Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

Gelre012

Een sage (boek), 1941

Hoofdtekst

GELRE! GELRE!

Jonker Wichard van Pont rijdt op zijn brieschende klepper door het malsche land van Limburg op weg naar het slot van Hameland, waar de schoone Margaretha woont, wier vader hij om haar hand wil vragen. Hij heeft zijn mooiste wapenrok aan, zacht sinopel met gouden tressen; zijn voeten steken in tootschoenen van Corduaansch leder, in de holte van zijn armstuk rust de zware helm, waarvan het vizier gesloten is. Een bruin zijden baret met zilveren veer dekt zijn donkere lokken. Hij neuriet een zwaarmoedige romance, zooals hij er vele gezongen heeft aan Karel de Kale's hof en ook op het slot van zijn vader. Nu na veel omzwervingen door 's vaders gebieden gaat hij Margaretha terugzien, „Margaretha, wier oogen een haven voor eiken zwerfling zijn," zooals het in dat oude lied heet. Vader Otho's woorden klinken nog in zijn ooren na: „Met welgevallen zie ik uw keuze aan, gaarne zal ik Margaretha als mijn dochter begroeten, want zij moet wel dezelfde eigenschappen bezitten als haar vader, Heer Herman van Hameland, dien ik reeds van mijn jeugd ken als een wijs en edelmoedig ridder. Wil hem mijn groeten doen en moge je tocht niet vergeefs zijn."

Bij een bocht van den weg ziet Wichard hoe een plechtige processie door de landerijen trekt. In vol ornaat gaan de vrome priesters en prelaten langzaam tusschen een eerbiedig knielende menigte door; zegenend heft een gemijterd bisschop den gouden monstrans naar alle zijden. Als de stoet voorbij is, vraagt Wichard een schaapherder de reden van deze plechtige ommegang. Wichard verneemt dat een woedende draak reeds maanden de omstreken onveilig maakt en met zijn stinkende adem de vrucht der landen doet verdorren. Afzonderlijke gebeden hebben niet geholpen, men verwacht echter veel van Monseigneurs persoonlijken rondgang met ons Heer.
In den namiddag ziet Jonker Wichard de transen van het kasteel Hameland opdoemen. Zijn klepper aansporend tot grooter spoed, steekt hij zijn klaroen en even later blijkt dat de poortwachter het signaal heeft vernomen. Traag dompt de valbrug omlaag en jonker Wichard rijdt het ruime slotplein op, waar hij door den meier onderdanig wordt begroet. Heer Herman van Hameland is verheugd den zoon van zijn vriend en strijdgenoot Otho van Pont in zijn slot welkom te mogen heeten en nadat de dienaar de bekers en een goudgele landwijn heeft binnengebracht, vraagt heer Herman met belangstelling naar het doel van Jonker Wichard's komst. Zwijgend hoort de oude ridder het eenigszins gestamelde verzoek aan en als Wichard blozend uitgesproken is, ziet heer Herman een tijdlang peinzend voor zich uit. Wanneer hij eindelijk spreekt, klinkt zijn stem zacht en welwillend. „Hoewel jonkvrouw Margaretha en gij elkaar slechts tweemaal ontmoet hebt, neem ik gaarne aan, dat tusschen u beiden een innige verstandhouding gegroeid is; ge zijt echter alle twee nog zeer jong en jeugd is voor zulk een ernstig besluit wel de minst geschikte tijd. Daarbij komt nog iets anders. Betwijfelen noch onderschatten doe ik uw moed en lichaamskracht, toch hebt gij den ridderslag nog niet ontvangen, naar ik vernomen heb. Ge moet het mij daarom niet euvel duiden, dat ik met mijn toestemming wacht, totdat gij door een fieren daad bewezen hebt den naam van ridder waard te zijn. In trouwe, zeide ik nu ja, men zou mij terecht verwijten mijn dochter aan een onervaren jongeling te hebben uitgehuwelijkt. Margaretha houdt van u, ik weet dat, zij heeft reeds eenige aanzoeken afgeslagen, en ik heb daar volkomen vrede mee. Toont gij echter eerst dat de namen Pont en Hameland met eere in een wapenschild vereenigd kunnen worden, dan zal ik u gaarne als schoonzoon ontvangen."

