Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN043 - Ferguut. Ridderroman uit den fabelkring van de ronde tafel.

Een sprookje (boek), 1918

pl27.jpg
pl28.jpg

Hoofdtekst

Ferguut, Ridderroman uit den Fabelkring van de Ronde Tafel

Personen voorkomende in de Ferguut.


Koning Arthur.
Perchevael.
Gawein, neef van Arthur.
Genovere, vrouw van koning Arthur.
Keye, tafelmeester aan het hof.
Ferguut, zoon van den boer Somilet.
Galiëne, zijn geliefde.
Lunette, haar kamerjuffer.
IJwein, een ridder.
Laquis van Portegale, een ridder.
Lanceloot, een ridder.
Bohort, een ridder.
Sagremort, een ridder.
Agravein, een ridder.
Gariec, een ridder.
Galarant, Ferguut's vijand, koning, die Galiëne's stad
belegert.
Macedone, diens neef en kampioen.
Lokefeer, een reus, vijand van Ferguut.
Barlebaen, een booze geest, zwart als een duivel. Vijand
van Ferguut.
Roovers. Een nar.


Ferguut's paard, dat hij Lokefeer ontnam, heet Pennevare.

Hoofdstuk I

Ferguut trekt op avonturen uit

Het was in den Pinkstertijd, en het blijde zonlicht was overal. Dit was
geen dag voor koning Arthur en zijne ridders, om stil te zitten in de
burcht Caradigaan, het was een dag, om te jagen. Koning Arthur kwam
tot zijn heeren, tot Gawein en IJwein, tot Perchevael en Lanceloot,
tot Keye en Sagremort.

"Niet wil ik zitten," sprak hij, "want het weder is schoon en
klaar. Jagen wil ik in 't woud van Goriënde het witte hert, dat zal
hooren het geblaf mijner honden. Mijn wil is, dat gij mijn wil doet."

"Wij zijn wel bereid," zeide Gawein.

De edelknapen sprongen op, en ieder zadelde het paard van zijn
heer. Koning Arthur nam zijnen horen, en hij reed voor zijn baronnen,
het woud tegemoet. Dit was een dag voor koene ridderen, die niet
kunnen blijven in een donkere steê, als 't zonlicht schijnt. Ja, het
bosch lokte den koning snel reed hij vóór de anderen, en hij speurde
overal naar 't hert. Hij riep IJwein, en men ontkoppelde de honden,
alle ridderen bliezen den horen. Toen sprong 't hert op, en vlood
langs de rivier, de honden basten, de jagers schoten met hun pijlen,
maar 't hert ontvluchtte door het diepe water, en verborg zich in het
hooge gras. Ze volgden het weder, blaffende brakken, rijdende ridders,
doch 't dier, dat zij joegen, ontvlood. Toen zwoer de koning, dat hij
door bosch en haag, dag en nacht, wilde rijden, om het hert te dooden,
en hij beloofde een gouden beker aan hem, die het vangen zou.

Hoog zat Perchevael te paard, en volgde 't hert met zijn hond, langs
berg en dal, maar 't wist hem te ontwijken. Moede werd Perchevael's
brak, en de ridder sprak hem met troostende woorden toe. De hond werd
krachtig door zijn stem, sprong op, en sloeg 't hert de tanden in 't
vleesch. Hert en hond vlogen tezamen voort, als één dier. De ridder
volgde onvermoeid.

Niet af te schudden was de brak, als de Dood zelve was hij voor 't
hert, dat trotsch dook in de diepe rivier, zijn noodlot tegemoet. 't
Water sloeg het met felle golven in de keel, en het dier verdronk. De
hond trok hem, toen het bovendreef, aan land.

De koning kende Perchevael's horen, die luid over 't land klonk. Hij
zette zijn paard aan, roepende:

"'t Hert is gevangen, ik hoor 't wel, wij willen Perchevael helpen,
die het witte hert gedood heeft, de moedige held."

Zij reden tot waar de ridder stond, en Arthur groette hem als een
vriend, terwijl hij hem den beker deed reiken. De ridderen aten en
dronken, het was nacht, doch de maan scheen klaar en schoon. Zij
rustten dezen nacht op die plaats, en vroeg maakte men zich den
volgenden dag weder op. Een edelknaap legde het witte, doode hert over
een paard. Men wachtte niet lang, om naar Cardoel, 's konings stad,
terug te rijden. Al rijdende kwamen ze een versterkte plaats voorbij,
waar een boer woonde, die Somilet heette. Drie zonen had hij, die
hij liet werken en zwoegen op het veld: twee dreven het vee, de derde
ging achter den ploeg en was schamel gekleed. Toch was de boer rijk,
en zijn vrouw van edelen bloede. Ferguut heette de jongen, die den
ploeg dreef, en hij zag den koning met zijn ridderen rijden. O! de arme
Ferguut. Hij was gewoon aan het moeilijke werk, en niet geleek hij de
zoon van een rijk man. Toen de ridderen langs den akker kwamen, kwam
al het leed en heimwee, dat hij zijn leven lang had gekend, in zijn
hart, en angstig zag hij naar den edelen vorst, die hem voorbijreed,
met alle zijn heeren. Toch wist hij niet, wie het waren, en hij vroeg
het daarom een edelknaap, den laatsten van den stoet.

"Zeg me--wie de heeren zijn--die ik daar zie."

"Het zijn de koning en de ridderen van de tafelronde," antwoordde de
knaap, "het zijn de heeren van 's konings raad."

Droomerig zeide Ferguut, de arme jongen achter den ploeg:

"Ik zal gaan naar 's konings hof, om te wezen van zijn gevolg, en
van zijn raad. De boozen zal ik van hem verjagen."

Weg reed de dienaar. Ferguut echter spande de paarden van den ploeg,
en liep snel naar zijn's vader's huis. Zonder te groeten wierp hij
Somilet, den boer, het ploegijzer voor de voeten.

Zijn vader zag hem aan, en vroeg verwonderd:

"Waarom hebt gij uw werk verlaten?"

"Heer"--zoo zeide Ferguut, "ge spot met mij. Geeft mij wapens, laat
mij ten hove gaan."

De boer greep een stok, en wilde hem slaan, maar de moeder hield zijn
arm tegen, hem smeekende:

"Lieve heer--och! och! gij doet kwaad, dat gij uw zoon wilt slaan."

Toornig schreeuwde Somilet zijn zoon toe:

"Jij wilt zijn een vriend van ridderen? Ga heen en pas op het vee,
dat uw zorg behoeft. Wilt ge niet achter den ploeg? Ik weet wel werk
voor u. Strooi mest op het land."

"Heer--" zoo hernam de vrouw, "verwonder u niet, dat uw zoon begeerte
heeft naar wapenen; in mijn geslacht zijn vele ridderen, en mij dunkt,
dat gij goed doet, om hem ten hove te laten rijden. Zijn twee broeders
blijven hier, hij is de oudste, geef hem wapenen ...."

Zacht zeide ze, doch de boer verstond het wel:

"Hij kon wel eens komen tot roem en macht, want hij is een schoon en
sterk man."

Nog even praatten ze zoo tezamen, in eensgezindheid; daarna riep
Somilet een jongen, opdat hij hem het harnas zou brengen, dat vele
jaren ongebruikt was en bloedrood van roest, doch sterker en beter
dan menige smid kon smeden; de helm was van fijn staal. Daarbij wierp
Somilet een witte broek, die de knaap aandeed. Was het Ferguut, de arme
boerenjongen, dapper en koen te paard gezeten, gewapend met schild
en speer, met spiets en bijl? De arme Ferguut! Hij kende de wereld
nog niet, met allen strijd, want achter den ploeg was hij gegaan,
zijn leven lang.

Zijn moeder schreide. Hij echter trok vroolijk van zijn huis,
het duistere leven tegemoet; op den eersten weg, dien hij ging,
verdwaalde hij. Hij kwam in een donker bosch, en het waren roovers,
die hij 't eerst zag. Ze wilden hebben zijn paard, zijn wapenen, en
dan nog zijn leven. Onbeschroomd trad hij ze tegen, en hij vroeg hen,
met zijn jonge stem, vol vertrouwen:

"Lieve heeren--zeg mij--hoe kom ik het beste naar Cardoel, wijs mij
den weg. Ik wil den koning dienen, en hem raden, wat hij doen moet."

Één der roovers lachte en zeide ten antwoord:

"In duivels naam moet dat zijn! Uw vader en grootvader waren 't
niet gewoon, Ferguut, om den koning te dienen. Zij kloofden hout,
zij voerden den ploeg, ze laadden mest. 't Ware beter geweest, dat
ge bij uw ploeg waart gebleven. Nu zal ik u doodslaan."

Het was de eerste strijd van Ferguut, en hij streed dezen zeer
dapperlijk, zoodat twee der roovers sneuvelden. De koppen sloeg hij af
en hing ze aan zijn zadel. Zoo reed hij naar Cardoel, 's konings hof.

Ach, Ferguut! Daar waren vele spotters in Cardoel. Ze lachten,
toen de knaap binnenreed, maar de koning was vriendelijk voor hem,
en zeide hoofsch en ernstig:

"Vriend, welkom zijt gij hier. In welk land zijt gij geboren, waar
wilt gij heen? Zeg mij, wat er met u is geschied en noem mij uwen naam.

"Heer--" sprak vroom de knaap--hij had niet op het gelach der spotters
gelet--"ik heet Ferguut, en om uwentwil aanvaardde ik den tocht,
al waren mijn vader en moeder boos, dat ik u zoo verre volgde. Ik
wil u met mijn raad bijstaan."

Toen stond mijnheer Keye op, en zijn hoon was scherper dan een snijdend
zwaard. Hij bezag den armen jongen, schudde 't hoofd en smaalde:

"Ge ziet er wel naar uit, of ge den koning met uwen raad kunt
dienen. Niemand wilde ons tot dusver immers raden? 't Is goed,
dat _gij_ gekomen zijt--Er staat geschreven: 'dien God wil helpen,
heeft geen gebrek.' Wanneer God u 't leven laat, zult _gij_ ons goeden
raad geven."

Even zweeg mijnheer Keye. Daarna stelde hij zich dicht bij den knaap.

