Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN013 - Kaïn

Een sage (), 1918

pl06.jpg

Hoofdtekst

Kaïn
Nog is Waleram's bloed ongewroken. In het land van Limburg klinkt
zijn stem, ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten,
doch geen echo laat ze na.

Waleram en Reginald van Valkenberg waren twee broeders, en beiden
beminden ze met gelijke liefde de dochters des graven van Kleef,
Alixe. Zij hadden er nog niet met elkander over gesproken, hoewel zij
van oudsher gewoon waren, elkaar hun geheimen te belijden. Zij reden
uit, en praatten over jacht en tournooi, over heldendaden en soms
over een minstreel, die op het kasteel van Valkenberg had gespeeld,
nimmer echter over Alixe van Kleef en hunne liefde.

Een waren zij tezamen zonder doel uitgereden. Er was in beiden een
geheime begeerte: dat zij het slot van Kleef mochten bereiken. Zij
lachten met elkander om onverschillige dingen. Eindelijk zeide
Reginald:
"Het is jammer, dat het slot van Kleef zoo ver verwijderd is. We
zouden anders kunnen trachten, er nog vóór den avond te komen."
Stil besloot Waleram, de wonde niet te toonen, welke hem pijnigde. Hij
betoomde zijn verlangen en antwoordde:
"Wat zouden wij in het slot van Kleef moeten vinden, Reginald?"
Zijn broeder haalde diep adem.
"Niets. Ik peinsde alleen over den grooten afstand."
Het was Waleram's beurt, om meer te zeggen dan hij wilde:
"Zullen wij een wedstrijd houden, wie 't eerst aan 't slot van
Kleef is?"
Reginald aarzelde. Zou zijn broeder het geheim bemerken, wanneer hij
toegaf? Beter ware het onverschilligheid te huichelen.
"Waleram! heden ben ik te moede."
"Moede--gij moede, Reginald? Als gij niet met me gaat, rijd ik alleen."
De wedloop begon. Ze zetten hun edele paarden aan, nu eens was Reginald
de eerste, dan weder Waleram. Zeker zouden ze tegelijkertijd nog
vóór den avond het slot hebben bereikt, zoo Waleram's paard niet was
gestruikeld, en dus Reginald eerder dan hij Kleef binnenreed. Nadat
hij zijn naam had geroepen, liet de wachter de slotbrug neer, en de
graaf met zijn dochter wachtten hem.

Het was niet met een blijden lach, dat ze hem begroette. Even slechts
zag ze hem aan, daarna staarde ze langs hem heen, over den weg,
en vroeg:
"Waar is Waleram, uw broeder?"
Liever had hij gewenscht, dat ze hem een dolk in 't hart had
gestoken. Bekommerde zij zich meer om zijn broeder dan om hem? Drift
deed zijn brein duizelen, en eerst met bovenmenschelijke moeite wist
hij zich te bedwingen, om arglistig te lachen:
“Ge weet misschien niet, Alixe, dat mijn broeder een slecht ruiter
is, zooals hij zich onbekwaam voelt in alle dingen, die eens ridders
zijn. Daarom heb ik hem verre achter mij gelaten, temeer, daar mijn
verlangen, om hier te zijn, mij aandreef."
"En hebt ge dan niet op uw broeder gewacht?"
"Mijn verlangen was sterker dan mijn broederliefde."
"Ge zult wel vermoeid en hongerig zijn van den langen tocht," sprak
de graaf hoffelijk, "volg ons naar de zaal."

Nauwelijks waren zij gezeten, of de wachter voegde zich bij hen, en
meldde, dat een tweede ruiter naderde. Toen schitterde Alixe's oogen,
en vroolijk riep ze:

"Dat is Waleram."

Hij trad binnen, met stof bedekt, en hinkende. Zij liep hem tegemoet,
en heette hem met juichende stem welkom. Reginald wendde zijn blik
van hem af; onwillekeurig zette zich Alixe naast Waleram.

