Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN049 - De sage der "Lutine"

Een sage (boek), 1918

Hoofdtekst

De Sage der "Lutine"

In het kleine kantoor der bankiersfirma Goldsmith in Londen was
't heel stil. De jongste bediende was bezig de ganzenveeren pennen
te versnijden, en de oudste schreef onderwijl met zijn mooie
handschrift--waarom hij algemeen benijd werd--een brief naar een
kassier in Birmingham. Een paar vliegen zoemden rond.

Toen werd er zachtjes aan de deur geklopt, en de oudste bediende riep,
zonder 't hoofd op te heffen:

"Binnen!"

Een lange, grijze man trad de kamer in, bleef even op den drempel
staan, en vroeg:

"Mr. Goldsmith?" De bankier stond op.

"Dat ben ik."

"Kan ik u spreken?"

Naast de kamer was een klein kantoortje. Mr. Goldsmith meende, dat het
een vreemdeling was, die gaarne zaken met hem wilde behandelen, en hij
ging hem voor. Hij bood hem een stoel aan en de grijsaard ging zitten.

"Waarmee kan ik u van dienst zijn?"

"Sta mij toe, u mijn naam niet te noemen. Ik heb iets voor u
medegebracht, wat van het hoogste gewicht is. Maar mijn naam heeft
geen klank, en niet ik-zelf, doch wat ik u schenk, heeft waarde."

Uit zijn kaftan haalde hij een enveloppe, en tegelijkertijd stond
hij op.

"Zie nooit, wat deze enveloppe bevat. Berg ze weg, zooals ge uw
schande zoudt verbergen--dat niemand ze vinden kan. Zoolang gij het
couvert ongeopend laat, zult ge gelukkig zijn, en aan den anderen kant,
wee uw huis! zoo ge de zegels verbreekt."

Hij legde de enveloppe op tafel, en ging ijlings heen, Hij was reeds
uit 't kantoortje, en de kamer, waar de twee bedienden zaten, vóór
de bankier hem kon terugroepen. De tijd schreed voort.

Mr. Goldsmith sloot den brief van heil en onheil achter slot en
grendel, en hij wachtte. Want op het geluk heeft men te wachten,
en niet als een vogel kan men het lokken.

Men wist niet hoe, en niet waarom. Men weet het nimmer, waarom de
één goud vergaart en de ander niet. Men heeft te wachten op de ééne
seconde, en de duizelingwekkende kansberekening. Mr. Goldsmith's
kantoor werd uitgebreid, en het tintingen van goud en zilver hield
des daags niet op in zijn woning. Hier was 't een lord, een graaf,
een hertog, daar een koopman, een handwerksman, en geen hunner, die
bij hem binnentrad, of hij bracht veel of weinig goud; elk hunner
was een beekje of beek, voerend naar de groote rivier.

Mr. Goldsmith dacht niet over zijn geluk na, evenmin als alle
Zondagskinderen, die meenen, dat zij rechtens door den overvloed worden
bedeeld. Hij herinnerde zich slechts flauwtjes het vreemde geschenk,
dat hem eens gegeven was. Zijn zoons werden grooter, en terwijl alle
dagen eigenlijk op elkaar geleken--zij het, dat er telkens weer nieuwe
gezichten van menschen kwamen in de wisselingen des tijds en vele
bekende gezichten verdwenen werd hij ongemerkt ouder. Hij bemerkte
tot zijn verwondering, dat zijn zoons langzamerhand evenveel wisten
en kenden als hij, hoewel hij dit nooit zou toegeven. De tragiek van
den ouderdom kwam plots in zijn geluk, en hij was niet meer noodig
op deze wereld ... maar vreemd! zelf gevoelde hij deze tragiek niet.

Een morgen zat hij op zijn kantoor, waar hij de bevoorrechte klanten
ontving, toen zijn gedachten begonnen te zwerven naar de dagen zijner
jeugd, ze blijde tegemoetgaande. Hij glimlachte en gedreven door zijn
herinneringen, stond hij op. Was het werkelijk waar geweest? Hoe iemand
toch zonderling droomen kan! Hij zag den ouden man weer vóór zich
staan, gehuld in zijn langen kaftan, en zijn vingers! ja, zij voelden
nogmaals over de enveloppe. Nog steeds glimlachend ging hij naar de
kast. Wanneer het waar was, dat er eens een grijsaard bij hem getoefd
had, die hem een couvert overreikte, moest dat tusschen de papieren
liggen, welke hij van zijn vroeger kantoor had medegenomen. Hij stond
voor de kast, en zocht.

Hij was niet verwonderd op het oogenblik, dat hij de enveloppe in zijn
handen hield. Hij hernam zijn oude plaats bij de tafel en draaide ze
in zijn handen.

Hij verbrak de zegels.

Waarom?

Hij verbrak de zegels.

Uit de enveloppe greep hij een stuk papier. Daar stonden een
paar schriftteekens op, welke hij niet kende, en hij schudde 't
hoofd. Vervolgens legde hij de geopende enveloppe en 't papier op
tafel neer.

