Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN020 - De gierige mulder

Een sage (boek), 1918

Hoofdtekst

De Gierige Mulder

Meer dan zevenhonderd jaren geleden, ging de vrome Oliverus langs de
Maas, en in ieder dorp, waar hij kwam, wachtte hij, tot allen zich om
hem hadden verzameld. Zoo hij sprak, moest men wel naar hem luisteren,
en hij zeide het lijden van Christus, gestorven aan het kruis, tot vele
vrouwen weenden, omdat Hij zooveel geleden had; ook vertelde hij van
de heilige moeder Maria, gebenedijd onder alle vrouwen, daar Zij den
Heere Jezus had gedragen onder 't hart. Maar in zijn stem was reeds
een toornige klank, die wonderlijk werkte in der mannen geest en ziel;
menige knaap tastte naar dolk of zwaard; en de volwassenen gevoelden
zich weder als jongelingen, die ten strijde zullen tijgen. Doch men
wachtte nog op de woorden, welke achter den toorn van Oliverus waren
verborgen, en dan zou men weten, hoe men den Heer kon wreken.

Toornig was de stem des predikers geweest, doch plotseling hield het
schreien der vrouwen op, want zoo smartelijk werd de stem, dat niemand
meer durfde te weenen uit ontzetting en ontzag voor zoo nameloos en
onnoemelijk leed.

Wat--zoo vroeg Oliverus--was er van het land geworden, dat eens
de voeten des Heeren en Zijner moeder, der maagd Maria, hadden
betreden? Wee den Christenen! het was in handen van heidenen en
ongeloovigen, die spotten met de Heilige Drieéénheid. Moest het in
de macht der Saracenen blijven?

Niet klinkt de stem eener moeder, sprekend over haar doode kind,
smartelijker dan de stem van Oliverus, den Keulschen scholaster.

Kon er een vrouw zijn, die niet bad, dat deze vloek de jammerende
aarde zou verlaten?

Was er eenig man, die het zwaard niet reeds uit de scheede had
getrokken, om zich te wreken op hen, die den Heere Jezus op deze
wijze ten tweede male kruisigden?

Een oude mulder stond temidden der menigte en hij dacht bij zichzelf:

"Van mij zal niemand verwachten, dat ik medetrek met deze jonge
dwazen. Maar mij zal men vragen om een som gelds, teneinde dit werk
te steunen. Oeie, oeie, men zal denken, dat ik honderd Mark zilvers
dien te geven, daar men mij voor rijk houdt. Dit zal niet geschieden,
zoowaar ik Godeslas ben, de eigenaar van den 'Zwarten Molen' bij
Maastricht. Niets meer dan vijf Mark zilvers zal ik uit mijn beurs
schudden."

Velen, die aan de Maas woonden, konden Oliverus niet vergeten, noch
de stem, die in toorn had geklonken, noch die in leed. Vrouwen gaven
haar laatste penningske voor het vrome doel, om het land des Heeren
weder voor de Christenen te winnen. Mannen, jonge en oude, sloten
zich aaneen, om te strijden tegen de booze heidenen, die heerschten
over Jezus' graf.

Toen kwam men bij Godeslas, den mulder.

"Geef, geef met volle handen," zeide men. "Ge zijt oud, en Hemel of
Hel is niet ver meer van U. Geef, geef, om Godes wil, Godeslas."

"Geven? Wie spreekt er niet van geven? Alle menschen vragen om te
geven. 'Geef mij,' zegt het kind. 'Geef mij,' zegt de jongeling. 'Geef
mij,' zegt de man. 'Geef mij,' zegt de grijsaard. Want het kind wil
groeien, de jongeling groei verleenen, de man groei onderhouden en
de grijsaard groei voleindigen. Doch om te geven, is een vreemde hand
van noode, en allen grijpen naar deze vreemde hand, allen willen ervan
plukken. Luister! ik heb een boom gezien, vol van blad, en eenige weken
later was er geen groen meer aan, omdat de rupsen in grooten getale
langs stam en tak hadden gekropen, om zijn leven af te knabbelen. Ga
naar buurman's huis. Buurman is rijk genoeg, om te geven."

"Hebt ge niet gehoord, wat Oliverus zeide?"

"Och wat--Oliverus!--moeten anderen ons hier komen vertellen, wat
wij te doen en te laten hebben? Maar toch wil ik u niet ongetroost
laten heengaan. Ge behoeft van mij in het dorp niet te kallen, dat ik
gierig ben. Ik zal u wat schenken: vijf Mark zilvers. Hoe! verlangt
ge soms meer van me? Gaat dan liever mijn deur voorbij."

"Ge zijt rijk, mulder, en het zal u niet deren, zoo ge honderd
Mark geeft."

"Hoho! wist ik 't niet, dat ge dit deuntje wildet gaan zingen? O ja,
wel zegt men van mij, dat ik rijk ben, doch met welke maat meet ge
een's ander's rijkdom? Ik kan nazien, hoe diep het water in een put
staat, of hoe breed een veld is, hoe zwaar een zak meel weegt. Echter
kan ik niet weten, hoeveel geld een ander mensch heeft."

"Weigert ge dan geld te geven?"

"Ik weiger niet, ik geef van mijn armoede," en hiermede smeet de
gierige mulder vijf Mark zilvers op tafel. Zijn bezoekers vertrokken,
woedend over zijn vrekkigheid, zonder hem te danken. Zoodra Godeslas
alleen was, lachte hij, mompelend:

"Die dwazen."

Ja, hij vond het dwaas, dat er menschen werden gevonden, die hun
leven waagden, om met de Saracenen te strijden. Daar was hij goedkoop
van afgekomen! 's Daags en 's nachts was hij zeker van zijn leven,
en hij sliep er niet te minder om in zijn woning.