"Ik was zeker tegelijkertijd met mijn broeder Reginald gekomen,"
zoo sprak hij, "zoo niet mijn paard gestruikeld was. Vandaar ben ik
met stof overdekt."

Alixe zeide:

"Ge zijt ons welkom, hoe ge ook zijt."

Waleram ging voort:

"Ik was verwonderd, dat mijn broeder mij niet wachtte, en verder
reed, zonder zich om mij te bekommeren. Zeker heeft hij niet gezien,
dat mijn paard struikelde."

Reginald hief 't hoofd op, en lachte schamper:

"Ik meende, dat hij weder zulk een slechte ruiter was, zooals ik het
Alixe heb verhaald. Gewoonlijk laat ik hem ver achter mij, daar ik
bedrevener dan hij ben."

Waleram liet de vuist op tafel zinken, en riep:

"Zoo Reginald mijn broeder niet ware, zou het zwaard tusschen ons
beslissen."

"Vertelt gij het sprookje, dat gij machtiger zijt dan ik, Waleram? De
wedstrijd moet nog gestreden worden, waarin gij overwint."

"Neen!" riep de graaf van Kleef, "zoo moogt gij beiden niet
voortgaan. Het is niet goed, als broeders kampen. Beiden zijt ge
dappere ridders, en dat moet u genoeg zijn."

Alixe was opgestaan. Haar stem klonk toornig, terwijl zij uitriep:

"Het is Reginald, die dit begon. Waleram moest antwoorden, daar hij
uitgedaagd werd. Het is Reginald, die Waleram den roem niet gunt. Nooit
heb ik van hèm gehoord, dat hij Reginald belasterde." Ze zette zich
weder naast Waleram. Zij zwegen allen daarna. Hun gedachten sloten
ze op. De broeders aten. Het duister van buiten legde een troebele
schaduw door 't licht der zaal.

Alixe stond op, en liet de drie mannen tezamen. Aan den drempel
wenschte ze hun een goeden nacht. Het was Waleram, dien ze daarbij
aanzag.

Nadat zij alleen gelaten waren, duurde het zwijgen voort. Het scheen,
of er, toen de nacht genaderd was, geen menschen meer waren, zóó stil
bleven zij in hun zwijgen. Eindelijk--met moeite--zacht klonk zijn
stem--was het de graaf van Kleef, die sprak.

"Broeders! Waleram en Reginald--bij alles, wat u heilig is en mij,
gaarne gaf ik u beiden mijn dochter, Alixe, als dit mogelijk was. Daar
Gods bestuur niet veranderd kan worden, zeg ik u, dat mijn dochter
hem kan kiezen, dien ze mint. Zweer het mij, dat gij elkander als
broeders zult liefhebben, welken man zij ook nemen wil. Want zoowaar
als de vriendschap van vele mannen door de liefde verdwijnt, zoo zeg
ik u als oud man: verwerp de vriendschap nooit lichtvaardig."

De twee broeders zwegen, en de graaf ging voort als een smeekeling:

"Zweer het mij, Waleram en Reginald, dat gij elkander--"

"Waarom noemt ge den naam van Waleram het eerst?" riep Reginald
rauw. "Hebt gij hem evenals Alixe meer lief dan mij? Ge denkt het
eerst over hem."

Waleram liet zijn vuist op tafel zinken.

"Ik duld uw beleedigingen niet meer, en ik noem u geen broeder. Zoo
gij mij Alixe niet gunt, zij er vijandschap tusschen ons."

"Ik neem uw uitdaging aan, wanneer Alixe heeft verklaard, wie ze
liefheeft, mij of u! Van dat oogenblik zijn wij vijanden van elkander."

"Niet zoo," smeekte, de graaf van Kleef, "liever heb ik, dat geen
van beiden mijn dochter verwerven zal."

Zij drieën wisten, dat het onheil niet te keeren viel. Den volgenden
morgen reden de beide broeders heen, en Alixe's stem zong achter hen:

"Waleram! keer spoedig bij ons weder. Waleram! keer spoedig bij ons
weder. Reginald ... Waleram! Waleram! Waleram."