"Vroed en goed van wapenen zijt gij, Ferguut. Hoe schoon staat u de
helm, ik denk, dat gij een koningszoon zijt. Nooit zag ik een vorst,
die beter de spiets hield, het schild droeg. Gij zult zeker wel
willen rijden naar de zwarte rots, in het woud? Luister--Om den hals
eener leeuwin hangt daar een sluier en een horen, die door een zwarten
ridder worden bewaakt. Begeef u morgenvroeg op weg, om met den zwarten
ridder te strijden, en om den sluier en den horen te halen. Breng
ons den ridder, die zoo menigeen kwaad heeft gedaan, dan zult gij
tot grooten roem komen, en in ieder hof zult ge worden ontvangen."

Rustig stond Ferguut, en hij had zijn woorden klaar, waarmede hij
zich tegen Keye verdedigde.

"Het is waar--" zoo antwoordde hij, "de mond spreekt, wat in 't hart
is. Gij hebt nijd in uw hart."

Toen durfde Keye niet veel meer te zeggen, want hij vreesde Gawein,
die den moedigen jongeling wilde beschermen. Deze echter ging toornig
voort:

"Ware de koning niet hier, uw leven ware ermede gemoeid. Ik zou de
scherts wel hebben gewroken."

De koning wendde zich tot hem, en zeide ernstig:

"Vriend, dat zou niet goed van u wezen. Sluit vrede met heer Keye."

Nog ontsloot Ferguut zijne vuisten niet. Daarom wilde Arthur zijn
gedachten wenden van den smaad, die hem was aangedaan.

"Waar naamt gij de hoofden, die aan uw zadel zijn?"

Forsch antwoordde de jongeling:

"Heer! van roovers, die mijn paard wilden stelen. Ik streed met vier
hunner, en zij waren onmachtig tegen mij. Wilt gij mij nu behouden
als uw raadsman?" Hij zag Keye aan. "Morgenwil ik rij den, en den
sluier enden horen halen."

"Vriend," zeide de koning met milde stem, "ge waart verloren, zoo gij
dit deed, en de eerste waart ge niet. Geen man kon tegen den zwarten
ridder strijden. Niet wil ik u aannemen, knaap, op zulk een daad."

Weder zag Ferguut den heer Keye aan, maar hij sprak tot den koning.

"Heer--," zeide hij met vaste stem, "uw ridder spot met mij. Daarom wil
ik strijden, al zal het mij den dood kosten." Hij boog het jonge hoofd.

Ferguut wilde nachtverblijf zoeken in de stad, o de arme jongen! Wreed
was de wereld, niemand sprak er tegen hem, niemand zeide:

"Kom bij mij. Bij mij vindt gij hedennacht rust."

Stil reed hij, hoog-geheven de speer. Het begon te regenen, het
water stroomde uit de donkere lucht, en nat werd Ferguut tot aan zijn
huid. Loom zat hij te paard, het hoofd gebogen van zwaren slaap. Hij
zocht onder een ouden boom een schuilplaats. Een jonkvrouw zag hem zoo,
en vol medelijden trad ze hem tegemoet. Ze groette hem en vroeg:

"Wat zoekt gij--waarom staat ge daar?"

"Jonkvrouw--" zeide Ferguut bitter, "als iemand mij huisvesting had
gegeven, zou ik niet nat geworden zijn. Geen mensch heeft mij genood,
maar u vraag ik, schoone jonkvrouw, om een dak, het loon u God."

De jonkvrouw lachte, want hoe kon zij den knaap dezen dienst
bewijzen? Het stond niet aan haar, doch aan haar vader, 's konings
kamerheer. De arme Ferguut wist nog niets van hoofsche manieren,
en ze kreeg medelijden te meer, nu ze hem daar zoo zag staan, zonder
vrienden, zonder hulpe.

"Dit huis is van mijn vader--" sprak ze zacht, "'s konings
kamerheer. Ik ben maar zijn kind en ik mag u niet herbergen. Toch
moogt gij blijven, tot mijn vader tehuis komt. Zegt hij dan, dat gij
heen moet gaan, ga dan."

Dit beloofde Ferguut gaarne, en ze gaf hem een mantel. Ze zetten zich
bij het vuur, de jonkvrouw dacht bij zichzelf:

"Schooneren jongeren man dan dezen heb ik nog in geen land gezien. Had
hij slechts 's ridders manieren."

Zij bleven zitten bij het warme vuur tot het eten bereid was; toen
tafelden ze tezamen, vele smakelijke gerechten bracht men hun, en
men schonk hem wijn en claret, om zijn dorst te lesschen. Vroolijk
waren zij beiden, etende en drinkende.

Zoo vond hen de kamerheer des konings: 't eerst zag hem zijn dochter,
en ze stond op, het bloed steeg naar haar gelaat. Ook Ferguut rees van
zijn zetel: zij beiden wachtten, wat de edele ridder zou bevelen. Met
vriendelijke stem zeide deze:

"Ga weder zitten, gij mijn dochter en gij vreemde man."

Hij zette zich nevens hen, en hij wendde zich tot Ferguut:

"Zijt gij met geweld hier binnengedrongen?"

Ferguut behoefde niet angstig te zijn, om te antwoorden. Nooit in zijn
leven had hij eenig mensch kwaad gedaan, hij had den ploeg gevoerd in
dienst van zijn vader. Rustig sprak hij dus, terwijl hij den kamerheer
eerlijk aanzag:

"Ik bedreef nooit boosheid, ook thans niet. Ik heb 't beloofd, zoo
gij mij niet wilt ontvangen, dat ik heen zal gaan."

"Neen, vriend," glimlachte de ridder, "ik ontzeg u mijn huis niet. Gij
zijt mijn gast."

Welgemoed bespraken zij vele dingen, zij dronken wijn en aten gekruide
spijzen, al pratende. Eindelijk vroeg de kamerheer den knaap:

"Hoe zijt gij ten hove gekomen? Sloeg men u alreeds tot ridder?"

O! de arme, domme Ferguut! Wat wist hij van ridders en ridders'
manieren? Eerlijk zag hij zijn gastheer aan, en zijn jonge stem
droomde:

"Heer! ik meen wel, dat ik ridder ben, want de boer Somilet gaf mij
wapenen en een paard, zooals er geen beter ter markt komt. Hij wapende
mij met helm, met zwaard, met schild, en ik geloof, dat geen koning
ooit zoo edel staal droeg. Ja, ja, ik meen, dat ik een ridder ben."

Hieruit hoorde de kamerheer, hoe onnoozel Ferguut was. Hij vond behagen
in den knaap, die nog zoo weinig van het leven af wist en wien daarom
nog zoovele gevaren wachtten. Zou hij niet alleen om enkele uitdagende
woorden van Keye, den zwarten ridder gaan bevechten, van wien nog
nooit iemand levend was wedergekeerd? Arme Ferguut!

"Morgen zult gij ridder zijn--" sprak de kamerheer vriendelijk,
"men zal u uw kleeren afnemen, en u betere geven; dan zullen wij
voor den koning gaan, en hij zal u tot ridder slaan, u uw zwaard
aangordende. Zoo is het hier de zede. Ik-zelve zal u de sporen aan
uw voet spannen, ten aanschouwe van alle ridderen."

Bedroefd was Ferguut, dat men hem de kleederen, die zijn vader hem
gegeven had, ontnemen wilde. Hoe gaarne wilde hij ze behouden.

"Somilet, de boer--riep hij geërgerd uit, "heeft mij al ridder
gemaakt--heer! als ik doe, zooals gij me raadt, zal ik tweemaal
ridder zijn."

Met rustige woorden en rustig gebaar wist de kamerheer troost te
vinden. Ferguut leerde dien avond al veel, dat tot het leven behoort,
doch nadat twee knapen hem naar zijn vertrek hadden gevoerd, om te
rusten, sliep hij spoedig in, zonder dat droomen hem kwelden. In den
vroegen morgen werden hem de kleederen gebracht, en vol blijdschap
stond hij op, want dezen zonlichten dag zou hij door den koning tot
ridder worden geslagen.

Koning Arthur kwam van de mis en hij beval, om het schaakbord te
brengen, daar hij wilde gaan spelen. Maar de kamerheer en Ferguut
wachtten al op hem, en ze gingen voor den koning staan. Ferguut
groette, en deed zijn mantel uit. Hij knielde neder, en smeekte,
om tot ridder geslagen te worden.

Gawein naderde.

"Het is niet goed--" zeide hij ernstig, "dat Keye de vreemde ridders
bespot. Dezen hier koos ik gaarne tot mijn vriend."

"Uw naam," riep Ferguut uit, en hij voelde zich vol stille blijdschap,
dat hij een vriend had gevonden, "weet ik niet, maar goedertieren zijt
gij. Ik wil voor u zijn, wat ge van mij verlangt, doch eerst moet ik
den horen hebben en den sluier. Ik moet vechten met den zwarten ridder,
of hij zal mij overwinnen! Mocht ik echter ongedeerd terugkeeren,
dan kom ik tot u als een vriend."

Met smarte vernamen het nu Gawein en de andere ridders, dat Ferguut den
zwarten ridder wilde bestrijden. Zij allen vervloekten Keye, die door
zijn spot den edelen jongeling naar het avontuur had gedreven. Ferguut
kon echter niet langer wachten, en hij smeekte den koning, om hem
's ridders wapenen te geven. Noch door goed, noch door smeeken was
hij terug te houden. Men bracht hem harnas, lederen broek, en een helm
van staal, hoe fraai kleedden ze hem. Gawein voerde tot hem zijn ros,
Perchevael reikte den koning een zwaard, opdat hij het den knaap
zou aangorden. De kamerheer spande hem een spoor aan den rechter-
en Lanceloot aan den linkervoet. IJwein hield den stijgbeugel, toen
hij zich op het paard wierp, en nog gaf men hem een schild en een
sterke speer. Was er ooit eenig ridder, wien men meer eer bewees,
dan den armen Ferguut?

De nar zat bij het vuur, en warmde zich de handen. Even wendde hij
zich om, zag Keye aan met honenden blik, en riep toen met luide stem
tot den koning:

"Binnen korten tijd zult gij den ridder zien van de zwarte rots, aan
den hals het gebroken schild, om u den sluier en den horen te brengen,
en voor u neer te, knielen."

