Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

PIGGEL01 - Van het Tovervisje

Een sprookje (boek), 1971

1210.jpg

Hoofdtekst

Van het Tovervisje
Een oud sprookje opnieuw verteld en berijmd

In het land der blonde duinen
En niet heel ver van de zee,
Woonde eens een dwergenpaartje
En dat heette "Piggelmee".

't Waren heel, heel kleine mensjes
En ze woonden - vrees'lijk lot,
Want ze hadden heel geen huisje -
In een oude keulse pot.

Voor de zon en voor de regen
- Nooddruft had hun dat geleerd -
Hadden zij die stenen pot met
d'Opening naar de grond gekeerd.

Toen een gat er in geslagen,
Klein, maar groot genoeg toch voor
Hun zo kleine dwergenlijfjes
En daar kropen zij dan dóór.

't Vrouwtje zorgde voor het eten
Maar... dat eten moest er zijn,
't Ventje ging dus daag'lijks jagen,
Schoot een haasje of konijn.

Met een heel, heel klein geweertje,
Dat gaf niet zo'n grote klap
En dan ging hij op zijn klompjes,
Met zijn konijntje vlug op stap.

Zó nu wist dat dwergenpaartje
Zich te schikken in zijn lot
En zij leefden vele jaren
In hun omgekeerde pot.

Toen, wie had dat kunnen denken?
- 't Onverwachte komt altijd -,
Door een onverwachte tijding
Werd hun hart door hoop verblijd.

Op een mooie zomermorgen
Lazen z'in de "Dwergenkrant"
Dat er was... een "tovervisje"
Komen zwemmen naar het strand.

't Visje dat met staart en vinnen
Vlug zich door de golven sloeg
Kon je alles, alles geven
Als je 't hem maar nederig vroeg.

Doodstil werd het op die morgen
In de oude keulse pot,
Want de beide dwergjes dachten
Aan hun droef en arm'lijk lot.

... Nederig vragen... alles krijgen...
Alles en... zij hadden niets.
... 'n Visje, dat... zo mooi kon toveren...
Toveren? ... "manlief, zei je iets?"

"Ik? - Neen" - "Zou je... manlief... durf je
Niet eens naar dat visje gaan?"
"Vrouwtjelief, dat doe ik zeker,
Vóór je 't zei, dacht ik er aan."

"En,... wat wou je hem dan vragen,
Als je heus dat visje sprak?"
"... 't Allereerst, dunkt mij, een huisje
Met een schoorsteen en een dak."

"'n Huisje, ècht, een heuslijk huisje?
Durf je dat te vragen man?
Zo een huisje met een deurtje
Waar je echt in wonen kan.

Ik, nog éénmaal in een huisje!
Mens? wie had dat ooit beleefd,"
En haar kleine oogjes glimmen
Van de vóórpret die ze heeft.

En... des morgens in de vroegte
's And'rendaags ging Piggelmee,
Klossend op zijn kleine klompjes
Door de duinen naar de zee.

"Visje!" riep hij reeds van verre
Met zijn handjes voor de mond,
"Visje, kan ik je eens spreken,
Zwem je hier in d'omtrek rond?"

En toen klonk er plots als antwoord
Uit de verre, wijde zee,
Zacht een zilver stemgeluidje:
"Riep je, ventje Piggelmee?"

"Ja ik! Ja ik!" riep het ventje
En hij trilde van genot;
"Visje, och geef mij een huisje,
'k Woon maar in een stenen pot."

"Ga maar! Ga maar!" riep het visje
"'t Geven kost mij niemendal.
Ga maar gauw naar huis m'n ventje,
Want je huisje staat er al."

En... vergetend te bedanken
Liep het dwergje, dol van pret
Naar... zijn pot, maar waar die stond, was
Nu een huisje neergezet.

Uit één van de vele raampjes
Riep zijn vrouwtje, o! zo blij,
"Piggelmee! wat zeg je dáár van?
Kijk eens hier, hier wonen wij."

Piggelmee zag met verbazing
Nu zijn keurig huisje staan
En hij wilde door het deurtje
Als een heertje binnen gaan.

Maar zijn vrouwtje kwam naar buiten
"'t Huisje is wel aardig, maar
't Zou je binnen niet bevallen,
Want het is nog lang niet klaar.

Je moet daad'lijk op je klompjes
Nog eens naar de zee gaan, man,
Want een huisje zonder meubels,
Kijk, wat hebben wij daar an!

Vraag het visje een paar stoelen
En een tafel en een bed,
En... gordijnen voor de raampjes,
Want dat staat zo keurig net.

En nog meer, wat wou ik zeggen,
Ja, zo véél nog, ga maar vast
Er moet nog een spiegel wezen
En ook nog een linnenkast."