Het was kort daarna, dat Alixe Waleram beloofde, zijn vrouw
te worden. Reginald vluchtte uit het land, en men was daarom
gelukkig. "Want"--zoo meende men--"nu zal hij zichzelf tegen een booze
daad willen beschermen. Over eenige jaren zal hij op den Valkenberg
terugkeeren, en de twee broeders zullen weder tezamen uitrijden,
gelijk 't hun gewoonte was." Sommigen zeiden, dat hij als boeteling
ter bedevaart was getrokken, en zeker is het, dat Waleram en Alixe
op hun huwelijksdag niets wisten dan hun geluk, en zich niet om het
loerende gevaar bekommerden.

In den nacht reden ze naar het slot van Valkenberg. Zij zetten hun
paarden tot meerderen spoed aan, en heel hun geluk lag besloten in
't ééne verlangen: dat ze uit de verte de tinnen en torens mochten
zien rijzen uit het duister van den maanlicht-nevel. Woorden kenden
zij niet meer.

Stapvoets deden ze hun paarden over de brug rijden. Alles was
stil. Tastend in den donker, vast-omsloten, naderden zij het
slaapvertrek.

Toen ontviel zij zijn armen. Hij zocht in den diepen nacht naar haar,
waar zij gevallen was.

"Alixe!" riep hij.

Hij hoorde haar stem, verre--

"Vaarwel Waleram! Uw broeder--Zijn dolk was scherp--Waleram
... vaarwel!"

Hij voelde, dat hij bij den keel werd gevat. Hij wilde zich
verweren. Hij tuimelde over 't lichaam van Alixe, achterover ... de
linkerhand van zijn broeder omknelde zijn keel ... de rechter, met
het mes gewapend, zocht en vond zijn hart. Even nog snikte hij ....

"Broeder! gij hebt ons vermoord. Wraak over u!"

Reginald rende heen. Bij den maanlichten weg was een kleine beek. Hij
boog zich voorover, en waschte zijn bebloede handen.

O wonder! toen hij de handen ophief, zag hij, dat het bloed niet
verdwenen was. Nogmaals neigde hij zich; en legde de handen neer in
de wild-stroomende beek. Het water sloeg over zijn vingers, langs
zijn vingers--

Hij trok nu weder zijn handen naar zich toe. Het bloed stroomde op
den grond. Het bloed bleef op de huid, en geen enkel waterdropje
mengde er zich door.

Dichtbij de plaats, waar hij stond, woonde een kluizenaar. Tot hem
ging Reginald, en wankelend trad hij de eenzame cel binnen. Hij toonde
hem de bebloede hand.

"Vader!" zoo weende hij, "ziet mijne handen, rood van bloed. Ik heb
mijn broeder vermoord--red mijn ziel. Bid, dat mijn handen weder
worden als weleer. Bid voor mij, en geef mij uitkomst."

"Zulk een zonde," huiverde de kluizenaar, "is niet in mijn macht,
om te vergeven. Ik zal echter voor u bidden, van dezen avond tot aan
den morgen, en misschien, dat God uitkomst geeft."

Hij zonk op zijn knieën neder, zijn handen hemelwaarts vouwend. Hij
smeekte voor den armen zondaar om God's ontferming. Doch God antwoordde
hem niet, tot den morgen, nadat hij den geheelen nacht niets had
gedaan dan bidden.

Het was licht, toen hij opstond.

"Hoe vreeselijk telt uwe zonde bij God, die Kaïn niet heeft
vergeven. Één antwoord is er gekomen, ridder--moge zij tot uw heil
strekken. Reis Noordwaarts, steeds naar het Noorden--het is 't eenige,
dat ik u zeggen kan."

Ze scheidden.

Hij trok Noordwaarts.

Hij kwam door kleine dorpen en door groote steden. Landen, waarvan
hij nooit had gehoord, zwierf hij door. Hij at niet en rustte
niet. Wanneer hij honger had, of slaap zwaar over zijn oogleden lag,
zijn ziel met nevelen vullend, rook hij aan zijn handen, en de geur
van het bloed dreef hem. Menigmaal was er een schaduw in het bosch,
welke hij voorbijging--en dan had hij een duizeling, die dreigde hem
neder te storten. Dan keek hij naar zijn roode hand.