Keye begreep het wel, dat de nar dit zeide, om hem te ergeren, en hij
barstte bijkans van toorn. Zoo men het hem niet euvel had geduid, had
hij den nar gaarne gegrepen en levend verbrand. Nu deed hij, of hij
niets kon verstaan, en hij lachte, terwijl hij voor den koning stond.

Ferguut nam afscheid, van Arthur en zijn ridderen. Tot Gawein ging
hij en met hem sprak hij nog, voor hij vertrok. Gawein beval hem aan
in de hoede der Moeder Gods, en Ferguut reed heen, terwijl allen,
behalve Keye, in rouwe achterbleven, maar krachtig en vroolijk was
Ferguut, want op alle wegen was zonnelicht.

Hoofdstuk II

Ferguut en Galiëne

Den ganschen dag had Ferguut gereden, toen hij eindelijk kwam aan
een groot kasteel; op de brug zag hij een ridder, die een valk in
de hand hield, en naast hem stond diens nicht, de schoone Galiëne,
schoonere jonkvrouw kende men niet in het land van Alney. [8] Ze had
grijze, klare oogen, een glad en hoog voorhoofd; haar gelaat was
lang, recht en blank; rood waren de lippen, en ze had een kleinen
mond. Smal was ze van schouder, de armen waren lang, en de handen
klein en wit. Toen zij geboren werd, bedacht de natuur, om haar
alle schoonheid te geven, en volmaakt werd zij. Ferguut nam haar,
toen hij van zijn paard sprong, bij de hand. Een dienaar ontdeed
hem van zijn wapenen, en de jonkvrouw zag den ridder in liefde aan,
want ze vond hem schoon en wel van wezen. Ze dacht stil in zichzelf:

"Moge mijn oom het niet bemerken, dat ik den vreemden ridder min."

Men bracht het paard naar de kribbe vol haver, en toen togen zij
tezamen, de oude ridder, Ferguut en Galiëne, naar de zaal, waar zij
zich nederzetten. Doch Galiëne sprak niet tot Ferguut, den ganschen
avond niet, zoolang haar oom bij hen zat. Ze had te wachten, tot haar
oom sliep, en alles stil was. Toch, voor zij Ferguut haar smart beleed,
spraken veel stemmen in haar, met driftig-verwijtenden, met loktienden,
met spottenden, met twijfelenden klank.

"Lieve vriend Ferguut," zeide een stem, "dat ik lijd, hoe luttel weet
ge 't--"

Een andere stem, binnen-in haar hart, hoonde:

"Wat spreekt gij van vriend, zottin, nooit hebt ge hem vroeger
gezien! Erger ben ik dan een dief, omdat ik van hèm houd, dien ik
niet ken."

"Morgen zal hij heengaan," fluisterde een andere, vleiende stem,
"en spoedig zal hij mij vergeten zijn. Hoe zal hij weten, dat ik om
hem lijd?"

"Wist hij--wist hij--hij zou mij zijn liefde niet ontzeggen--"

"Zeg ik 't hem niet, nooit zal hij 't weten. Zeg ik 't hem ik zou mijn
geslacht in oneer brengen. Liever legde ik mijzelf in de doodkist,
dan dat mijn mond 't hem zou vertellen."

"Wat zal ik doen? Ja, ik zal heengaan--en zien, of er iemand
anders--Mijn vader wil mij altijd een rijk vorst geven, schooner dan
dezen jongeling."

"Schooner? Wat heb ik gezegd--Geen schooner jongeling vind ik--"

"Wist hij--wist hij--Hij zat bij mij--en zeide geen woord tot mij--Had
hij niet met mij gesproken, als hij me minde?"

Zachtkens fluisterde de liefde haar in de ooren, dat ze hem alles
zou zeggen. Toen kon ze geen weerstand meer bieden aan de lokkende
stemmen in haar hart, en in den duisteren nacht beleed ze hem luide,
wat zij leed.

"Niemand troost mij," zeide zij tot hem, "en ik gevoel pijn om
uwentwil. Mijn hart heb ik verloren--geef mij mijn hart, Ferguut."

"Jonkvrouw--antwoordde de domme ridder--wat wist hij nog van leed?--"ik
zag uw hart niet. Had ik uw hart, ik gaf 't niet. Ik zag 't niet
.... Ga van mij heen."

"Ach, heer ridder, wel hebt gij mijn hart, gij doet mij pijn. Mijn
hart is ten uwen dienst, luid en stil, ik behoor u toe. Geen geluk
is er voor mij zonder u. Gij hebt mijn leven en mijn dood."

Toen begon Ferguut te lachen. Meende de jonkvrouw, dat hij zich door
haar zou laten tegenhouden?

"Niet om deze dingen ben ik uitgegaan," sprak hij, "maar om te
strijden. Daarna zal ik tot u wederkeeren, jonkvrouw, maar gij moet
mij uitstel geven. Voorwaar! er is zelfs geen keizerin, die ik zou
vergunnen, om mij te minnen, voor ik den ridder bij de zwarte rots
heb overwonnen."

Nadat de jonkvrouw dit had gehoord, ging ze naar haar kamer, zich
schamende, dat zij den jongeling haar liefde had beleden. Zij
bleef wakker, en weder vingen alle stemmen in haar te spreken
aan. Toen besloot ze, om in den morgen, aleer iemand was ontwaakt,
het kasteel te verlaten. Zóó ging zij heen, voor Ferguut te paard was
gestegen. Hij vroeg niet, waar zij was. Hij liet zich den weg wijzen
naar de zwarte rots.

"Komt gij na uw strijd tot ons terug?" zoo vroeg hem zijn gastheer.

"Ik kom terug," antwoordde Ferguut, "zoo ik den horen en sluier heb."

Een wolk van stof was er aan het eind van den weg. De oude ridder
tuurde er nog lang naar, angstig om der wille van Ferguut. Doch hij
wist nog niet, dat Galiëne het kasteel had verlaten en door een paar
spottende woorden van Keye, zocht Ferguut het avontuur, terwijl hij
de liefde had kunnen vinden.

O! een avontuur, dat hem langen tijd zou heugen.

Want naar den top der rots ging maar een kleine weg, die niet breed
genoeg was voor man en paard. Hij bond het dier aan een olijfboom en
met veel moeite klom hij naar boven. Dikwijls bij het opwaarts-gaan
gleed hij naar beneden, en zijn hand werd wreed aan de doornen
gewond. Hij scheen niet verder te komen, en waar was de leeuw met
horen en sluier? Waar de ridder, die met hem zou strijden? Had men
hem dan ten hove niet de waarheid gezegd?

Toen vond hij eindelijk een kapel, waar hij binnen wilde
treden. Daarvoor stond een metalen beeld, een hamer in zijn hand,
dreigend van houding, maar Ferguut was niet angstig, en wierp hem
den hamer uit de vingeren. Nu bemerkte hij, dat er geen leven in het
beeld was, en hij schaamde zich, dat hij gestreden had met een man, die
zich niet kon verweren. In de kapel zag hij den leeuw, die van ivoor
was gemaakt. Hij rende erheen, hij ontnam hem horen en sluier. Hoog
richtte hij zich op. Driemaal stiet hij den horen, dat het geluid
verre in de ronde klonk. Trotsch daalde hij van de rots--zou hij
zonder gevecht bij koning Arthur komen? Hij ging naar den olijfboom,
hij sprong op zijn paard, hij nam schild en speer en riep:

"Waar is de ridder, die mij dooden zou. Hij kome hier! Al waren het
vijf ridderen, ik zou hen niet ontvluchten!"

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er was een donderend
geluid in het woud. Een zwarte ridder naderde Ferguut, zwart was hij
van hoofd tot voet, alleen zijn tanden waren wit. Zwart als de nacht
was zijn paard. Hij riep uit:

"Dief--wie ben je--jij, die mijn horen hebt--je bent verloren. Ben je
uit Allemanje, of uit Engeland? Heeft de koning je gestuurd? De zwakken
zendt hij mij toe, maar niet mannen als Gawein, als Lanceloot, als
IJwein, als Sagremort, als Perchevael. Waarom kwam Arthur zelf niet,
dat galgenaas, met twintig ridderen of geheel zijn leger? Morgen zal
ik hem jouw hoofd sturen, boven op een stok--te zijner schande zal
ik dit doen."

Zeker waren er nimmer twee ridders strijdende, zoo na elkander in moed,
kracht en lenigheid. Ferguut was zeer vertoornd, dat de zwarte ridder
met den koning had gespot, en in de eerste drift stak hij hem met
zijn lans door schild en harnas, en nauw gleed het scherpe ijzer het
vleesch voorbij, maar zijn vijand hieuw hem het schild aan tweeën,
en ook door Ferguut's harnas stak hij. Ten tweeden male aanvallend
drong de speer van den jongen knaap in het lichaam van den zwarten
ridder, wel een el diep, doch met een geweldigen slag stootte de
zwarte ridder Ferguut met de groote lans in de hand, zóó forsch,
dat het ijzer in tweeën spleet.

Met zwaarden vochten zij beiden, en van elkander's helm sloegen zij
groote stukken. Zwaard raakte zwaard en schild, de strijd duurde
voort. Toen brak het zwaard van den zwarten ridder, en hij moest
nederknielen, teneinde Ferguut om genade te smeeken.

"Geef u gevangen den koning Arthur," beval hem Ferguut, "en breng
hem den sluier en den horen. Dan wordt uw leven gespaard."

"Dood mij liever dan mij tot den koning te doen gaan, want vele zijner
mannen heb ik hem met dit zwaard, dat hier gebroken ligt, ontroofd."

"Zeg, dat ik u gezonden heb. Ik ken den koning, die u zijn genade zal
betoonen. Ga tot hem in de zaal, en breng al zijn heeren mijn groet,
behalve Keye, die met mij heeft gespot."