Vrolijk fluitend, op zijn klompjes,
Ging het dwergje Piggelmee
Weer naar 't strand en riep van verre:
"Visje! Visje! in de zee!!"

Onbeweeg'lijk bleef de verte,
Niets te zien in zee en lucht
Dan een eenzaam strandpluviertje,
Dat zijn heil zocht in de vlucht.

Toen kwam weer dat stemgeluidje,
Zilverzacht uit verre zee:
"Riep je mij nog eens m'n baasje?
Riep je, dwergje Piggelmee?"

"Ja ik!" riep verheugd het dwergje,
"'k Dank je voor het huisje wel,
Maar ik wou zovéél nog hebben,
Meubels en gordijnenstel."

"Ga maar! Ga maar!" riep het visje,
"'t Geven kost mij niemendal,
Ga maar gauw naar huis m'n ventje,
Want je meubels staan er al."

Toen het dwergje thuis kwam, vond hij
Druk zijn vrouwtje in de weer
Met het boenen van de meubels
En zij sprak als d'eerste keer:

"Man, je moet nog weer terug gaan,
Want het visje is zo goed,
Vraag voor mij wat mooie kleren
En een mantel en een hoed.

Voor je zelf een flink paar schoenen
Want, zoals je zelf wel ziet,
Met die klompjes aan je voeten
Pas je in ons huisje niet."

En... ofschoon hij nu wat moe werd
Ging het dwergje Piggelmee,
Klossend op zijn kleine klompjes
Wéér naar 't visje in de zee.

Gaarne liep hij door de duinen
Maar het werd hem nu wat saai,
Boven hem vloog hoog een zeemeeuw,
Vóór hem uit een Vlaamse gaai.

"Visje!" riep hij reeds van verre,
"'k Zou 't niet wagen weer zo gauw
En zovéél te komen vragen,
Maar ik moet wel voor mijn vrouw.

Kijk, ze wil wat kleren hebben
En een mantel en een hoed
En voor mij een flink paar schoenen;
't Visje, zegt zij, is zo goed."

"Ga maar!" riep opnieuw het visje
"Och! ik kèn de vrouwtjes wel,
Je zult thuis reeds alles vinden
Ga maar heen en loop maar snel."

En het dwergje thuis gekomen
Vond zijn vrouwtje reeds gekleed,
Zich bekijkend in de spiegel
En ze sprak: "Het doet mij leed

Piggelmee, je moet teruggaan,
Want ik kan met goed fatsoen,
Nu niet uitgaan, als ik weg ben
Wie zal hier de boel dan doen?

Ga het visje nu nog zeggen
Dat het zó niet langer kan,
Dat voor 't boenen en het koken,
Ik een hulp moet hebben, man."

Piggelmee keek nu zijn vrouwtje
Voor het eerst gramstorig aan,
Maar hij durfde niets te zeggen
En... enfin... hij zou maar gaan.

Onderweg dacht hij nog telkens
Aan zijn stulpje van weleer
En... dat hij het nu zo goed had,
Maar... hij floot geen liedje meer.

"Visje!" riep hij reeds van verre
"Visje, visje, in de zee!!"
"Roep je weer?" vroeg nu het visje
"Roep je, dwergje Piggelmee?"

"Ja ik!" riep beklemd het ventje
"Och! mijn vrouwtje wou zo graag
Bij haar werk een hulpje hebben
Een meisje is 't, waar ik om vraag."

't Visje gaf niet daad'lijk antwoord,
't Was als of het even dacht,
Maar toen klonk wéér 't stemgeluidje:
"Dwerg, dat heb ik wel verwacht.

Ga naar huis, je zult er vinden
Alles netjes aan de kant
En een meisje vlug en helder
Ook een uit het dwergenland."

Piggelmee, vermoeid van 't lopen
Ging naar huis, zijn vrouwtje was
Ook zo even thuis gekomen,
Maar niet bijster in haar sas.

"Piggelmee, je moet teruggaan,
Daad'lijk, 'k ben er op gesteld,
Onderweg wou ik wat kopen,
't Was zo mooi, maar... 'k had geen geld.

Ga het visje nu nog vragen,
Om wat geld, een volle zak,
'k Moet het meisje toch betalen,
Dáárna, neem je je gemak."

't Ventje ging met lome schreden
Nog een keer naar 't visje heen,
't Was intussen laat geworden,
't Strand lag éénzaam en alléén.

Voor zijn voeten sloop een wezel
Azend op een duinkonijn,
En het ventje schrikte even,
Want och! hij was zelf zo klein.

