Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN027 - Het vrouwenzand

Een sage (boek), 1918

pl13.jpg

Hoofdtekst

Het Vrouwenzand

Een paleis van prinsen, hertogen en koningen is geweest in de stad
Stavoren, en de deuren der burgerhuizen waren van zuiver goud. Gelegen
was het op den oever van het Flevus-meer, waarin vele rijke rivieren
hun water stortten, de Cuyner, de Vecht, de IJsel, en een stroom van
het Rijnwater, komende uit het sticht Utrecht. Geen schooner haven
dan die van Stavoren, en de burgers van Holland spraken met afgunst
van de fraaie stede, welker schepen talloos waren op de Noordzee.

Er woonde in Stavoren een weduwe, de rijkste van alle menschen. Ook
was zij de hoogmoedigste, en iedereen vreesde haar.

Eens, dat een harer vaartuigen zeilree lag, liet zij den schipper bij
zich komen, en zij beval hem te gaan, waar hij nog niet geweest was,
en het kostbaarste voor haar mede te brengen, wat hij vinden kon. Den
prijs, dien men vroeg, mocht hij betalen. "Het zij het schoonste,
wat ooit menschenoogen aanschouwd hebben. Het zij heerlijker om te
bezitten dan goud en zilver, en ieder in de stad zal er van moeten
spreken, mij benijdend en huldigend tegelijkertijd om dat bezit! Ga!"

"Maar edele vrouw!" zeide de schipper angstig, "hoe zal ik weten,
wat het schoonste is? Nooit heb ik iets gezien heerlijker om te
bezitten dan goud en zilver. Is er geen ander, dien ge met deze taak
kunt belasten?"

"Gij zijt de oudste van mijn schippers, gij hebt de verste reizen
gemaakt, en daarom draag ik u op het voor mij te zoeken. Zoo gij
iets vindt, dat gij zegt: 'voorwaar! voorwaar! het is edeler dan
menschenhanden ooit schiepen, zie deze kleur en vorm,' dan zult ge
weten, dat gij voor mij hebt gevonden. Zoo niet, weet dan, dat gij
nooit behoeft weder te keeren."

"Ik zal mijn plicht volvoeren," sprak de man, "en het rijkste, wat
ik ooit heb gezien, zal ik voor u medebrengen."

Den volgenden dag voer zijn schip af.

In het onderruim had hij niets dan goudgeld geborgen, dat was van de
rijke weduwe. Hij kwam in vele steden, waar hij kostbare dingen zag,
alles heerlijk, om te bezitten. Doch overdacht hij dan, of hij nog
nooit wat schooners had ontmoet, dan viel hem iets altijd in, dat nog
kostbaarder was. Hij zag edel gouden drijfwerk, schitterende diamanten,
geborduurde gewaden, Byzantijnsche tapijten, vreemd-gevormde ringen
en bracelets, goudbrocaat, doch het was alles van menschenhanden, en
huns gelijke trof hij telkens weder. Waren ook niet zelfs de deuren
der Stavorensche huizen van zuiver goud, en zou men niet met de vrouw
spotten, die een schipper uitzond, om haar 't kostbaarste te halen,
terwijl deze slechts met iets terugkwam, dat bijna ieder in de stad
kon koopen? Menigen koopman en kramer vroeg hij:

"Toon mij 't schoonste, wat gij hebt," maar als 't hem getoond was,
schudde hij zijn hoofd en zeide droeve:

"Dat zoek ik niet."

Eindelijk op zijn zwerftocht, kwam hij in een rijke stad, waar hij
nog nooit geweest was, Danzig is haar naam. Hij begon er te vragen,
wat hij overal gevraagd had, bij goudsmeden vooral was zijn tocht. En
weder vond hij niet.

Toen besloot hij, ook deze stad te verlaten, en nog verder Noordwaarts
te varen. Hij had gehoord, dat er in verre streken dierenhuiden
verkocht werden, kostbaarder en zeldzamer dan hermelijn. Die wilde
hij koopen.

Het was de laatste middag, dat hij nog in Danzig was.

Hij kwam langs een onaanzienlijk gebouw, en zag naar binnen.

De deur was geopend, en aldus zag hij het kostbaarste, wat hij ooit
gezien had, oneindig veel rijker dan goud en zilver, en schooner dan
ooit menschenhanden hadden gewrocht.