"Ik zal gaan--" antwoordde de zwarte ridder, "dan zal ik mij aan
hem gevangen geven. God verleene mij hulpe." Hij zwoer, dat hij
tot den koning zou gaan. Ferguut vroeg den ridder, dat hij eerst
zich van zijn wonden zou doen genezen, vóór hij vertrok, en hij
besteeg zijn paard. Hij reed dien dag door een woest land, zonder
avonturen te vinden. Daarna wendde hij zich terug naar zijn vroegeren
gastheer, den oom van Galiëne, en in schemerenden avond naderde hij
het kasteel. Onder de poort stond de oude ridder, een valk in zijn
hand. In de zaal waren vele ridders en vrouwen verzameld, die weenden
om Galiëne. Ferguut zag den goeden, grijzen man aan, die daar stond
met zooveel angst en smart op zijn gelaat, en hij riep uit:

"Zeg mij, waarom gij zoozeer lijdt--"

"Al mijn vreugde--," zeide de oude ridder met doffe, uitgeleefde stem,
"die ik vroeger had, is heen, want Galiëne is gevlucht. Nooit kwam het
in mijn gedachte, dat zij vlieden zoude. Heb ik haar iets misdaan?--"

Zij zwegen, en met moeite bedwong zich de edelman. Hij wees met
hoofsch gebaar naar zijn slot.

"Blijf heden bij mij, heer ridder, de nacht komt al nader, spreken
wij over andere dingen. Uw wapenen wegen zwaar, gij hebt met den
zwarten ridder gestreden. Uw harnas is vol deuken, uw schild is
gebroken. Vertel mij, hoe de wedkamp was."

Thans ook leed Ferguut, hij wist niet waarom. Een nevel was er voor
zijn oogen, en hij had het gevoel, dat zijn strijd vergeefsch was
geweest. Zijn strijd? Zijn strijd was achter hem, en wat vóór hem lag,
was zijn liefde. Hij wilde niet meer hooren van zijn strijd en vol
angst vroeg hij:

"Heer--zeg mij--waar is Galiëne?"

"Ik weet het niet--waar zij is heengegaan, doch deel mij mede, wat
er met u is geschied."

"Ach--waarom is ze heengegaan? Dat zij weg is ... verstaat gij
mij--? doet me pijn--"

Ze stonden tegenover elkander, twee mijlen had men kunnen gaan,
zóó langen tijd, elkaar vragend, zonder elkaar te beantwoorden. Had
Ferguut slechts geluisterd naar de schoone jonkvrouw Galiëne, die
hem haar minne beleed, doch hij verkoos avontuur en strijd om Keye's
hoon. Hij wist niet, waar Galiëne was, zoo hij 't geweten had, hij
ware haar gevolgd.

Het duurde langen tijd, voor de oude ridder bemerkte, dat Ferguut
droeve was. Hij schrok.

"Waarom lijdt gij, heer?"

"Ik heb verworpen, wat in mijn hand lag," kreet Ferguut, "wee
mij! dat ik gaan moest naast hen, die de liefde kennen, en dat ik
daarom schreien moet. Heel mijn leven dien ik haar te zoeken--dag
en nacht--tot ik haar vind. Kwam er een ridder, om mij 't harte uit
te rijten--kwam er een ridder, die mij dooden zou, om mij van mijn
smart te bevrijden."

De goede man greep hem vast.

"Het dunkt mij, dat het oneer voor u is, om uw smart te toonen. Het
is niet ridderlijk, om een vrouw te treuren. Ridder! ga met mij--ik
zal u geven, wat gij behoeft--spijzen--en rust."

"Nimmer meer wil ik wonen onder een dak, noch in dorpen, noch in
steden, noch onder eenige poort, tot ik weet, waar uw nicht is. Houd
mij niet tegen, zoo smeek ik u. Allen, die tot aan de Donau [9] wonen,
kunnen mij niet beletten te gaan."

De oude ridder deed geen moeite meer, om den jongen man tegen te
houden. Milde berusting was er in zijn gebaar.

"Vriend--," zeide hij, "God moge u beschermen. Het doet mij leed,
dat gij niet wilt blijven."

Ferguut antwoordde hem niet. Hij reed heen, het schild aan zijn hals,
de speer in de hand. Alomme was het nacht, doch in het duister was
een nevelende sluier van maanlicht.

Hoofdstuk III

Ferguut zoekt Galiëne

Niet lang had hij gereden, of hij zag een tent, opgeslagen in een
Bosch. Voor den ingang stond een dwerg, niet grooter dan vier voet, hij
hield, er de wacht. Zijn neusgaten waren wijd en plat, de lippen zwart,
de tanden wit, de mond was gespleten tot aan de ooren. Diepe rimpels
lagen er om zijn pikzwart lijf, een bult had hij op rug en borst.

Toen de ridder naderbij kwam, hief hij den stok, en sloeg fel 't
paard. Ferguut gaf het de sporen, dat het hoog-op steigerde en den
dwerg omver reed. Luid kreet de dienaar en de ridder binnen in de
tent ontwaakte. Hij schreeuwde:

"Wie is de man, die, terwijl ik sliep, mijn knecht sloeg?"

Hij was aldra ten bedde uit. Zonder wapenen trad hij naar buiten. Daar
hij zag, dat zijn dienaar lang-uit op den grond gestrekt lag, werd
hij toornig.

"Ware ik gewapend," zoo riep hij, "ik zou den dwerg wel weten te
wreken."

"Hebt gij wapenen in uw tent," zeide Ferguut rustig, "neem ze dan op,
en strijd tegen mij."

De ridder ging heen. Ferguut wachtte hem.

Bij de tent riep de ridder tot zijn geliefde:

"Haal mijn wapenen, ik moet strijden."

De jonkvrouw wist, welke wapenen hij verkoos. Zij bracht hem zijn
harnas, zijn stalen schild en zijn zwaard. Het ros voerde ze voor hem,
zij hield den stijgbeugel. Snel reikte ze hem nog de scherpe lans,
en hij reed woest Ferguut tegemoet.

"Wacht u, heer ridder! die mijn dwerg sloegt ... wacht u voorwaar! het
gaat om uw leven."

Ferguut, die hem zag komen, glimlachte om deze woorden. Hij gaf zijn
paard de sporen, en de ridders reden elkander tegemoet. De rossen bogen
de knieën en met zulk een kracht stiet Ferguut zijn vijand tegen het
schild, dat de vreemde ridder uit den zadel sloeg. De stijgbeugels
bogen beide.

De ridder sprong op, en trok het zwaard uit de scheede. Ook Ferguut
trok zijn zwaard. De jonkvrouw zag toe.

Zwaar van slag was iedere houw, en als met bijlen geslagen dreunde
het woud. Nu eens was het Ferguut, dan weder de ridder, die scheen
te overwinnen. Hun schilden waren gebroken.

Ferguut hief 't zwaard hoog, en gelijk een dalende hamer zoo fel,
deed hij het snijdend staal komen op zijn's vijands helm, die spleet
en in één ruk gleed 't zwaard door in den harden schedel.

Tot Ferguut kwam nu de ridder, om hem te smeeken:

"Ridder! genade, laat mij leven. Ik ben overwonnen, nooit zal ik
tegen u kunnen strijden. Wilt gij mij dooden het is in uw macht."

"Ga morgenvroeg naar koning Arthur," zeide Ferguut mild, "met den
dwerg, en uw vriendin--geef hem ulieden gevangen."

's Daags, dat hij verder-reed, was hij den strijd al weder vergeten,
en zoo ging het hem na ieder avontuur. Want hij was niet uitgegaan,
om te strijden, doch om Galiëne te vinden, en als zich roovers of
ridders op zijn weg stelden, strafte hij hen voor hun euvelmoed, doch
dan reed hij weder verder, denkende aan Galiëne, en aan zijn liefde. De
ridderen, die hij overwon, togen naar 's konings Arthur's hof, en ze
zeiden, dat Ferguut hen gezonden had. Ze groetten den koning en zijn
heeren, behalve Keye, die met Ferguut den spot had gedreven. Toen
werden boden gezonden, om Ferguut te zoeken, doch ze vonden hem niet.

Want Ferguut reed uit om het witte schild.

Een dag, dat hij meer had geleden dan ooit te voren, kwam hij aan een
fontein, en daar hij in twaalf dagen niet had gedronken, bukte hij zich
naar het water, en gretig leschte hij zijn dorst. Wonder! nauwelijks
had hij zich weder opgericht, of alle pijn was hem verre; niet was
hem Galiëne's naam meer een wonde, diep gesneden, in zijn vleesch,
tot in zijn bloed brandend, maar zoet was het te denken aan verleden en
toekomst. Zijn ziel was blijde, als zongen er leeuwerikken. Hij meende
al wel, dat hij hier Galiëne zou vinden, zoo blijde was 't om hem.

Bij de fontein stond een marmeren kapel; daarvoor zat een kleine dwerg,
die tot Ferguut riep:

"Ridder! wat zoekt gij hier? Meent ge, dat ge hier Galiëne vinden
zult? Een zot zijt gij. Eeuwig kunt ge hier weenen, aleer ge Galiëne
hier zoudt zien."

"Lieve dwerg," aldus antwoordde Ferguut, "hoe kent gij de schoone
vrouw, van wie ge spreekt?"

"In een ander rijk, voor gij waart geboren. Nooit zult ge haar vinden,
Ferguut, gij moet 't witte schild hebben, dat van ivoor is gemaakt. In
donkren nacht geeft het drie mijlen in den ronde licht. Hij, die
't draagt, zal niet worden overwonnen, is hij ten doode toe gewond,
hij wordt genezen. Die het schild draagt, hij wordt nooit oud, hem is
het wel te moede, des avonds en des morgens is hij blijde. Hij wordt
overal geëerd, zulk een man. De vrouwen minnen hem. Vaar wel, ridder."

In de kapel stond thans de dwerg, hij sloot de deur, en grendelde
ze. Luid smeekte Ferguut:

"Lieve dwerg, hoor mij, zeg mij, waar ik het schild kan vinden. Doe
de deur open en laat mij bij u komen. Ik heb Galiëne lief--dwerg--"

Er kwam uit de kapel geen antwoord, en Ferguut, die eerst aan
de fontein zijn kracht had herwonnen, zag nu, dat de dag voor hem
terugweek. Nevelen daalden van den hemel, stegen uit de aarde. Galiëne
was verder van hem dan ooit te voren. Het witte schild stond hoog en
onbereikbaar tusschen hen.

Weder ving zijn eindelooze zwerftocht aan. Velen stelden zich op zijn
weg, dan bevocht hen Ferguut met alle kracht, doch ook hier was hij
niet gegaan, om te dooden. Nergens hoorde hij van het witte schild,
tot hij kwam in een land, waar het stil was, en waar in de verte een
jongen schapen hoedde. Hij reed tot hem, en vroeg met moede stem,
daar hij hetzelfde reeds talloos-velen had gevraagd, twijfelend,
of hij wel antwoord zou ontvangen:

"Hebt ge wel ooit ergens van het witte schild gehoord?"