"Visje!" riep hij reeds van verre
"Visje, visje, in de zee!!"
"Riep je?" klonk het nu weer vrolijk,
"Riep je? vrindje Piggelmee?"

"Ja ik!" riep verruimd het ventje,
"Ja! mijn vrouwtje stuurt mij weer,
't Meisje moet ze nu betalen
En wat kopen en zo meer.

In ons huisje is nu alles
Wat gemak en vreugde biedt,
Zegt mijn vrouwtje, maar dat éne,
Geld, zegt zij, dat heeft ze niet."

"Ga maar!" riep nu plots het visje,
"'t Geven kost mij niemendal.
Daar had ik om moeten denken,
Ga naar huis, het is er al."

't Visje ging nu naar de diepte,
't Ventje ging naar huis, 't werd nacht.
... In het aardig dwergenhuisje,
Was een zak vol geld gebracht.

's And'rendaags was 't heel gezellig
In het nieuwe dwergenhuis.
Piggelmee, die niet meer jaagde,
Bleef nu met de koffie thuis.

"Vrouwtje" sprak hij toen, "de koffie
Smaakt mij niet, zij is niet goed,
Laat toch eens een beet're halen
Geld is er in overvloed.

In onze oude, droeve dagen,
Wonend in die stenen pot,
Dronken wij dezelfde koffie,
Dat is nu toch àl te zot."

"Ja manlief, wat zal ik zeggen
't Meisje vroeg vanmorgen nog
In de winkel beet're koffie
Ze betaalde meer en toch...

't Schijnt dezelfde wel te wezen,
Weet je wat je doen moet, man;
Ga maar eens aan 't visje vragen,
Waar ik beet're krijgen kan."

"Dat's een plan," sprak nu het ventje,
's Middags nog ging Piggelmee,
Nu op schoentjes, niet op klompjes
Naar het visje in de zee.

"Visje!" riep hij reeds van verre,
"Vriend'lijk visje, beste maat,
Ik kom nu niet om te beed'len,
Maar ik kom bij jou om raad.

'k Drink zo graag een goed kop koffie
Onze koffie is zo slecht.
Wáár toch kan ik beet're krijgen,
Visje, wáár kan ik terecht?"

Nu werd plotseling het water
Vlak nabij een rimp'lig vlak,
Waar het glanzend tovervisje,
't Zilv'ren snuitje bóven stak.

En het sprak zo klaar en helder
Veel te wijs nu voor een vis:
"Pakjes koffie van VAN NELLE
is de BESTE die er is.

En je kunt ze alom krijgen,
Maar als je ze halen laat,
Laat het meisje erop letten,
Dat de naam op 't pakje staat."

"Dankje," sprak het dwergenventje,
"Dankje visje, voor die raad
En je kunt er vast op reek'nen
Dat 'k die koffie halen laat."

Vrolijk waren nu de dagen
In het nieuwe dwergenhuis.
Ging het paartje wel eens wand'len,
Met "de koffie" was het thuis.

Want "Van Nelle's Pakjes Koffie"
Deed hen spoedig huiswaarts gaan
En ze dronken vele kopjes,
Ja... er kwam geen einde aan.

't Was het meisje opgevallen
En die zei het hun terstond,
Dat ze nu zovéél kon zetten
Uit een enkel half pond.

Maar helaas, wat is op aarde
Blijvend, ook tevredenheid
Wijkt zo vaak voor nieuwe wensen
Wordt verdrongen door de tijd.

Zó... 't is vele maanden later
Zien we vriendje Piggelmee
Daag'lijks weer zijn wand'ling maken
Naar het visje in de zee.

Dan een "dit" en dàn een "datje"
Altijd was het voor zijn vrouw
En altijd als hij terugkwam,
Had vriend Piggelmee berouw.

Soms waarom de melk zo schiftte,
't Gas zo suisde. 'n And're keer
Wie toch beter brood haar bakte,
't Brood was lang niet lekker meer.

En zo ging het alle dagen,
's Morgens vroeg of 's avonds laat
Moest hij 't visje wat gaan vragen
En... het visje werd niet kwaad.

Eéns, het was zo koud die morgen,
Moest onze arme Piggelmee,
Hij wou juist wat langer slapen,
Toch naar 't visje, toch naar zee.

Want - kijk hier - "Van Nelle's koffie
Was wel heerlijk, dáár niet van
Maar ze wou nog beet're hebben,
... "Vraag het maar aan 't visje, man."

En... het kraagje van zijn jasje,
Voor de koude hóóg nu dicht,
Ging het arme Piggelmeetje
Naar de zee, met bang gezicht.

"Visje, Visje," klonk het angstig,
Over 't water als een kreet.
"Visje, 'k moet je weer wat vragen
En dat doet nu echt mij leed.