Eens kwamen hem kruisvaarders voorbij, die naar het Heilige Land wilden
trekken. Ze liepen rechtop, denkende aan de woorden van Oliverus. Wat
riep hun Godeslas spottende toe? Aldus moet het wel geklonken hebben:

"Hoevelen van u zullen er wederkeeren? Waarom begeeft ge u in den
dood?"

Niemand antwoordde hem. Toen hoonde hij hen met wreeder woorden:

"Ik behoef niets te wagen, ik heb mezelf voor vijf Mark zilvers
afgekocht. Weet gij nu, wat ge waard zijt, vrome krijgslieden? Vijf
Mark zilvers iedere man!"

Hij schreeuwde hen na, tot ze zijn stem niet meer konden hooren. Daarna
keerde hij weder in zijn huis, zijn oogen toeknijpend van pret. Voor
hij insliep, moest hij telkens weder lachen, omdat hij zoo slim
was geweest.

Het werd nu zomer, en de beek was zandig en roerloos. De raderen
van den molen hadden geen voortgang in dezen tijd, en daarom was de
mulder verwonderd, toen hij ontwaakte en den molen hoorde. Dat kon
niet anders dan een droom zijn.

Voer de wind wellicht door de takken?

Neen, het was de molen, en de raderen ratelden. Alles was in de
weer. Het huis dreunde. De mulder werd boos. Welke onverlaat dreef
hem midden in den nacht zijn molen? Hij riep den knecht, en het duurde
niet lang, of deze stond voor hem.

"Rrrrrt," zeiden de steenen van den molen. Wat maalden ze?

"Ga zien," riep de mulder tot zijn knecht, "wat er in den molen
geschiedt."

Hij wachtte en luisterde. Hij hoorde 't water schuimen in de beek,
als bruiste ze, door sneeuwstorm gedreven, van den berg in 't dal. Hij
hield zijn hoofd in de handen verborgen, en luisterde.

"Wanneer komt de knecht terug," dacht hij. "Als de knecht terugkomt,
zal ik weten, waarom mijn molen draait."

Hij hoorde de voetstappen van den knecht dichterbij komen, zwaar en
langzaam als die eens kettinggangers. De man bleef voor zijn heer
staan, het hoofd gebogen.

"Wat is er met den molen?" vroeg de mulder heesch.

De ander gaf geen antwoord: hij strekte slechts zijn armen uit. Ze
luisterden thans beiden, mulder en knecht, naar 't geklapper en
gestamp der raderen, en 't sissen en schuimen der roerige beek. De
één wist niet en de ander wist.

"Ik zal--zelf--gaan zien--" stamelde de mulder.

Hij kleedde zich aan, en opende de deur van den molen. Wankelend trad
hij binnen. Hij moest naderen, hij kon niet meer terug.

Een donkere man stond voor hem, die hem zwijgend wenkte.

Toen zag hij, wat er in zijn molen gemalen werd.

Guur gespuis was bezig, vijf Mark zilvers onder de steenen te
vergruizelen. Vijf Mark zilvers, waarvoor de rijke mulder zich had
vrijgekocht.

"Ik heb twee paarden bij me," zeide de duistere gedaante. "We gaan
rijden, Godeslas."

De mulder staarde naar de geldstukken, die vermalen werden, en hij
begreep, welke straf hij zou moeten lijden. De zwarte man beval:

"Doe uw buis uit."

Want op het buis van den mulder was een kruis geteekend, en de zwarte
man was hier angstig voor, daar 't het teeken is, dat hem verjaagt. Had
Godeslas de kracht gevoeld, zich te verzetten! Hij deed, wat hem was
gezegd, en toen hield hem de duistere gedaante reeds vast. Of hij een
veder ware, werd hij op 't paard geworpen, en voort ging het! dieper
en dieper den nacht in.

Er werd in den molen niet meer gemalen. De stilte van den zomernacht
was over 't veld. De kleine golfjes der beek murmelden zacht.

Beschrijving

De vrome Oliverus bezoekt diverse dorpen langs de Maas en verkondigt de boodschap van God. Hij verklaart dat men een kruistocht moet ondernemen om het land van Jezus te bevrijden van de Saracenen. Hij vraagt aan iedereen een bijdrage. Een oude molenaar is niet van plan de gezien zijn rijkdom verwachte 100 mark zilvers te geven, en acht vijf mark zilvers voldoende.
De molenaar heeft geen begrip voor de kruisvaarders. Als op een zomerdag een aantal kruisvaarders voorbij gaan, drijft hij dan ook de spot men hen en zegt dat hij zichzelf heeft afgekocht voor vijf mark zilver. Dezelfde nacht wordt hij wakker van het malen van zijn molen. Als hij gaat kijken blijkt een zwarte gedaante zijn molen te gebruiken om vijf mark zilver te vermalen. De molenaar begrijpt onmiddellijk dat hij bestraft wordt voor zijn daden. Vervolgens wordt hij door de gedaante meegenomen de nacht in.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p 111

Commentaar

1918

Naam Overig in Tekst

Oliverus    Oliverus   

Christus    Christus   

Jezus    Jezus   

Heer    Heer   

Maria    Maria   

God    God   

Christenen    Christenen   

Saracenen    Saracenen   

Heilige Drieëenheid    Heilige Drieëenheid   

Godeslas    Godeslas   

Zwarte Molen    Zwarte Molen   

Moslims    Moslims   

Keuls    Keuls   

Naam Locatie in Tekst

Maas    Maas   

Maastricht    Maastricht   

Heilige Land    Heilige Land   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20