"Ja--" zeide de herdersknaap verwonderd over een zoo eenvoudige vraag,
"ik heb 't vele malen gezien."

Ferguut viel op de knieën en dankte God. Daarna wendde hij zich tot
den jongen.

"Vriend--" zoo sprak hij, "het witte schild wil ik hebben."

De knaap zag hem angstig aan. Was de ridder waanzinnig geworden?

"Ge spot met mij," riep hij uit. "Kent gij het witte schild wel? Ga
heden met mij mee, en leg u ter ruste."

"Lieve vriend ... zeg me ... waar ik het witte schild kan vinden
.... Ik heb het lang gezocht, ik kan zonder het schild niet meer
leven."

"De zon is al ondergegaan, het schild is vijf mijlen ver. Ik raad u,
heer, terug te keeren, vanwaar ge zijt gekomen, want vele mannen hebben
bij dit avontuur hun leven verloren. Wilt gij echter den weg weten,
ik zal u hem wijzen. Volg dit pad."

Ferguut reed tot den morgen, en hij naderde toen den toren, waar het
witte schild was. Hij zong een lied, zoo blijde was hij. Want het
witte schild zou hij winnen en door het witte schild Galiëne.

Op de brug van het kasteel zat een reuzin, wel achttien voeten lang. Op
de wereld was geen leelijker vrouw dan zij, ze had ooren als een hond,
uit haar mond schoten haar tanden, haar wenkbrauwen hingen haar een
halve voet over de oogen. Ze stond op bij Ferguut's nadering. Ze nam
haar wapen, een vlijmscherpe zeis, en wachtte hem.

"Schoone vrouw--" zeide Ferguut hoffelijk, "haal mij het schild,
dat ik begeer."

"Galgenaas--" lachte de reuzin grimmig, "ge krijgt het niet van mij,
doch ik zal u het lijf in stukken houwen."

De ridder reed op haar in, de lans geveld. Zij hief de zeis, om Ferguut
in tweeën te slaan, maar hij ontwrong zich haastig, en een groot stuk
kloofde zij uit een pilaar, zoodat de zeis doormidden brak. Ferguut
trok zijn zwaard, en sloeg het de vrouw op 't hoofd, met zulk een
slag, dat hij meende haar doormidden te hebben, gebroken. Haar echter
deerde het niet, zij opende den muil en beet hem door 't harnas in
den schouder. Ruggelings viel hij. Zij dacht, dat ze hem al overwonnen
had. Snel sprong hij, en hij sneed haar met 't zwaard de hand af. Thans
stortte zij terneder, en hij was op hetzelfde oogenblik bij haar,
om haar te dooden.

Nog was hij niet in het slot, want voor den toren lag een slapende
slang. Zacht gleed hij het vreeselijke dier voorbij, en greep het
witte schild. Niet vluchtte hij, hoewel hij dit had kunnen doen. Hij
streed met den slang, tot hij hem overwonnen had. Nog was er de
man der reuzin, die hem tegenhouden wilde, Lokefeer was zijn naam,
vervaarlijk van gestalte. Maar Ferguut was niet angstig, hij vocht
met Lokefeer, steeds denkend aan Galiëne. Zijn arm was krachtig,
zijn voeten vlug. Lokefeer greep hem stevig vast, om hem in 't water
te dringen, ook thans deed Ferguut's trouwe zwaard zijn plicht. In
de hand hield hij 't witte schild.

In het kasteel woonden twee jonkvrouwen, die door den reus geroofd
waren. Zingende blijde liederen waren zij eens met hare gelieven door
het woud gegaan, toen de reus kwam, en de ridders doodde. Twee jaar
hadden zij op haar bevrijding gewacht, die zoo plots was gekomen. Hoe
ze Ferguut begroetten, en hoe ze blijde waren! Zij aten en dronken
tezamen, de vrouwen waren welgemoed, Ferguut somber, want in den strijd
met den reus had hij zijn paard verloren. Was dan alles vergeefsch
geweest, zoo bedacht hij! Nooit zou hij bij Galiëne kunnen komen,
als hij geen paard had.

Één der jonkvrouwen vroeg hem:

"Heer! ge schijnt wel treurig, kunnen wij u niet helpen in uw nood?"

"Om mijn paard ben ik droeve--te voet kan ik niet gaan."

"Wees blijde, ik zal u een ros toonen. Zoo gij het kunt temmen,
het zou zeven dagen zonder rusten met u rijden. Pennevare is zijn
naam. Voor geen geld had de reus, zijn meester, het willen missen."

"Wijs mij 't paard--" riep Ferguut blijde uit, "ik wil het gaarne
zien."

Hij kwam in den stal, en bedwong het woeste dier. Zoodra hij reed,
werd de lust tot avontuur machtig in hem. Hij had nu alles, 't witte
schild, en Pennevare, het moedig ros, en eensklaps scheen 't hem,
of Galiëne hem was ontweken, nu hij haar nader was gekomen. Een gloed
spreidde zich langs spieren, tintelende over armen en handen. O! het
heerlijke, vrije avontuur.

"Weet gij--" vroeg hij, "waar ik lof en prijs kan behalen?"

"Hier niet--Toch--niet ver hier vandaan--is een stad, welke door
een koning wordt belegerd om een vrouw, die hij tot koningin
wil kronen. Zij heeft hem niet lief, en met geweld wil hij haar
winnen. Reeds menigeen van haar dienaren is gedood."

Ferguut was nog op niets bedacht. "Het strekt den koning tot oneer,"
zeide hij bedachtzaam, "dat hij geweld pleegt. Hoe is de naam der
koningin?"

"Zij is vrouwe van Rikenstene. Galiëne is haar naam."

Zonder nog iets te vragen, stond Ferguut op, en hij haalde zijn
paard. Al zijn wapenen nam hij mede. Als 't zonlicht straalde het
witte schild.

"Gaat gij heen?" zeide één der jonkvrouwen. "Wat is uw doel?"

"Ik wil ten Rikenstene. Gaarne wil ik den koning zien, die met zijn
leger trekt tegen Galiëne's stad."

De ridder reed op het ros Pennevare, en hij aanschouwde van een heuvel
de tenten voor den Rikenstene. Hij zag de banieren wapperen in den
wind, wimpelen, schitterende harnassen, schilden, kurassen. Dienaren,
de lederen broeken strak om de heup, een lans in de hand, trokken
op, koene ridderen reden. Als een woud van boomen waren de speren,
de helmen der ruiters waren open. 't Leger drong zich naar de stad.

Pennevare steigerde, en Ferguut hield de lans stijf in zijn hand. Wie
hem tegemoet kwam van Galiëne's vijanden, was verloren. De burgers
der stad verkeerden in gevaar, maar Ferguut was hun redder. Wat was
tegen hem bestand?

Toen hij zag, dat ze veilig waren, verdween hij uit het
gewoel. Langzaam reed hij naar de beide jonkvrouwen terug, en voor 't
eerst was er angst in zijn hart. Wel werd hij door koning Arthur tot
ridder geslagen, maar hij was de zoon van den boer Somilet, en zijn
hand was slechts voor den strijd gevormd. Hoe zou hij kunnen spreken
met Galiëne? Beter ware 't, haar te beschermen, en zich verre van haar
te houden, opdat zij nooit zou weten, hoe hij haar hielp. Bij de twee
jonkvrouwen was hij tehuis. Moede ging hij zitten. Zijn gelaat was
vol van bloed. Zij wieschen het af, en ze zeiden hem, dat hij bij
het vuur zou gaan zitten. Zij dankten God, dat hij niet gedood was.

Hij staarde in het vuur. Hij dacht niet aanzijn wonden, slechts met
Galiëne's naam was hij bekend. Haastig at hij 't eten, dat hem de
jonkvrouwen brachten. Toen liet hij Galiëne's naam in zich zingen,
en hij verwonderde er zich over, of hij gelukkig was of niet. Hij had
voor haar gestreden, al wist zij niet, wie hij was. Zijn zwaard had
haar gered, en geen belooning had hij haar gevraagd. Als hij weder
genezen was van zijn wonden, zou hij weder ten Rikenstene tijgen--nu
was hij machteloos. Het was nacht, en de slaap wilde zijn ziel niet
sluiten. Hij lag op zijn bed, hij zag, dat in den haard de vlammen
slopen om 't droge hout, maar droomen kon hij niet.

Ook Galiëne kon geen rust vinden. Ze riep één harer dienaars tot zich,
die zeer veel ridders kende, en vroeg hem:

"Wie was de ruiter met het witte schild, die den koning van zijn paard
stiet, en alleen meer deed dan alle anderen tezamen? God bescherme
hem! Goede hulp heeft hij ons bewezen, want ik ware gevangen en mijn
stad genomen, zoo hij ons niet had beschermd. Zeg mij, hoe hij heet."

De dienaar antwoordde:

"Vrouwe, hij is niet uit deze landen, doch vromer ridder zag ik
nooit. Den helm hield hij op 't hoofd, vele ridders, vele dienaren
doodde hij. Allen vloden voor hem. Wáár hij kwam, het was ten onzen
gunste."

"Mij verwondert het--" peinsde Galiëne, "uit welk land de ridder is--"
Ze hief haar schoon gelaat op. "En waarom kwam hij niet tot mij? Waarom
... het was nacht al."

De volgende dagen klonk al weder rumoer van den strijd, en weder
was het Ferguut, die de stad verloste. Hij vroeg ook ditmaal geen
dank. Stil reed hij naar 't kasteel in het woud, zijn ziel angstig
en verlangend tevens, om Galiëne weer te zien.

Den volgenden dag hield koning Galarant, die de stad belegerde,
krijgsraad, want hij had menigen ridder verloren, menigen dienaar. Hoe
zou hij zich kunnen wreken?

De groote heeren van zijn raad zeiden:

"Laten wij de stad aan alle kanten aanvallen, met geheel het leger. Dan
zullen wij u in uw macht Galiëne leveren, en hen, die binnen in de
stad zijn, verslaan."

