Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ZEEUW008 - Het Ronde Putjen (een volkssproke).

Een sage (boek), 1923 - 1932

Hoofdtekst

Het Ronde Putjen (een volkssproke).

Van de sage van het melkmeisje, dat water in de melk doet, en daarom na haar dood moet rondwaren, al roepend:
Half water, half melk,
Te scherp gemeten,
De ziel vergeten.
is op Walcheren een eigenaardige variant bekend, voor het eerst door den dichter H. J. Schimmel, meegedeeld als

Het Ronde Putjen (een volkssproke).

Wat stapt lief Elsjen langzaam voort,
Als waar 't te zwaar een vracht,
Wat ze onder 't juk aan 't sneeuwwit koord,
Zoo vaak te torsen placht;

Als schuimde en karnde er niet de melk
In 't wit geschuurde vat,
Die ze iedren morgen bracht aan elk
Der klanten in de stad:

En die ze altoos had rond gevent,
Zoo vroolijk, zonder grief,
Dat jong en oud haar ginder kent,
Als lachend Elsjen-lief,

Wat of haar heden deeren mag!
Hoe spijtig of ze pruilt!
Als of nog nooit een schalke lach
Dat koontjen had gekuild.

En Japik-buur die haar van veer
Ziet naadren op den weg,
Loopt van zijn bouwland heen en weer
En gluurt door 't groen der heg;

Vergast zich aan haar mooi gelaat,
Dat uit het mutsjen kijkt!
Zoo stijf geneept, dat keurig staat
In witheid sneeuw gelijkt.

"Ja," zucht hij, "'t is een lieve meid,
En lukt de bouw me goed..."
Maar hoe, schoon hij 't "goê morgen" zeit,
Van haar geen wedergroet?

Wat of lief-Elsjen deeren mag,
Of 't hem een blaauwtjen spelt?
O, dat hij haar in 't harte zag,
En speurde wat haar kwelt!

Nog gister bij het veêlgekras,
De danspartij der jeugd,
Waar ze altoos meest gevierde was,
Der knapen lust en vreugd,

Had ze in haar jak van blaauw katoen,
Met rank en bloem gesierd,
Gepofmouwd naar het laatst fatsoen,
De rijen doorgezwierd;

Maar plotsling kwam toen Grietjen-buur,
Die ze altoos had veracht,
Aan d'arm van Krelis in de schuur,
En, — ongeloofbare pracht!

Een kap met goud, met zuiver goudl
"Och, koper is 't misschien."
"Neen, neen," had Elsjen toen gegraauwd,
"Ik heb de keur gezien."

't Werd Grietjen voor, 't werd Grietjen na,
En Elsjen zat alleen;
Ze sloeg de rijke afgunstig gâ,
En pruilend ging zij heen.

Ze sliep geen uur, de gantsche nacht
Toch kraaide reeds de haan,
Eer zij met juk en vat bevracht,
Weêr steêwaards was gegaan.

"Een kap met goud — die is zoo duur,"
Ze rekent, rekent weêr —
Maar zij kocht baai, en van haar huur
Rest naauw een gulden meer.

"Als ze eens den spaarpot van den baas...!
"'t Waar stelen, — neen dat nooit
"En Griet? die vent in stad de kaas,
"Hoe zij 't wel heeft geplooid?"

"Ze kocht van 't haar geen kap met goud!"
Dus peinzend stapt ze voort,
Tot waar men door het kreupelhout,
De toren ziet der poort.

Rechts van den weg, in 't lustprieel,
Voor 't vuur der zon beschut,
Den rand bekleed met mosch-fluweel,
Bornt spiegelklaar de put.

Die reeds sinds menschenheugenis,
In d'eigen vorm bestond,
En 't water, altoos even frisch,
Deed wellen uit den grond.

Ook Elsjen leschte er vaak haar dorst;
En thans reeds wandlens moê,
Rept zij met zweet en stof bemorst,
De voet naar 't putjen toe.