Soms, in een stad, hoorde hij den lach van een vrouw, en hij wilde
stil-staan, om haar te bezien. Zoo schoon was die lach--

Eens sprak een meisje tot hem. Haar stem klonk als die van Alixe.

"Waar wilt gij heen-gaan, ridder? Blijf bij mij."

Hij zag naar zijn hand.

"Waarom zwijgt gij, ridder? Als ge me aanziet, hebt gij me lief."

Hij wendde zijn schuwen blik naar haar. Hij had het willen zweren, dat
het Alixe was, die naast hem schreed. Hij bedwong zich met alle kracht.

"Ga heen, Alixe, of wie gij zijt. Mijn ziel moet rust vinden,
mijnhanden moeten van het bloed bevrijd worden."

Als een nevel week ze.

Vele andere verzoekingen kwamen tot hem.

In een uur van wreeden honger, kwam hij een bakkerswinkel voorbij. Een
milde geur vulde de straat. Hij gevoelde met schrik, dat hij alles
voor één bete broods zou kunnen vergeten. Hij sloeg zijn handen aan
den mond, en likte het bloed. Toen moest hij Noordwaarts trekken,
en als een damp, die door zwaren wind wordt bewogen, vervloog de geur
van het brood.

Voor den ingang van een bosch, wachtte hem eens een ridder. De punt
van zijn zwaard was naar hem gericht, en hij riep met luide stem:

"Reginald van Valkenberg! ge zult moeten strijden, vóór ge hier
binnentreedt."

Vertoornd over zulk een beleediging, wilde ook hij zijn wapen vatten,
en met den vreemden ridder strijden. Op hetzelfde oogenblik, bedacht
hij, dat het bloed van zijn broeder aan zijn hand kleefde, en hij
peinsde in zichzelf:

"Beter is het te sterven dan te leven. Misschien is dit wel God's wil,
dat hij mij dooden zal. Doch mij is bevolen, Noordwaarts te trekken."

Hij ging verder en zonder aarzelen liep hij den vreemden ridder
tegemoet. Hij verwachtte, dat het zwaard hem door 't hart zou gaan. Dit
gebeurde niet. Het paard en de dreigende ruiter aan den ingang van
het bosch gleden weg als een klein wolkje aan de blauwe lucht--Geen
hinderpaal bestond er voor hem.

Nadat vele dagen weder waren voorbij gegaan, zag hij aan den weg een
schoone jonkvrouw liggen, wier handen en voeten gebonden waren.

"Red me"--aldus smeekte ze, "een draak bewaakt mij, en eeuwig zal ik
geboeid blijven, als ik niet verlost word."

Het was hem, of hij uit een droom ontwaakte. Reeds wilde hij zijn
stem doen klinken, en haar vragen, waar zich de draak ophield. Hij
gevoelde met blijdschap, dat hij moedig was. Hij zou in staat zijn,
den draak te overwinnen. Vóórdat hij echter zijn zwaard trok, zag hij
zijn handen, en 't bloed stroomde op den grond. Hij sprak geen woord,
en volgde zijn noodlot. Haar stem klonk thans achter hem:

"Lafaard! uw moeder zal zich schamen, dat gij haar zoon zijt."

Zonder om te zien, liep hij verder. Eensklaps hield de stem op,
en hij wist ook, dat deze vrouw niet had bestaan, en dat hij weder
zichzelf had overwonnen.

Hij trok Noordwaarts.

Eindelijk zag hij in de verte een blauwe streep, lager dan de weg,
waarop hij ging. Verwonderd bemerkte hij, dat de blauwheid niet hoog
was, zoodat het geen woud of berg kon zijn, die hem tegen wilden
houden, en ook was het niet de horizon, daar de lijn te strak was
gespannen en er geen nevel aan rustte.

Wat was het daar vóór hem?