Hoornen bliezen ten aanval. Er bleef niemand in het kamp, tezamen
trokken zij ten Rikenstene. Nauwelijks hoorde Galiëne 't geluid van
wapenen, of zij riep haar lieden tezamen, en liet ze post vatten voor
de poort. Zij smeekte:

"Behoud heden dezen dag mijn eer, want ik vrees den koning."

Op ten gevecht trokken ook zij, met strijdbijl, met piek, met lans.

Zoo traden zij elkander tegemoet.

Met groote scharen drong 's konings leger naar de stad, en dicht
schoten de verdedigers hun pijlen op hen af. Vol geweld stuwden
de belegeraars tot aan den muur, stootende en houwende tegen den
steen. Ladders zwaaiden zwiepend in de lucht, sloegen neer op den muur,
en in een korten tijd volgden de ridders en knechten elkander. In
hoogen nood was Galiëne. Ze riep een dienaar van den koning.

"Waar is Galarant, uw heer? Doe hem tot mij komen."

De koning kwam, verblijd. Hij riep:

"Zult gij mij nemen tot uw man, of moet ik u met geweld winnen?"

"Een ànderen raad heb ik gevonden," zeide Galiëne, "gord u ten strijde
met één uwer ridderen, en begeef u ten kamp met mijn kampioen,
hij alleen. Mocht hij u beiden overwinnen, dan zult gij dezen weg
verlaten. Maar mocht het zijn, dat ge mijn ridder verwondt, dan geef
ik u mijn stad en mijzelve. Binnen veertig dagen zal ik mijn kampioen
moeten vinden."

"Het is goed--" antwoordde de koning, "ik kies mijn neef Macedone,
met hem wil ik sterven en leven."

De koning reed heen, en vertelde Macedone, wat Galiëne had
geëischt. Deze was zeer verheugd, immers hij was een moedig en jong
ridder. Zij wachtten, tot Galiëne haar kampioen had gevonden.

Galiëne zat eenzaam in haar kamer, en ze sprak tot zichzelve:

"Eer ik 's konings vrouw word, dood ik mijzelve."

Galiëne had een dienares, die haar trouw was, en die het leed van
haar meesteres dag en nacht mede-leed. Zij zeide dus tot Galiëne:

"Vrouwe! ik zal u raad geven. Laat mij gaan tot koning Arthur,
die zoovele vrome ridderen in zijn dienst heeft, Gawein, IJwein,
Perchevael, Sagremort, Lanceloot, Bohort, Agravein en Gariec, Mereagis
en Erec, Keye, Leyvale, Laquis van Portegale en Walewein. Ik zal koning
Arthur en Genovere smeeken, dat zij een hunner vraagt, om u te helpen."

"Ga, Lunette"--glimlachte Galiëne droeve, het meisje omarmend. Daarna
reed Lunette naar 's konings hof. In de zaal zat de koning eenzaam,
want zijne ridderen waren er niet.

"Heer--" zeide 't meisje "is hier eenig heer, die met mij zou willen
rijden ten Rikenstene, waar mijn meesteres belegerd wordt door een
koning, alleen omdat hij haar tot vrouw begeert? Thans zoekt zij
een kampioen, die met hèm zal strijden en met Macedone, zijn neef,
een moedig ridder."

Troosteloos was koning Arthur's stem:

"Hier is niemand, die voor u vechten kan. De ridders van de tafelronde,
de besten, die met mij waren, zijn een ridder gaan zoeken, dien ze
gaarne ten hove brachten. Kwam er iemand weder, ik zou hem gaarne
vragen uw kampioen te zijn."

Meer dan dertig dagen wachtte Lunette aan Arthur's hof, of er geen
ridder weder-kwam, doch de heeren bleven uit. Eindelijk moest ze
wel terugkeeren.

Met een zweep dreef 't meisje haar muilezel aan, en 't dier liep,
zoo hard 't kon. Dag en nacht reed zij, tot ze kwam in het woud,
waar de witte ridder was. Hij zag haar en naderde haar.

"Jonkvrouw! waarom deze spoed?" aldus vroeg hij verwonderd, "kom af
van uw muilezel. Ge hebt geen knaap bij u, om u te beschermen. Het
is nacht."

"Ridder--laat mij gaan--want ik ben treurig," schreide Lunette.

"Heeft iemand u geslagen, heeft iemand u gekrenkt?"

Lunette hieuw op den ezel, opdat hij verder zou gaan. Ferguut greep
den teugel.

"Jonkvrouw! ik moet weten, wat er is geschied, voor gij verder moogt
trekken. Zeg mij, waarom ge schreit."

"Heer! uw naam weet ik niet--" kreet Lunette angstig, "maar ik smeek
u, om me te laten gaan. Het is meer dan tijd. Aan den hemel zie ik
de sterren, al lang is de zon ondergegaan. Ik moet verder, zeg ik u."

Ferguut sprak rustig:

"Ik moet alles van u weten."

Daarna vertelde Lunette, waarom zij was uitgereden. De ridder zeide:

"Zeg uw meesteres, dat zij niet behoeft te vreezen. Haar liefste zal
haar beschermen."

"O! ge drijft den spot met mij," riep 't meisje, "laat mij toch
vertrekken."

Hij liet haar heengaan. Lunette geeselde 't muildier, dat liep
met al zijn kracht. Voor den dageraad was zij al ten Rikenstene,
en onmiddellijk begaf ze zich naar Galiëne's kamer. Ootmoedig viel
zij op haar knieën:

"Jonkvrouw--jonkvrouw--bedenk, wat ge morgen moet doen. Ik vind geen
kampioen voor u. Spreek recht over mij, en laat mij verbranden--het
is mijn verdiende straf."

"Lunette--Lunette--" klaagde Galiëne, "ik zal u geen kwaad doen. Weet
ik niet, dat gij om mij lijdt? Ware ik dood, o! te moeten leven in zulk
een pijn, te leven, Lunette! Er is geen graaf en geen koning, dien ik
kan minnen. Hem, dien ik liefheb, kan ik niet van me verdrijven. Is
hij dood? Ik moet aan hem denken. Leeft hij, leeft hij?! Hij zou
niet naar me vragen, en toch heb ik hem lief. Lunette--God geve hem,
wat hij verlangt. Ik min hem, die mij veracht. Lunette!--"

Verwonderd zag Lunette haar aan:

"Een ridder niet ver van hier--in een woud--deed mij u zeggen, dat
uw liefste u beschermen zoude. Ge zoudt niet bevreesd zijn."

Galiëne schudde haar hoofd. Haar diepe stem--meer kwam ze uit 't hart
dan van de lippen--was verder dan een echo, terwijl zij sprak:

"Dit, Lunette, kan niet waar zijn. De ridder, dien ik min, zal mij
niet beschermen. De ridder in 't woud zeide het, daar hij u troosten
wilde van uw leed." Lunette wist geen antwoord te vinden, en daarom
zeide haar meesteres:

"Ik zal mijn gebed zeggen. Onze Heer zij onze kampioen, Hij zal ons
van onze smart verlossen. Wat Hij doet, is welgedaan."

Zij zonken op haar knieën en smeekten om redding.

Dienzelfden morgen al vroeg had Galarant, de machtige koning, een
boodschap naar zijn neef gezonden, dat hij zou komen. Hem was het
vroolijk te moede. Hij liet zich zijne wapens brengen, en alle blijde
liederen, die hij kende, begon hij te zingen. Heden was het de dag, dat
Galiëne zijn vrouw zou worden. Vol vreugde liep hij zijn neef tegemoet,
toen deze kwam, en met eigen handen wapende hij hem. Hun rossen
sprongen als ten dans. Het zonlicht was op hun harnassen. Stralende
ridderen waren zij voor de muren van den Rikenstene--vonken en vlammen
schenen van hen af te schieten. Hoog richtten zij zich op.

De koning sprak:

"Vrouwe Galiëne--kom, vertoon ons uw kampioen. Wij zijn hier, de
ochtend is reeds verre. Waar is uw ridder, die strijden zou? Ik zie
hem niet. Ik zal hebben stad en land en uzelve. Spoed, ontsluit de
poort, want te lang wachtten wij. Kom tot ons."

Galiëne antwoordde, en ze wist haar stem te bedwingen, in wier diepste
diepte geen trilling was:

"Het is nog geen avond, nog kan mijn ridder komen, en mijn eer
bewaren."

Ze keerde in haar kamer terug, en weende zeer, hulpeloos en
eenzaam. Daarna deed ze haar lieden bij zich komen, en vroeg hun raad:

"Heeren! ik heb geen kampioen, zeg mij, wat is er, dat mijn lot
kan keeren?"

Ze verschilden niet van meening. De oudste hunner stond op.

"Vrouwe! we moeten u den koning geven, of hij zou ons dooden. Hij is
onze heer. Wij zwoeren 't bij onze trouw, en ook gij zwoert hetzelfde,
koningin."

"Gij heeren, daar hij hier moet komen, en gij hem uw leeneed wilt
zweren, houdt hem nog een luttelen tijd bij u--"

"Vrouwe, uw raad willen wij volgen."

Ze wist niet, dat de witte ridder al was uitgereden. Het was al laat
op den dag, dat hij den Rikenstene naderde. Hij hoorde, dat de koning
tegen de poort klopte, roepende:

"Ontsluit de poort, ontsluit, ontsluit, en geef mij have en goed! Ik
hang u op, voorwaar, zoo ge mijn wil niet doet. Wat laat gij mij
wachten en roepen--"

Ferguut trad hem in den weg. Pennevare's schaduw was ver over 't land.

"Heer--ge bedrijft kwaad," zeide hij met ontroerde stem, "dat gij deze
vrouw, die u niet mint, met geweld wilt nemen. Laat haar met vrede,
dan doet gij wel. Keer weder in uw land."

Galarant riep schamper uit:

"Ridder, wat wilt ge van ons? Rijd heen, zoover u uw paard kan dragen,
of ik zal u met mijn zwaard doorsteken." Macedone was een driftig man.

"Als gij haar kampioen wilt zijn, laat ons strijden."

"Dit zal geschieden," beloofde Ferguut.

Zij zetten hun paarden aan, Macedone en de koning te eener zijde,
Ferguut te anderer. Zij hieuwen tezamen op den ridder in, die het
witte schild droeg, zóó krachtig, dat hem wel achthonderd ringen uit
zijn pantser braken. Doch Ferguut bleef in den zadel, en glimlachte
om de booze woorden, die zijn vijanden riepen. Zag niet Galiëne naar
hem? Wat deerde hem pijn? Hij mocht haar beschutten.