Blijde dacht hij:

"Nu heb ik gevonden, wat mijn meesteres begeert. Welken prijs men ook
zal vragen, dit kan ik rustig koopen, want 't heeft grooter waarde dan
't goud, dat in mijn schip geborgen is, ja dan alle goud ter wereld."

Hij ging naar binnen, en was het spoedig met den koopman eens. Men
laadde de kostbare waar in zijn schip, en eenige uren later zeilde
hij van Danzig weder naar Stavoren.

De rijke vrouw had daar allang op zijn terugkomst gewacht. Ze was reeds
hoovaardig op haar schat, en ze glimlachte in haar fel verlangen. Wat
zou 't wezen?

Ze bezag peinzend haar blanke pols. Haar handen vleiden heur blonde
haar. Ze lachte tegen haarzelve om haar schoonheid, die nog machtiger
zou worden door wat de schipper medebrengen zou. Ze vertelde het alom,
en ze spotte met alle vrouwen. Thans evenaarden ze haar bijna, doch
als het schip er zou zijn, zou zij zich boven ieder mogen verheffen.

Zij hield haar gedachten niet geheim. Openlijk sprak ze van het
naderend geluk.

"Zooals een ander een schip geladen heeft met houtwerk of met visch,
zóó deed ik het laden met goudgeld. Ik weet wel, dat gij allen rijk
zijt, maar zooveel hebt gij nog nooit tezamen gezien, en wat ervoor,
gekocht zal worden, zal van mij zijn. O! niet zal het lang meer duren."

Het was reeds eenige morgens daarna, dat ze gewekt werd door een luid
geroep op straat. Ze hoorde den naam van den schipper, en ijlings
kleedde zij zich, om naar de haven te gaan. Er was niemand in Stavoren,
die tehuis bleef. Kinderen drongen in dichte menigte op, nieuwsgierig
naar de kostbare schat.

Men waagde al gissingen, wat ze wezen kon. Men zag het aan des
schippers gelaat, dat hij verheugd was.

De edele vrouw trad naar voren, en riep met een stem, trillend van
verwachting:

"Zeg, wat gij hebt medegevoerd."

Niet lang wachtte hij met zijn antwoord, dat juichend luidde:

"O edele vrouw! zulke schoone tarwe als gij nooit hebt gezien."

Toen gevoelde zij, hoe men met haar spotte. Instee, dat zij anderen
minachten kon, minachtte men haar. Wat zou haar kunnen redden van den
hoon, dat zij een kostbare schat verwachtte en slechts tarwe ontving?

Hij beidde haar geluk. Zijn eenvoudig, oprecht gelaat moet wel
zorgeloos geweest zijn. Wat was er voor hem inderdaad schooner dan
deze zware tarwe, heerlijk voedsel! Hij had veel graan gezien op zijne
reizen--doch bij den eersten blik in de onaanzienlijke Danzigsche
schuur had zijn volkshart geweten, dat er niets beters dan deze tarwe
kon bestaan. Hij had zich van zijn opdracht gekweten. Het was het
schoonste, dat ooit menschenoogen hadden aanschouwd. Het was heerlijker
om te bezitten dan goud en zilver, en wie in de stad zou er niet van
moeten spreken, de vrouw benijdend en huldigend tegelijkertijd? Konden
menschenhanden dit vervaardigen? Het was een goddelijke gave, die in
zijn schip geladen was.

Ach! hoe slecht kende hij de rijke weduwe, die hem had uitgezonden,
en wier ijdelheid had willen pronken. Wat wist hij weinig van 't hart
der Stavorensche burgers, die stoepen hadden gebouwd van louter goud,
alleen om meer te schijnen dan de Hollanders! Zij hadden slechts
achting voor voos vertoon, en ze lachten wat om de Danzigsche tarwe.

De rijke vrouw wist, dat zij den spot, den grootsten vijand der
ijdelheid, had te bestrijden, en ze riep den schipper toe:

"Tarwe hebt ge? En aan welken kant hebt gij ze geladen?"

"Aan bakboord."

"Welnu," hoonde ze, en ze wendde zich tot het volk, "werp ze dan over
stuurboord weer in zee."

Zonder verweer voldeed hij aan haar bevel. Het graan, dat hij geladen
had, loste hij in de golven. Lachende keken zij toe, de burgers van
Stavoren. Zou er ooit aan hun rijkdom een einde komen?