Hij hoorde een geruisch, dat aan den stormwind deed denken. Doch zelfs
bij den hevigen stormwind zijn er seconden, dat het gerucht luwt. Hier
was het een geluid, dat staag aanhield, en zichzelven gelijk bleef.

Plots doordrong het zijn bewustzijn, dat het de zee was, vóór hem. Het
was de wijde zee en de klank der zee. Het verbaasde hem, dat er
geen schip op dreef. Zou het zijn dood zijn, Noordwaarts trekkend,
te verdrinken? Of zou al dit water het bloed van zijne handen kunnen
wasschen? Al dit water ...?

Toen zag hij, dat er aan het strand een boot lag. Hoe ze daar zoo
plots was gekomen, wist hij niet. Op het vaartuig stond een man.

Hij naderde.

De man riep:

"Ben je daar eindelijk, Reginald van Valkenberg? Ik heb lang op
je gewacht."

"Wie zijt gij?" vroeg de ridder.

"Kom bij mij."

Zóó gebiedend werd dit gezegd, dat Reginald gehoorzaamde.

"Ga mede."

Reginald volgde hem. De boot schommelde--en voer weg naar de wijde zee.

In de verte was een groot schip. De wind sloeg bol door de zeilen.

De man noodigde hem met een stil gebaar, dat hij op het schip zou
overgaan, en hij liep hem voor naar't onderste ruim. Daar verdween hij.

Er stond een tafel en stoelen. Twee gedaanten, een witte en een zwarte,
zaten aan de tafel en wezen hem zijn plaats.

De zwarte gedaante haalde een paar beenen dobbelsteenen voor den dag,
en zij en de ridder begonnen te spelen om Reginald's ziel.

Zonder stuurman en roer vaart het schip, nu al bijna
zevenhonderdjaren. Zevenhonderdjaren wordt er gespeeld om Reginald's
ziel, en eerst op den jongsten dag zal het spel eindigen.

In Limburg klinkt Waleram's stem, en ze roept ten Noorden en ten
Westen, ten Zuiden en ten Oosten:

"Moord! moord!"

Twee lichten dwalen, als de stem, die geen echo heeft, klinkt.

En dit zal duren tot den jongsten dag.

Onderwerp

SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.    SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   

Beschrijving

Twee broeders Reginald en Waleram hebben beiden hun zinnen gezet op de jonkvrouwe Alixe. Als Alixe voor Waleram kiest ontsteekt Reginald in woede en vermoord zijn broeder Waleram en Alixe. Als hij het bloed van zijn handen wil wassen blijkt dat het bloed aan zijn handen is gehecht. Na een lange reis als boeteling komt hij uiteindelijk aan bij de zee. Hier ligt een boot op hem te wachten met daar aan boord een witte en een zwarte gedaante die tot op de dag van vandaag om zijn ziel dobbelen. In Limburg spoken de geesten van Alixe en Waleram nog steeds rond.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.74

Commentaar

1918
Voor een afbeelding, zie beeld.
Opmerking Cohen:
KAÏN (blz. 74-82). Algemeen bekende overlevering, reeds door Wolf
behandeld, ook door Welters, Limburgsche Legenden. Ik hoop, dat de vorm, waarin ik ze hoorde, door velen op prijs gesteld zal worden. Wolf was er trouwens, helaas! de man niet naar, om een dergelijk mooi verhaal goed weer te geven.
Andere Tote spuken & SINSAG 1128. Unausloschliche Blutflecken

Naam Overig in Tekst

Waleram    Waleram   

Reginald van Valkenberg    Reginald van Valkenberg   

Alixe    Alixe   

Alixe van Kleef    Alixe van Kleef   

Vader    Vader   

God    God   

Westen    Westen   

Zuiden    Zuiden   

Oosten    Oosten   

Naam Locatie in Tekst

Limburg    Limburg   

Valkenburg    Valkenburg   

Kleef    Kleef   

Kaïn    Kaïn   

Noorden    Noorden   

Plaats van Handelen

Valkenburg (Limburg)    Valkenburg (Limburg)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20