Daar heft ze reeds het melkmaatje 'op,
Dat haar een dronk belooft;
Maar reeds bij d'eersten waterdrop
IJlt, wart haar iets door 't hoofd.

"Het water mengt zich goed met melk,
"'k Vergroot alzoo mijn schat;
"Ik breng 't gewone maatje' aan elk
"Der klanten in de stad."

"Den baas zijn geld; — 't is braaf, 't is vroê —
"Ik blijf van diefstal vrij.
"Ik breng aan niemant nadeel toe,
"En 'k hou genoeg voor mij."

Ze strekt de hand naar 't waterbad,
Spiedt rond, ze beeft er van.
Ze plenst het water in het vat;
Niet een, die 't proeven kan!

Ze ventte rond en ging weer heen;
Haar schoot puilde uit van 't geld.
De laatste schijn van angst verdween,
Toen zij had opgeteld.

Wat winst zij reeds bij de eerste keer
Gegaard had voor hààr deel.
Ze draait het muntstuk heen en weêr,
't Is morgen eens zoo veel.

Zoo gaat het weken, weken voort.
Het putjen blijft haar trouw;
't Geweten wordt niet meer gehoord,
Het hart kent geen berouw.

Ze slaat alleen haar oogleên neêr,
Als Japik-buur haar groet.
Toch wist ze niet van schaamte meer,
En hield voor elk zich goed.

Ze hield zich goed, zelfs toen de baas
Ter peerde steêwaards joeg,
En thuisgekeerd aan Elsje' en Klaas,
In naam der klanten vroeg:

"Hoe komt de melk zoo dun en blaauw?"
Want puntig sprak ze snel:
"Ja baas! 't is vreemd, maar 'k vatte 't gaauw,
"De blaerkop is niet wel."

't Bedrog woog nooit zoo zwaar als toen:
Hoe haar de boezem joeg!
Maar kon zij 't slechts nog eenmaal doen; —
Dan had zij gelds genoeg.

Zij keerde, — mét het rijk kleinood.
Naauw is 't haar tasch vertrouwd,
Of weêr nieuwsgierig woelt zij 't bloot,
Bewasemt zij het goud.

Zij kan niet meer den lust weêrstaan;
Ze bindt om 't hoofd haar tooi.
Ze kijkt schier iedren wandlaar aan,
Als vroeg ze: "Staat het mooi?"

Och als ze thands een spiegel had!
Maar wacht, het putje' is daar;
Geen spiegelglas was ooit zoo glad,
Weêrkaatste 't ooit zoo klaar.

Ze huppelt door het kreupelhout,
Buigt over 't putjen heen.
Wat plompt er neder? God! haar goud
Schoot los, zonk neêr, verdween.

Ze grijpt het na; het baat niet meer,
Een stem rijst uit den vloed:
"Wat van mij kwam, keert tot mij weêr,
"Nooit dijt gestolen goed."

Onderwerp

SINSAG 0003 - "Was von mir kam, kehrt zu mir zurück."    SINSAG 0003 - "Was von mir kam, kehrt zu mir zurück."   

Beschrijving

Elsje, een melkmeisje, wil 'n gouden kap net als Grietje en lengt de melk aan met water om meer te verdienen. Als ze echter haar gouden kap in het waterputje bekijkt, valt hij in het water en verdwijnt in de diepte, waarop een stem uit de put zegt: "Gestolen goed gedijt niet."

Bron

J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 10-14

Commentaar

voor 1933
"Was von mir kam, kehrt zu mir zurück."
Schimmel, Verspreide Werken, 53-64

Naam Overig in Tekst

H.J. Schimmel    H.J. Schimmel   

Elsjen    Elsjen   

Japik    Japik   

Grietjen    Grietjen   

Klaas    Klaas   

Krelis    Krelis   

Naam Locatie in Tekst

Walcheren    Walcheren   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20