo," zei mijnheer, "en wat vraag-je voor dien pot? want nu mijn vrouw dood is moet de meid al het werk doen en het zou heel gemakkelijk wezen als ze niet voor het eten behoefde te zorgen." "Ja," zei Jan, "ik moet er minstens een zak vol geld voor hebben; dat is de pot wel waard, want ik moet nu weer altijd hout en turf koopen." Jan kreeg het geld en mijnheer nam den pot mee naar huis en zei tegen de meid, dat ze er de aardappels en het andere eten maar in moest doen en den pot achter de deur zetten, dan werd het wel vanzelf gaar. "Ja," dacht de meid, "Jan zal je wel weer gefopt hebben," maar ze was gehoorzaam en zette den pot achter de deur. Ze kon toch niet laten er telkens naar te kijken, maar de aardappels bleven net zoo rauw als ze er in gegaan waren. En toen mijnheer 's middags thuis kwam en eten wilde, zag hij dat Jan hem weer had beetgenomen.
Dadelijk ging hij weer naar Jan toe: "Dat is toch al te erg, nu heb-je me weer bedrogen. Maar nu was het voor het laatst; mijn geduld is uit en je zult verdronken worden." Hij had een paar knechts meegenomen en die stopten Jan in een zak, bonden dezen dicht en sleepten hem naar het water. Maar het was een heel vrachtje, en toen ze bij een herberg kwamen, nam mijnheer de knechts mee naar binnen om een glas bier te drinken en ze lieten Jan zoolang in den zak buiten de deur. Jan had alles gehoord, maar hij kon den zak niet uit. Daarom bedacht hij een list en toen hij een voorbijganger hoorde aankomen, riep hij hardop: "Wie wil 's konings dochter trouwen? Wie wil 's konings dochter trouwen?" Het was een boer die daar met een troep schapen voorbijkwam. Hij luisterde en ging naar den zak toe en zei tegen Jan: "Dat wil ik wel." "Goed," zei Jan, "ik wou niet en daarom willen ze me verdrinken. Maak den zak maar los." Dat deed de boer en hij kroop in den zak en Jan bond dien stevig toe. Toen de mannen uit de herberg kwamen schreeuwde de boer zoo hard als hij kon: "Ja, ik wil wel! ik wil wel !" "Nu," zeiden ze, "dat is goed dat je wel wilt; want al wou je niet, je moest toch!" en meteen gooiden ze hem in 't water en de boer verdronk.
Jan was intusschen met de schapen naar huis gegaan, en toen hij 's middags buiten was kwam hij zijn vijand tegen "Wel hewel, Jan, waar kom jij vandaan? Ben-je het zelf?" "Wel zeker ben ik het zelf," zei Jan, "en ik zal u vertellen waar ik vandaan kom. Daar beneden in de gracht was van alles: neen maar, zoo prachtig, u kunt het niet gelooven! En van alles wilden ze me geven: ook een rijtuig met zes paarden; maar dat kon ik er alleen niet uit krijgen." "Half mijn!" zei mijnheer, "Jan, dan zal ik je wel helpen." "Goed," zei Jan, "kruip dan maar in den zak: ik zal er zoo wel inspringen." Mijnheer kroop in den zak en Jan rolde hem in 't water, maar mijnheer is er niet met een koets met zes paarden weer uit gekomen.

Onderwerp

AT 1535 - The Rich and the poor Peasant    AT 1535 - The Rich and the poor Peasant   

ATU 1535    ATU 1535   

Beschrijving

Een slimme man kan zijn huur niet meer betalen en heeft geld nodig. Eerst steelt hij geld uit het stadhuis door zich in een koeienvel te steken en veel lawaai te maken. Vervolgens houdt hij zijn huisheer voor de gek door net te doen alsof hij zijn vrouw doodsteekt. Door op een fluitje te blazen is ze weer springlevend. De huisheer koopt het fluitje voor veel geld en probeert zijn eigen vrouw te doden en vervolgens weer tot leven te wekken. Omdat het fluitje geen toverkracht bezit, blijft ze natuurlijk dood. Vervolgens probeert de slimmerik de huisheer te laten geloven dat hij een kookpot heeft die zonder vuur kan koken. De huisheer koopt voor veel geld de pot, om er vervolgens achter te komen dat hij bedrogen is. De huisheer is woedend en wil de man verdrinken. Hij bindt hem in een zak en gaat wat drinken in de herberg. Ondertussen haalt de man een boer over om de zak open te maken en er zelf in te gaan zitten, met de belofte dat de boer met de dochter van de koning zal kunnen trouwen. De boer verdrinkt in zijn plaats. Wanneer de slimme man zijn huisheer weer tegenkomt, vertelt hij dat hij onder water de grootste rijkdommen aangeboden gekregen heeft. De huisheer wil dit met eigen ogen zien en laat zich in de zak in het water gooien. Hij verdrinkt.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 13 (1901), pp. 247-251 N°9

Motief

K113 - Pseudo-magic resuscitating object sold.    K113 - Pseudo-magic resuscitating object sold.   

K112.1 - Alleged self-cooking kettle sold.    K112.1 - Alleged self-cooking kettle sold.   

K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.    K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.   

Commentaar

1894
vgl. CBOEK011
Vertelster: een dienstbode (van haar grootvader geleerd)
The Rich and the poor Peasant & AT 1539: Cleverness and Gullibility

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Mijnheer    Mijnheer   

Jood    Jood   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20