Zie mijn vrouw is zeer tevreden
Met "Van Nelle's" koffie, maar
Ze wou tóch van 't visje weten
Of er beet're is en wáár???

Visje, ik wou heus niet komen,
Want ik dacht wel, dat wordt mis,
Daar er toch geen beet're koffie
Dan "Van Nelle's" koffie is."

Plotseling kwam er op het water
Nu een brede rimpelkring,
Wijl het anders kalme visje
Nu heel boos aan 't spart'len ging.

En zijn antwoord klonk heel driftig
Als uit dicht geschroefde keel:
"Dwerg, ga daad'lijk naar je vrouw toe
Zeg haar dit: zij eist te veel.

Beet're dan "Van Nelle's" koffie
Is er op heel d'aarde niet,
't Geen wel ieder kan begrijpen
Die die naam op 't pakje ziet.

Zeg haar, dat ik haar zal straffen,
't Spijt mij wel voor jou m'n vrind,
Ga naar huis en ga eens kijken
Hoe je dáár de toestand vindt."

Langzaam aan verdween de rimpel
Die op 't water zichtbaar was,
't Visje dook en... als een spiegel
Werd de wijde waterplas.

Piggelmee stond nog te kijken
Toen, in 't naad'rend avonduur
Ver in zee de zon ging zinken
Als een bol van laaiend vuur.

Diep verslagen ging hij henen,
Angstig nu voor dreigend leed,
Hoog in 't blauw verdween een reiger
Met een aak'lig schorre kreet.

Sloffend liep hij door de duinen
En zijn schoentjes wogen meer
Dan hem ooit zijn klompjes wogen
In de dagen van weleer.

Toen hij meende, dat hij thuis was
Keek hij als beteuterd rond,
Want de keulse pot stond dáár weer,
Waar zo straks zijn huisje stond.

En zijn vrouwtje zat te huilen
"Piggelmee, wat vrees'lijk lot,
Weer, nu weer te moeten wonen
In die oude keulse pot.

Och! en ik zou nóg niet klagen
Als 'k behalve jou m'n schat,
Van "Van Nelle's" pakjes koffie
Maar mijn dagelijks kopje had."

Na een nacht van weinig slapen,
Bibb'rend van verdriet en kou,
Ging ons vriendje wéér naar 't visje
Daar hij 't nog wat vragen wou.

"Visje" galmde over 't water
Nu zijn roepen als een snik,
"Visje, kom nog even boven,
Hoor mij aan, één ogenblik.

Thuis, mijn schuldbewuste vrouwtje
Zit te huilen in haar pot,
Maar ze zou zich tóch getroosten
Haar zo droef en arm'lijk lot

Als ze van "Van Nelle's" koffie
Nog één enkel pakje had,
"Zeg aan 't visje," riep ze schreiend
"'t Ergste wat ik mis, is dàt.""

"Ventjelief" sprak nu het visje,
"Wat ik doe, doe ik voor jou,
Want ik heb geen medelijden
Met je ontevreden vrouw.

Wat je zegt is wèl begrijp'lijk,
Zulks is altijd het geval.
Ga getroost naar huis m'n ventje,
Want zo'n pakje is er al."

Thuis gekomen vond het ventje
't Leven heerlijk weer en goed.
... Van "Van Nelle's pakjes koffie,"
Kwam de geur hem tegemoet.

Tot het einde hunner dagen
Zat het eenzaam dwergenpaar
Steeds "Van Nelle's" koffie drinkend,
In-gelukkig bij elkaar!

Onderwerp

AT 0555 - The Fisher and his Wife    AT 0555 - The Fisher and his Wife   

ATU 0555    ATU 0555   

Beschrijving

Dwergenechtpaar dat onder een stenen pot woont, leest dat een tovervisje wensen vervult als het nederig wordt gevraagd. De vrouw stuurt haar man steeds voor nieuwe wensen naar het tovervisje, en is steeds minder tevreden. Het tovervisje wordt boos als de vrouw nog betere koffie wil dan Van Nelle, en straft met het terugbrengen van de oude toestand. Als de man smeekt om een half pakje Van Nelle koffie schenkt ze dat, waardoor het echtpaar altijd deze koffie kan drinken.

Bron

L.G. Steenhuisen: Van het tovervisje. Een oud sprookje opnieuw verteld en berijmd. Rotterdam 1971. Oorspr. dr. 1920

Commentaar

1971 (oorspr. 1920)
Zie onder beeld voor de eerste pagina
The Fisher and his Wife

Naam Overig in Tekst

Piggelmee    Piggelmee   

Van Nelle    Van Nelle   

Keulse    Keulse   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20