Op Macedone keerde hij zijn volle kracht, en met zijn lans stiet hij
hem van zijn paard. Dood bleef de ridder liggen.

De koning greep naar zijn zwaard, toen hij Macedone zag
vallen. Smartelijk riep hij uit:

"Gij waart mijn troost, mijn schild en mijn speer. Nu zijt ge
dood. Wanneer ik geen wraak om u mag nemen, zal mij 't hart breken."

Hij greep Ferguut bij den hals, en sloeg hem tusschen de opening van
den helm. De wereld zonk van den witten ridder weg, ternauwernood had
hij kracht, om te ontvluchten. De lieden van de stad werden angstig. De
koning volgde hem. Maar in 't vlieden herwon Ferguut zijn tintelende
leven. Hij deed Pennevare wenden, en het witte schild nam hij van
den arm. Hij hieuw naar Galarant. De slag miste den koning, doch 't
staal sloeg den kop van 't paard af. Onmiddellijk sprong Galarant van
den grond, het zwaard in de vuist. Ferguut gleed uit den zadel, en te
voet streden de helden, tot de zon onderging. Niet verre meer was de
nacht. Daarom vreesde Ferguut, dat hem de koning zou ontsnappen, en hij
greep Galarant om 't middel, met hem worstelende. De koning viel, en
Ferguut hield 't zwaard gereed. Galarant smeekte om genade. Vorstelijk
zeide de witte ridder:

"Heer koning! wil dan gaan ter koningin van den Rikenstene." Hij
aarzelde met het uitspreken van den naam. "Galiëne is haar naam, zoo
geloof ik. Wees haar onderdanig, en vaar henen ten koning Arthur. Zeg
hem, dat u een ridder met een wit schild overwon, die eens door Keye
werd bespot. Groet alle heeren, die ge ziet, maar vermijd het Keye
te groeten. Zeg hem, dat ik hem niet vergeten ben."

Toen zag hij naar de muren der stad, en 't was hem, of Galiëne
hem riep:

"Kom tot mij, Ferguut, gij die mij gered hebt."

Hij zag hare gedaante, en met moeite luisterde hij naar
zijn schuchterheid. Was hij niet zoon van den boer Somilet,
de arme, arme Ferguut? Wat had hij haar te geven in ruil voor
haar schoonheid? Spoorslags reed hij heen, zonder nog naar den
Rikenstene te zien. Galiëne liet hij eenzaam achter; in haar hart
was zijn naam gevangen. Dacht ze aan iemand anders dan aan hem,
toen ze haar raad tezamen riep? Ze had een sterken arm noodig, om
haar te beschermen. O! ook haar land had een koning van noode. Daarom
verzamelde ze haar heeren. Zij zaten stil om haar, en luisterden naar
haar diepe, ernstige stem, door veel vrouweleed verdroefd. Zoo klinkt
de stem des herfsts in een bosch.

"Gij heeren--hier tezamen--ik mag mijn land niet zonder vorst
laten. Raadt mij. Kent gij niet in eenig land een ridder, wien ik zoo
genegen zijn kon, dat ik hem tot mijn man koos? Zoo hij arm ware--"
het was als stond Ferguut bij haar, terwijl zij deze woorden zeide,
"zoo hij arm ware--ik ben rijk genoeg, en ik zou hem tot heer maken
van mijn land. Die naar goed en rijkdom ziet, God geve hem schande."

Allen antwoorden ze haar. Één antwoord gaven zij altegader.

"Jonkvrouw! we zouden u raden, om den ridder te nemen, die u in
uw nood heeft geholpen. Al ware 't, dat hij niet rijk is, zulk een
man mogen vrouwen minnen. Wisten wij slechts, vanwaar hij kwam--wie
't is--werwaarts hij ging."

Galiëne glimlachte.

"Had ik hem maar hier--maar hij is heengegaan." Ernstig ging ze voort:

"Heeren, morgen wil ik ten hove gaan, en koning Arthur vragen, of
hij geen man kent, die koning over mijn land kan zijn."

Al de heeren loofden haar om dit besluit. Het was diep in den nacht,
dat de raad uiteenging. 's Anderen daags bij het opgaan der zon reed
men echter al uit, Galiëne en haar gevolg, en ze togen naar koning
Arthur's hof.

De jonkvrouw trad voor 's konings troon, en allen in de zaal werden
stil. Men hoorde het, dat haar stem de zuivere echo was harer ziel. Wie
er naar luisterde, kon een jaar langer leven.

"Heer--zoo het uw wil is," sprak ze .... "ik zou u dank zeggen, als
gij mij een man gaaft. Want ziek zijn wij, vrouwen, die noch kunnen
strijden, noch kunnen rechtspreken in ons land. Geef mij een voogd,
die mijn rijk zal regeeren."

Arthur zag haar aan, en zeide vriendelijk:

"Zoo ware helpe mij God. Zoo Genovere dood ware, nam ik u tot
vrouw. Ik ken geen ridder, die u betaamt. Hoor mij daarom aan,
wat ik te raden heb. Ik zal boden zenden naar alle landen, en een
tournooi uitroepen, waarin mijn ridderen zullen strijden tegen hen,
die van buiten komen. Een maand lang zal het tournooi duren, en wie
hierin overwint, zal waardig zijn voor uw liefde."

"Heer, ge bewijst mij vriendschap en groote eer. Wat gij wilt doen,
is mij goed."

De koning deed brieven zenden naar alle landen, om in het strijdperk
te komen, doch Ferguut hoorde niets van het tournooi, tot hij in het
woud een dwerg tegenkwam, die er henen reed.

"Heer ridder! als gij er wilt zijn, moet gij u haasten."

Ferguut wapende zich.

"Nu zal ik Keye ontmoeten."

Op Pennevare reed hij. Het tournooi zou beginnen. Des konings standaard
stond in het veld. Luide riepen de herauten:

"Ridders! het is tijd. Wapent u! Wapent u!"

Allerwege waren stellages, waar vrouwen op zaten, die blijde naar
de stemmen luisterden, welke de ridders ten tournooie riepen. Op
de hoogste stellage waren de koning Arthur, Genovere, Galiëne, de
koningin van Avalons, Aglentine, Alemandine, Sibilie, alle schoone
en voorname vrouwen. Keye kwam vóór koning Arthur. Alle ridderen van
de tafelronde hadden de helmen gebonden. Keye riep uit:

"Koning! mij lokt 't eerste gevecht. Ginder zie ik een ridder, diens
paard wil ik de koningin van Rikenstene geven."

Ferguut zag Keye, die met hem had gespot, en nooit had hij zich zoo
krachtig gevoeld. Niemand kende hem. Keye meende al wel gemakkelijk
spel te spelen. Hij stiet met zijn lans tegen 's ridders schild, en de
schicht brak. Los, spottend, kwam Ferguut's slag terug. Keye tuimelde
achterover, en hij viel in een beek, die door de vlakte stroomde.

"Help mij--" riep hij, "help mij, of ik verdrink. Mijn been is
gebroken."

Men haalde Keye uit het water en droeg hem op een schild weg. Ferguut
had zich wel gewroken. Het tournooi ging voort.

Goed streden Lanceloot, Gawein, Sagremort, Perchevael, Erec, Bohort,
Lyonel, Mereagis, IJwein, Laquis, de koning van Spanje, de koning van
Roemenië, ridderen van Anjou, van Provence, maar die 't beste vocht,
was hij, die het witte schild droeg.

Allen prezen hem, en de vrouwen vroegen:

"Wie is die jonkheer? Zulk een zou men gaarne minnen." Koning Arthur
zelf riep uit: "Voor heden geef ik den witten ridder den prijs. Het
is nacht. Morgen zal men voortgaan."

Koning Arthur, zijn vrouwen, zijn ridderen trokken weg, ieder naar
paleis of huis. Alleen Ferguut bleef eenzaam achter. Nadat men in de
hofzaal had gegeten, zag de koning de tafel rond. Hij riep uit:

"Laat ons den ridder eeren, die Keye en mijn ridders heeft
overwonnen. Is het niet recht, dat wij hem den prijs gunnen?"

Ze zochten hem ten allen kant, maar zij vonden hem niet, er waren
graven en koningen, ridderen uit vreemde landen, doch de held der
helden was niet aan den disch. Er was niemand, die hem kende, en vol
droefenis ging koning Arthur slapen. Den volgenden ochtend vroeg
ging hij ter misse, hij reed uit. Weder volgden hem vele ridders,
doch nergens zagen zij Ferguut. De heeren van de tafelronde zeiden
tegen elkander, dat ze zich schaamden, daar een vreemde ridder hen
had overwonnen. Ieder sprak:

"Als ik hem ontmoet, heden, die gisteren zoo goed streed, ik zal
hem overwinnen."

De wapenkoningen trommelden. Trommelslag op trommelslag klonk:

"Kom ten tournooi, kom ten tournooi."

Perchevael reed uit. Geen in den kring, die niet naar hem zag. Was
het niet Perchevael, die menige heldendaad had volbracht? Hem reed
Ferguut rustig tegemoet. Nadat hij hem genaderd was, gaf hij Pennevare
de sporen, en in een wervelwind drongen de twee dapperen op elkander
in. Wie was er tegen den witten ridder bestand? Perchevael sloeg
van zijn paard, en reeds had Ferguut hem verlaten. Menigeen velde
hij. Vele paarden en zadels maakte hij buit.

"Die witte ridder," fluisterden de vrouwen onder elkander, "bedrijft
groote wonderen, al de heeren van 's konings hof overwint hij--" Menige
vrouw zag alleen naar hem, hoe hij streed en vooraan in het gewoel was.

"Nooit," zeide koning Arthur, "zag ik een ridder, die moediger
vocht. Wie zal mij zeggen, wie hij is?"

Maar niemand wist zijn naam. Toen zwoer de koning, dat hij wilde
wachten, tot hij den ridder beter kende: dan eerst zou hij hem
Galiëne schenken. Zoo ging het tournooi vele dagen voort, en de
meeste ridderen van de tafelronde werden achter elkander uit den
zadel gestooten, Boört, Sagramort, Laquis, Mereagis, Erec, IJwein,
Agravein, Gosengoot en Lanceloot, allen mannen van beroemden naam.