Die lach voerde hen ten verderve.

Want op de plaats, waar de tarwe gevallen was, drong zand op temidden
der zee. Uit iedere korrel graan scheen een korrel zand te komen,
en nieuw zand dreef weder aan tegen 't vastgezette. Vroeger was de
haven van Stavoren open geweest voor ieder schip--nu bedwongen door
den tyran was haar vrijheid geknot.

De armoede kwam in de trotsche stad, en menige burger dacht met
weemoed aan de rijke tarwe, roekeloos in zee geworpen.

't Armoedigst van allen werd de vrouw, die de schuld in haar geweten
had te dragen. Dat echter niet alleen was haar straf.

Op het zand--'t heette het Vrouwenzand--begon den volgenden zomer
graan te groeien. 't Volk was verheugd. Een rijkdom was hun ontnomen,
een nieuwe rijkdom ontstond weder. Men zou het deelen, wat er groeide,
en er behoefde dus geen zorg meer in Stavoren te zijn!

Nadat men erheen was gegaan, om te maaien, zag men, dat het koren was,
hoog van halm.

Doch het had geen aren--en men noemde het "wonderkoren."--Er was geen
korrel voedsel in.

Het diende voor niets, dit graan. Het groeide hoog en verging doelloos
gelijk schijn en ijdelheid.

Onderwerp

SINSAG 1145 - Die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.    SINSAG 1145 - Die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.   

Beschrijving

Er woonde eens een rijke weduwe in Stavoren. Op een dag vroeg zij haar oudste schipper om het allerschoonste wat de mens ooit heeft aanschouwd voor haar te vinden. Na een lange zoektocht langs vele havens vond hij uiteindelijk in Danzig een grote schat waarvan hij dacht dat het zijn meesteres zou bekoren. Ondertussen wachtte de rijke weduwe vol ongeduld op de terugkeer van de schipper en overal vertelde ze van haar aankomende rijkdom en geluk. Op het moment dat de schipper de haven binnen voer, stond er er een enorme menigte op hem te wachten. Toen de schipper zijn meesteres liet zien wat hij had meegebracht, namelijk tarwe, voelde de rijke vrouwe dat de mensen uit Stavoren haar bespotten. De vrouwe vroeg de schipper vervolgens aan welke zijde hij de tarwe had ingeladen en droeg hem vervolgens op het aan de andere zijde in zee te werpen. Nadat de schipper aan haar bevel gehoor had gegeven, ontstond op de plaats waar de tarwe in zee was gevallen een enorme zandberg. Hierdoor werd de haven van Stavoren ontoegankelijk en verviel de trotse stad tot armoede. De volgende zomer groeide er graan uit het zand. Echter het graan had geen aren en diende daardoor nergens voor. Het groeide hoog en verging doelloos gelijk schijn en ijdelheid.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p. 149

Commentaar

1918
( Voor een afbeelding, zie beeld)
HET VROUWENZAND (blz. 149-154). Hier zij in de eerste plaats verwezen
naar de Aanteekening op "Het Vrouwtje van Stavoren." In 't werk
"Oud en Nieuw" Nederlandsche Legenden door J. J. van der Horst
(Leiden J. W. van Leeuwen 1887) is de sage opgenomen onder den titel
"Richbertha van Stavoren." Hier vindt gij, dat een vreemdeling, een
wijze oosterling, de rijke weduwe bezoekt, en, nadat hij bij haar
een rijk gastmaal heeft genoten, zegt:

"Eene zaak verwondert mij bovenmate: ik mis hier ééne spijs, die
het beste, het edelste, het kostbaarste is van alles, wat de aarde
den mensch voortbrengt." Ge ziet dus den schatmeester der weduwe op
reis gaan, om dit kostbaarste te vinden, en dan leest ge, dat op
zijn schip gebrek aan brood komt. Landt hij nu in een stad aan de
Baltische zeekust, dan weet hij, dat de tarwe het kostbaarste van
alles is. Bij zijn terugkomst, beveelt ook hier de weduwe, het graan
in zee te werpen, waaraan morrend en vloekend wordt voldaan. _Ook de
bevolking van Slavoren verzet zich hier tegen haar bevel_. Vooral dit
laatste dient onze bijzondere aandacht te trekken, en 't komt ook wel
overeen met de houding van het volk in "Het Vrouwtje van Stavoren"
(blz. 6).