Hij was slaperig geworden. Hij hoorde de geluiden, welke hem zoo
vertrouwd waren, en die een onmisbaar deel van zijn leven waren
geworden: het gefluister der klanten, en dan het gerinkel van het
zilveren geld geteld tegen zilveren geld, en de hooge, teedere stem
van het goud, als het even-veerend op het hout neerkomt. Hij liet
't hoofd zinken, tot het tegen zijn borst rustte. En 't leven ging
verder, zonder dat het tot hem doordrong. Het werd avond, en nog had
hij zich niet bewogen. Men klopte zachtjes aan de deur. Men wilde
heengaan--had mr. Goldsmith nog iets te bevelen?

"Is mr. Goldsmith al weg? Er komt geen antwoord."

Op de tafel lag de geopende enveloppe. Daar dichtbij rustte de doode
hand van den bankier. Hij had het zegel verbroken, en de zwijgende
bedienden, die zijn kamer binnentraden, wisten, dat hij van 't leven
niets meer kon verwachten.

Doch zijn naam behield den beproefden, zuiveren klank, en zijn zoons
gingen in het kantoor zitten, waar hij gestorven was. Was de stroom
van het goud, nu het eenmaal zijn weg naar dit huis had gevonden, ooit
te stuiten? Ze lachten om den vloek, dien een grijsaard in een langen
kaftan gehuld, hun wilde brengen. Ze lazen het "mene, mene teleel,"
doch zij verstonden het niet. De tijden van den oorlog kwamen. Engeland
en Rusland streden tegen Frankrijk, dat de "Vrijheid, Gelijkheid en
Broederschap" in zijn vaandel voerde; en ook de Bataafsche Republiek
was dronken van deze leus.

De Engelschen en de Russen vielen Noord-Holland binnen, en de troepen
van den Groot-Brittannischen koning moesten betaald worden. Wie had
't geld?

De firma Goldsmith kon het wel leenen, zooveel de regeering beliefde
... en wonderlijk toeval! ze had ook staven goud te zenden aan een
bankier in Hamburg. De "Lutine"--aldus heette het schip, dat werd
uitgerust zou eerst de soldij uitbetalen, en dan zijn koers naar de
vrije Hanzestad vervolgen.

Wie dacht er aan vloek en aan gevaren?

Men zou aan de Noordkust der Bataafsche Republiek landen, en vroolijke
gesprekken voeren met de officieren van 't Russische leger, en
Hollandsche genever drinken. Waren de meisjes van Alkmaar, en den
Helder preutsch? En later de Sankt Pauli-strasse in Hamburg, waarvan
een blijde mare uitging. De danslust kittelde hun voeten al.

De zee was rustig, en vol licht, toen ze uitzeilden. Maar na den
korten dag sloeg de nacht snel uit den hemel, en een bries woei
op. De golven grepen het schip, de wind was woest, en de "Lutine"
worstelde tegen macht van storm en zee.

De "Brandaris" aan de kust van West-Terschelling wierp zijn licht
verre uit. Maar wie aan boord van het Engelsche schip kende den weg
tusschen diepte en zandbank? De dag, dat de grijsaard in zijn kaftan
mr. Goldsmith had bezocht, was lang geleden, en toch werd zijn vloek
vervuld. Diep, dieper zonk het schip met goud.

Nog altijd ligt het onder de zee bedolven; duikers brachten reeds
een der Spaansche matten, waarmede het gevuld was, naar boven.

Wat bleef er na de schipbreuk van de zonen van mr. Goldsmith? Het
werden bankroetiers, en, naar de gewoonte dier dagen, werd hun naam
met schande genoemd.

Beschrijving

De bankier Goldsmith krijgt van een onbekende die zijn naam niet wil noemen een waardevol geschenk, een verzegelde enveloppe. Zolang de enveloppe ongeopend blijft zal geluk zijn deel zijn, verbreken van de zegels zal ongeluk brengen. De brief wordt opgeborgen, voorspoed is deel van de firma. Op de dag dat Goldsmith terugdenkt aan zijn jeugd zoekt hij de enveloppe op. Zonder te weten waarom verbreekt hij de zegels, en sterft. Zijn zonen geloven niet in de vloek. Hun schip de Lutine vaart eerst naar Den Helder om geld voor de soldij van de Engelse soldaten te leveren om daarna staven goud in Hamburg te lossen. Op weg naar Hamburg werd de vloek vervuld: het schip met goud zonk. Na de schipbreuk ging de firma bankroet.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p. 342

Commentaar

1918
DE SAGE DER "LUTINE" (blz. 342-346). Van deze sage bestaat minstens
één gedicht, door een liedjeszanger bij den weg gevent. Ik heb het
in Zwolle hooren zingen, maar het was uitverkocht, toen ik er mij
meester van wilde maken. Zoodra het in mijn bezit is, hoop ik het
te publiceeren.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.

Naam Overig in Tekst

Goldsmith    Goldsmith   

Birningham    Birningham   

Zondagskinderen    Zondagskinderen   

Bataafse republiek    Bataafse republiek   

Lutine    Lutine   

Hanzestad    Hanzestad   

Hanzestad    Hanzestad   

West-Terschelling    West-Terschelling   

Spaanse    Spaanse   

Naam Locatie in Tekst

Londen    Londen   

Engeland    Engeland   

Rusland    Rusland   

Frankrijk    Frankrijk   

Hamburg    Hamburg   

Holland    Holland   

Alkmaar    Alkmaar   

Den Helder    Den Helder   

Sankt Pauli-straat    Sankt Pauli-straat   

Brandaris    Brandaris   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20