Gawein vroeg den koning, of hij strijden mocht. Klagend was zijn
stem. Al zijn vrienden waren overwonnen.

"Niet geef ik u het recht, om te strijden," zeide koning Arthur
ernstig. "Liever, Gawein, verloor ik de helft van mijn goed, dan dat
een ridder van uw naam zou worden geveld."

"Al mijn lieden zijn geveld," antwoordde Gawein somber, "zoo ik niet
ten kampe tijg, heb ik mijn eer verloren."

Al vroegen hem de vrouwen, dat hij niet zou gaan, zij en de koning
wisten hem niet meer te weerhouden. Gawein reed heen, en de ridderen
weken van hem.

"Daar komt Gawein," fluisterden zij, "de beste, die er leeft. Nooit
vond men zijn gelijke."

Niemand durfde hem te ontmoeten. Wonder! ook de witte ridder wendde
zich van hem af. Gawein zond hem een bode toe.

"Wilt gij niet met Gawein in het tournooi komen? Gij wacht te lang."

"Ik zal niet tegen hem strijden," zeide de witte ridder met droeve
stem, "hij kan mijn paard krijgen, ik bied 't hem aan."

Verwonderd hoorde Gawein, wat de held had gezegd. Hij ging op den
witten ridder toe.

"Kon ik u overhalen ten kamp, tegen u strijd ik gaarne. Zeker hebt
ge geschertst, toen ge mij uw paard hebt aangeboden zonder strijd. Al
mijn vrienden hebt gij overwonnen.

"Niet wil ik strijden met u--neen! met u niet. Maar ik wil u dienen."

Hij zette den helm af, en vertoonde zijn gelaat aan Gawein. Vol
blijdschap en verrukking zag hem de oude ridder aan. Dit was Ferguut,
de jonge held. Hij voerde hem tot den koning:

"Dit is de jongeling -" riep hij, "die Keye het scheenbeen heeft
gebroken, omdat hij met hem kortswijl heeft gedreven, in uw hof. Wel
heeft hij zich gewroken."

De koning glimlachte vriendelijk.

"Ridder! gij zijt een moedig held. Er was vrouw noch maagd, die u
niet geroemd heeft."

Hij bewees Ferguut groote eer: de banieren werden opgerold, het
tournooi was gedaan. De koning hield hof, en de ridder met het witte
schild zat naast hem. De koning deed Galiëne tot zich komen, en vele
andere schoone vrouwen.

"Lieve Galiëne," zeide Arthur, de vorst, "ik zal u dezen ridder geven,
die al mijn heeren heeft overwonnen. Ferguut is de naam des ridders,
die altijd het witte schild voert, dat de reuzin en de slang hebben
bewaakt. Menige moedige daad heeft hij volbracht."

Galiëne zag den ridder aan, en zuchtte. Dat was de man, die haar
zijn liefde had ontzegd. Ze werd bleek en rood, ze kon niet denken
en spreken, zoo schaamde zij zich. Eindelijk wist ze te stamelen:

"Heer koning--ik moet het gedoogen--wat gij wilt ... is mij lief."

Toen trouwde een bisschop de schoone Galiëne en den edelen Ferguut. Het
was een feest, als nooit eerder in een land werd gegeven. Veertig
dagen duurde het gelag.

"Heer--ik moet Galiëne volgen," zoo sprak Ferguut tot den koning,
nadat het feest voorbij was, "ik ben echter één uwer ridderen,
wanneer gij me roept."

"Vaartwel," sprak Arthur, de vorst, droeve, "allen moeten wij van
elkander gaan. Onze Heere God moge u begeleiden."

Zij reden heen. Gawein en Gosengoot, Perchevael en Lanceloot brachten
hen tot den Rikenstene. En Ferguut en Galiëne waren gelukkig, hun
geheele leven lang.

Onderwerp

AT 0314A - The Shepherd and the Three Giants    AT 0314A - The Shepherd and the Three Giants   

ATU 0314A    ATU 0314A   

Beschrijving

Eens ging koning Arthur met zijn ridders op jacht. De boerenjongen Ferguut ziet het gezelschap en besluit ook een ridder te worden. Bij het hof van de koning wordt hij bespot door de Ridder Keye, die hem de opdracht geeft pas terug te komen als hij de Zwarte ridder heeft verslagen. Ferguut gaat op weg en ontmoet onderweg de jonkvrouw Galiëne. Galiëne is op slag verliefd op Ferguut en schenkt hem haar hart. Hij wijst haar echter af omdat hij eerst zijn opdracht wil vervullen. Na een lange weg verslaat Ferguut de Zwarte ridder. Hij schenkt de man genade op voorwaarde dat hij zich meldt bij het hof van Arthur en iedereen groet, behalve Keye. Als hij terug keert naar het kasteel van Galiëne is zij verdwenen. Hij zweert haar te vinden en gaat naar haar op zoek. De ridders die hij onderweg verslaat stuurt hij naar het hof van Arthur, en allen moeten iedereen groeten, behalve Keye. Uiteindelijk komt hij in een stad aan waar Galiëne gevangen is genomen door koning Galarant. Ferguut bevrijdt de stad en Galiëne, maar durft zich niet aan haar te tonen omdat hij zichzelf niet waardig voor haar acht. Koning Galarant blijft de stad belegeren totdat Galiëne met een voorstel komt. Ze stelt een duel voor tussen Galarant en één andere ridder en een door haar gekozen ridder. Als Galarant wint, wint hij haar, anders moet hij haar met rust laten. Ferguut is de ridder die haar verdedigt en opnieuw overwint hij, maar nog voelt hij zich niet waardig genoeg voor Galiëne en hij verlaat de stad. Dan roept Galiëne de hulp in van koning Arthur om een man te vinden die haar kan beschermen. Arthur roept een toernooi uit. Ferguut doet anoniem mee. Nadat hij zijn eer heeft gewroken door Keye te overwinnen, wint hij nog veel gevechten. Uiteindelijk maakt hij zich bekend en worden hij en Galiëne in het echt met elkaar verbonden. En ze leefden nog lang en gelukkig.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p. 275

Commentaar

1918
Theo meder: Dit 'volksverhaal' is in feite een navertelling van de Middelnederlandse ridderroman Ferguut. Het is maar zeer de vraag of deze roman in de mondelinge overlevering ooit gecirculeerd heeft. Wel is het een feit dat de Ferguut deels is opgebouwd uit sprookjesstof.

Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918:
FERGUUT, RIDDERROMAN UIT DEN FABELKRING VAN DE RONDE TAFEL
(blz. 275-311). In 1908 verscheen de laatste Hollandsche Uitgave van de
Ferguut, en wel van dr. Eelco Verwijs, opnieuw bewerkt en uitgegeven
door dr. Verdam. Door mij is tevens geraadpleegd het werk van
L. G. Visscher (1838). Men begrijpt, dat door mij het werk van Visscher
reeds hierom wordt gewaardeerd, omdat deze ervoor heeft gewaakt,
dat de "Ferguut"--voor mij de mooiste ridderroman uit den Fabelkring
van de Ronde Tafel--is blijven leven in veler belangstelling. Wel zal
ik niet ontkennen, dat Verdam een verdienstelijk werk heeft gedaan,
door in het wetenschappelijk tournooi deze "gebrekkige uitgave" den
genadestoot toe te brengen, maar ik, bovenal bewogen als schrijver
door den werkelijken roman, moet mij van dezen kamp afzijdig houden.

Voor mij is de "Ferguut" nog als stroomend bloed in 't lichaam van
dezen tijd, en wij zelf kunnen er ons in weder-kennen, wij de onervaren
droomers, die het leven moeten leeren begrijpen. Onze jonge ziel gaat
uit naar een verheven doel ... tot alles achten wij ons wel bekwaam,
en uittrekkende ontmoeten wij onze eerste vijanden, nadat we den
twijfel hebben overwonnen. Staat daarna niet Keye, de spotter, voor ons
allen gereed? Maar, o wonder! komt niet tegelijkertijd onze eerste,
groote vriend, die de hand op onzen schouder legt, maar die niet kan
beletten, dat wij daarbuiten weder moeten zwerven, zonder genade--

De arme Ferguut! In _zijn_ tijd [30] het type van den vaarlijken
ridder, al komt hij op uit eenvoudig geslacht, wordt hij voor
ons eeuwiglijk de droomer, de strevende man, die voortdurend wordt
gehinderd door 't leven. Men ziet, dat 't geluk dichtbij hem is, doch
lichtzinnig als een jonge knaap, die lachend wijst naar de scherven
eener gebroken vaas, weet hij niet, welke kostbaarheid er voor hem
verloren gaat. En als wij later zien, hoe hij zich afwendt van de
jonkvrouw Galiëne, vol schaamte over zijn moed, nadat hij haar heeft
bevrijd, zeggen wij:

"Het was een mensch, deze Ferguut, en hij leeft als een man in 't
boek van een groot schrijver."

Heb ik de ontroering mijner ziel, terwijl ik de Ferguut voor
u vertaalde, genoeg in 't werk zelve kunnen leggen? Dit is de
menschelijkste der Arthur-sagen, een der meesterwerken van de
wereld-literatuur.
Voor een afbeelding, zie beeld.
The Shepherd and the Three Giants & AT 0300, The Dragon Slayer

Naam Overig in Tekst

Koning Arthur    Koning Arthur   

Perchevael. Gawein    Perchevael. Gawein   

Genovere    Genovere   

Ferguut    Ferguut   

Somilet    Somilet   

Galiëne    Galiëne   

Lunette    Lunette   

IJwein    IJwein   

Laquis van Portegale    Laquis van Portegale   

Lanceloot    Lanceloot   

Bohort    Bohort   

Sagremort    Sagremort   

Agravein    Agravein   

Gariec    Gariec   

Galarant    Galarant   

Macedone    Macedone   

Barlebaen    Barlebaen   

Lokefeer    Lokefeer   

Pennevare    Pennevare   

God    God   

Alney    Alney   

Rikenstene    Rikenstene   

Avalons    Avalons   

Aglentine    Aglentine   

Alemandine    Alemandine   

Sibilië    Sibilië   

Aljou    Aljou   

Naam Locatie in Tekst

Keye    Keye   

Spanje    Spanje   

Roemenië    Roemenië   

Provence    Provence   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20