Het "ring-motief" wordt door den heer van der Horst tegelijkertijd
in deze sage verwerkt, en wel als volgt (_nadat de tarwe in zee
is geworpen_):

"Toen stond daar eensklaps de onbekende vreemdeling in oostersch
gewaad vlak tegenover haar en sprak plechtig:

"Gij ziet, dat ik woord houd. Uw schatmeester heeft in waarheid,
door God zelven verlicht, het kostbaarste, het edelste, het nuttigste
voortbrengsel der aarde u aangevoerd, en gij versmaadt en verwerpt het
in dollen overmoed. Weet, o vrouwe Richtbertha! dat God rechtvaardig
en almachtig is. Eens zult gij gebrek lijden aan hetgeen gij thans
met zooveel verachting in zee werpt ...."

Een helle schaterlach klonk krijschend over de hoofden der
omstanders. De trotsche weduwe wierp het hoofd in den nek en gilde:

"Wie zijt gij, vermetele vreemdeling, om mij te durven hoonen? Zou ik
ooit gebrek kunnen lijden? Neen, gij zult mij niet ten tweeden male
bedriegen! Ziehier mijn kostbaarsten ring van juweelen: eer brengt
de zee mij dezen ring terug, eer ik gebrek zal hebben aan één korrel
graan!" En met deze woorden slingerde zij het prachtig juweel in zee.

Vol bitterheid in de ziel, maar, zoo mogelijk, nog trotscher dan
tevoren, betrad zij hare marmeren woning, gevolgd door de verwensching
en vervloeking van schepelingen en armen.

"God is rechtvaardig!" had de geheimzinnige vreemdeling haar
gewaarschuwd, en zijne bedreiging werd op vreeselijke wijze
vervuld. Slechts weinige dagen daarna zat Richbertha aan den maaltijd
en werd eensklaps bleek als een doode: bevend en sidderend staarde
zij op het stuk zeevisch, dat zij voor zich had, want daarin werd de
weggeworpen juweelen ring haar teruggegeven.

Van dat oogenblik dagteekent Richbertha's ongeluk en het verval van
Stavoren ....

Een bladzijde later vinden wij het ontstaan van het wonderkoren
beschreven, en dus zien wij hier, dat drie lezingen in één zijn
gevlochten, en wel zeer gelukkig gecombineerd.

Wolf geeft in zijn "Niederländische Sagen" twee afzonderlijke lezingen,
zonder eenige toespeling echter op den ring. _In de eerste lezing zin
alle bewoners van Slavoren overmoedige lieden_, en de vrouwe geeft haar
schipper bepaald bevel, om koren te halen, daar de graanprijzen zeer
hoog zijn. Het tweede verhaal stemt meer overeen met het in dit boek
behandelde. De geschiedenis van den ring treffen wij bij Wolf niet aan.

Nu is het slechts zelden, dat een sage onlogisch is. Leest men
bijvoorbeeld "Westerschouwen, Westerschouwen," dan wordt de gansche
plaats gestraft, omdat haar inwoners gezamenlijk overmoedig zijn en
zonder medelijden. In "Straffe Gods" wordt alleen de onbarmhartige
vrouw gestraft; Gerard de slechte heer, de gierige mulder, zij
worden ten verderve gevoerd, en niet hun omgeving. Een sage is maar
niet zoo onlogisch, en waar zij de vloek, die over een streek wordt
uitgesproken, verklaart, daar schakelt ze, als 't noodlot zelve,
feit aan feit aaneen, zoodat wij geneigd zijn te zeggen:

"Zoo--en zoo niet anders--is het gebeurd." De verteller der sage
heeft als eerste plicht deze fataliteit te gevoelen en te handhaven.opmerkingen Overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlansche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Die untergegangene Stadt

Naam Overig in Tekst

Cuyner    Cuyner   

Rijnwater    Rijnwater   

God    God   

Vrouwenzand    Vrouwenzand   

Naam Locatie in Tekst

Stavoren    Stavoren   

Flevus-meer    Flevus-meer   

Vecht    Vecht   

IJsel    IJsel   

Utrecht    Utrecht   

Holland    Holland   

Danzig    Danzig   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20