Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN016 - Brammert en Ellert

Een sage (), 1918

pl08.jpg

Hoofdtekst

Brammert en Ellert

Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan
geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat,
moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.

Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert
was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij
terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één
van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven:
òf Ellert wist het òf Brammert, doch één van de beiden altijd.

's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde
klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een
touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden
naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat
hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij
niet. Want ze roofden en moordden geenszins dáárom. Ze roofden en
moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld
zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel
wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger
hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden .... Ze waren
ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de
ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt,
en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden,
wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar's schaduw,
als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.

Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim
kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen
meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde--daar Ellert niet
dadelijk wakker was geworden--eenigen tijd voor ook de zoon het
lijk ontdekte.

Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche
bron met water. Maar Ellert--met zijn domme verstand (had hij niet
drie duim minder aan hersenen?)--dacht dadelijk, dat Brammert den
sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:

"Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal,
ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.

Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den
volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert
Brammert met luide stem toe:

"Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje."

"Wat meen je daarmee, zoonlief?" vroeg Brammert.

"Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt."

"Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders
had de man niet bij zich en dat is niet veel."

"Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu
maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen
woord meer over."

"Haha," dacht Brammert, die de slimste was, "nu verklap je jezelf,
zoonlief.--Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel
in mijn bezit heb." Dit dacht hij, hij sprak echter:

"Meen je, dat ik jou 't nu zal vertellen, als ik den sleutel
heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de
grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner
dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak."

Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen
later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was,
die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord
en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.

"Waarom," peinsde hij, "is Brammert altijd de eerste? Dat is
gemakkelijk te begrijpen ... hij wil den sleutel hebben, en mij
die niet geven." Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er
voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest
bewegen. Eindelijk, de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar
altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar
hem toe, en zeide:

"Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?"

"Hoe zou ik dat weten, zoonlief?" vroeg Brammert, die had geleerd,
dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.

"Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt."

"Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?"

"Bij den koopman!"

"Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door
zorgen gekweld."

"Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd."

In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:

"De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik
heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos
vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat
er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn
vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen
zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs
vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter
ben dan hij." Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd
over hèm dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning
hebben gevoeld.

"Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan
overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan
hij .... Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?"

Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust
elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden
naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend
volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade
menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen,
Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik
hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die
spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had
gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den
geur van 't bloed zouden behouden.

Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld:
hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen
gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en
telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de
dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen,
aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.

Hij wist 't, en 't gonsde in zijn hersenen:

"Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan
hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan
kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is,
overwint hij me niet."

Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het
dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen
de klokken te luiden.

Brammert en Ellert schoten toe.

Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg--een vervolgd mensch:
de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste
der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.

"Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op 't veld. Nu hebben wij
iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen,
als ze gewond zijn," schertste hij.

"Laat mij gaan" smeekte het meisje.

"Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je
ook niet dood maken.

Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden
Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van
vrees en verdoemenis, doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken:
"Zoo'n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En 't mooiste is, dat
ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot 't geluk niet bij zich
kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat
er nog nooit een vrouw op 't veld geweest is, zullen wij haar houden."

Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in
zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein
en ongelukkig schepsel ontmoet .... Een stille glimlach, en een
trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje
keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk,
dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te
beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was
tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot
het geluk ... Een doffe pijn was er om zijn hart ... dat het jonge
meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert
haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd
scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En
eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn
ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk
had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het
eind zijner dagen.

Eenzaam liep hij over 't veld, en hij steunde luid als de
stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo
groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart,
als 't jonge meisje had gedaan.

"Brammert heeft den sleutel tot 't geluk," schokte het op in zijn
brein, "en ik mag toekijken .... Hoe moet ik me er van meester
maken? Ik wil zoo graag .... Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem
dooden, zoodra ik kan."

Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.

"Vannacht nog," fluisterde een booze stem, "als hij nederligt, 't
hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren pin door de hersenen,
en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven,
zoodra hij dood ternederligt."

Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Elbert
hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in
zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld
verlaten, verre zijn van zijn verleden.

Het was de laatste nacht, dat hij nog op 't land doorbracht.

Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de
Brammertshoop wordt genoemd. Hij was bedwelmd door zijn geluk, diep en
zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen,
toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk
was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer
wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans
daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert's gelaat. Een
glimlach bewaakte zijn slaap.

"Hij heeft den sleutel tot 't geluk" dacht Ellert.

Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert's voorhoofd,
ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden
bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede
bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.

Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem
weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in
zijn bloed:

"Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in
verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit
zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ...."

Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt,
en stiet het zich in 't hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder
een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.

Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld.
Het was een land van vloek en verdoemenis.

Onderwerp

TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen    TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen   

Beschrijving

Twee reuzen, een vader en een zoon, beroofden en vermoordden iedereen die in hun veld kwam, omdat hun was geprofeteerd, dat eens iemand het veld over zou trekken met de sleutel van geluk. Beiden misgunden elkaar de sleutel. Een meisje dat in hun handen valt besluiten ze te houden en haar het huishouden te laten doen. Het meisje glimlachte als Brammert haar benaderde, en weende als Ellert haar benaderde. Na een tijdje beseft Ellert dat Brammert de sleutel van geluk heeft gevonden en hij er geen toegang tot heeft. Vlak daarna doodt hij Brammert die op een heuvel ligt te slapen. Echter in zijn hoofd hoort hij vervolgens stemmen dat hij nooit de sleutel van geluk zal vinden en daarom steekt hij zichzelf met zijn zwaard in het hart. Sinds dien heet de heuvel Brammertshoop en het veld Ellertsveld.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p. 89

Commentaar

1918
Voor een afbeelding, zie beeld.
BRAMMERT EN ELLERT (blz. 89-95). Geen der sagen van Nederland leeft
wellicht zóó voort als deze. Hier is 't een jong meisje, dat door de
beide roovers wordt gevangen gehouden, en dat ten laatste Brammert
(of Ellert) met eet scheermes 't hoofd afsnijdt; ze wordt dan door den
overledene nagezeten, die haar, op de wijze der witte wiven, een bijl
nasmijt, welke tegen de deur aankomt. Zij is gered! Ook hoort men,
dat ze Ellert lief krijgt, en dat ze door Brammert wordt vermoord,
of dat ze Brammert liefkrijgt en door Ellert vermoord wordt (hierom
moet Ellert rondspoken, tot aan den jongsten dag op de Drentsche
heide; de kleine kinderen worden bang voor hem gemaakt, zooals wij
in onze jeugd voor den boeman of een politie-agent). De klokken, die
aan touwen worden gebonden, om de roovers te waarschuwen, vindt men
echter steevast terug (vgl. 't aardig werkje: J. van der Veen, Nieuw
Drentsch Mozaïek); trouwens deze klokken komen ook in verschillende
Limburgsche verhalen voor (ook in andere provinciën?); reuzen-sagen
vindt men natuurlijk overal. In 1913 is nog in Hilligersberg een
feest geweest met optocht, waarbij ook nog een Reuzendochter in den
praalwagen heeft plaats genomen (de Hillegaertsberg bij Rotterdam is
volgens overlevering ontstaan door 't zand, dat de reuzin Hildegaerde
uit haar voorschoot heeft laten vallen). Ook vertelt de Wall Perné
een aardig reuzen-verhaal.

Natuurlijk, dat op de Veluwe verschillende heuvels door reuzen
zijn gebouwd--zooals in verschillende andere deelen van Gelderland
(Hoenderberg bij Nijmegen). Op 't Ellertsveld komen meerdere
reuzen-verhalen voor. De duivel stelt men zich voor als een gigant,
die op een heuvel woont (de Papenlooze Kerk).

In 't programma der feesten te Hilligersberg heeft men een lied aan
de reuzin gewijd, dat aldus begint:


"Toen Hillegond, een reuzemaagd,
Van Hollands duinenrand,
Onschuldig werd van huis gejaagd,
Nam zij haar schoot vol zand.
Zij zocht een plaats voor 't souvenir,
Van haren dierbren grond,
En 't lieve meisje stichtte hier
Den berg van Hillegond."


Dat de reuzen nog in talrijke volks-sprookjes leven, evenals
de kabouters, spreekt wel vanzelf. De toekomstige schrijver der
"Nederlandsche Sprookjes" zal er misschien verscheidene kunnen
opdiepen!!
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlansche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen

Naam Overig in Tekst

Brammert    Brammert   

Ellert    Ellert   

Zweel    Zweel   

Brammerheuvel    Brammerheuvel   

Naam Locatie in Tekst

Schoonloo    Schoonloo   

Sleen    Sleen   

Ellertsveld    Ellertsveld   

Zweeloo    Zweeloo   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20