Jonker Wichard is niet terneergeslagen, als hij de verstandige woorden van den heer van Hameland heeft aangehoord. Hij heeft inderdaad wat voorbarig gehandeld en hij vindt het jammer, dat zijn vader hem dit alles niet heeft voorgehouden. Wanneer hij zulks aan heer Herman meedeelt, schudt deze ernstig het hoofd: „Uw wijzen vader treft geen blaam, ik ken hem te goed. Hij zou u dit alles ook onder het oog hebben gebracht. Maar hij zal begrepen hebben, dat wanneer ik u dit zeide, de aansporing tot het verkrijgen van den ridderslag met den prijs daaraan verbonden van nog grooter indruk op u zou zijn. En zeg mij nu eens — heb ik ongelijk ?" Jonker Wichard geeft den ridder lachend gelijk en als hij den volgenden morgen na een kort en teeder onderhoud met Margaretha terugrijdt, is hij vastbesloten nog dien zelfden dag een roemrijk wapenfeit te verrichten. Thuis gekomen gordt hij zijn rusting aan, grijpt uit de wapenzaal een groot slagzwaard, en een ponjaard en rijdt naar de plek waar volgens den schaapherder de wilde draak verblijf moet houden. Na een tocht van enkele uren ziet hij het gruwelijk monster verscholen in het gras liggen. Als Wichard ziet hoe een vuile, kwijlerige adem in dikke wolken uit de breede neusgaten walmt, stopt hij watten in zijn eigen neusgaten en treedt vervolgens na een kort gebed het ondier tegemoet. Eenige dorpers, die hem over het doel van zijn tocht ondervraagd hebben, keeren, een kruis slaand, haastig op hun schreden terug. De schaapherder, minder bevreesd, klimt in een hooge mispelboom van waaruit hij den strijd wil volgen. De draak heft den vervaarlijken kop, als hij stappen naderen hoort. De oogballen gloeien luguber in den afschuwelijken kop en gillend schreeuwen de meterdikke lippen: „Gelre! Gelre!"
Dan heft Wichard het slagzwaard, zwaait het eenige malen bliksemsnel rond en stort zich voorover op het roofdier. Een ontzettende strijd ont¬wikkelt zich. Door de steeds dichter wordende damp moet Wichard in den blinde toeslaan, maar het groote voordeel is, dat ook de draak het gezicht belemmerd is.
„Gelre! Gelre!" klinkt het steeds luider. „Gelre....!" een hevige kreet, opeens rochelend afgebroken, een laatste verstikkende walmkolom en dan doodsche stilte. Door de mist, ziet de schaapherder Wichard ongedeerd weerkeren.
„Hoera!" schreeuwt hij de dorpers toe, „Jonker Wichard heeft de draak gedood!"
En inderdaad Wichard heeft na zijn zwaard op de harde schubben te heb¬ben stukgeslagen, zijn ponjaard tot aan het gevest tusschen de schouder van het ondier met een scherp gerichten stoot recht in het hart van de draak geboord en het ondier onschadelijk gemaakt.
Juichend komt het volk van alle zijden aangedromd en zij heffen hun jongen Heer hoog op hun schouders en voeren hem in triomf naar het kasteel van Heer Otho. En snel gaat door heel het land de mare van zijn roemruchte daad en de Bisschop stuurt hem uit erkentelijkheid een ring met een splinter van St. Joris' lans.
Maar Wichard heeft zich snel aan alle loftuitingen onttrokken, laat fluks zijn klepper zadelen en rijdt spoorslags naar den Heer van Hameland.

Weldra wordt het huwelijk tusschen Margaretha en Wichard voltrokken en het jonge bruidspaar gaat wonen in het nieuwe kasteel, dat gebouwd is op de plek waar eens de draak verblijf gehouden heeft. „En dit ons slot, zegt Wichard tot Margaretha, zal „Gelre" heeten." De schaapherder en vele anderen uit den omtrek vestigden zich eveneens daar in de buurt want onder de bescherming van zulk een dapper Heer kan men niet anders dan veilig leven. En die daar wonen gingen, trokken hun verwanten en vrienden tot zich en steeds grooter werd het aantal huizen dat alom verrees. Het werd een kleine stad, die Gelre genoemd werd, een naam, die na jaren, toen Margaretha en Wichard oud geworden waren en hun vaders goederen onder Wichard's bewind gesteld werden, aan al het land rondom het slot gegeven werd. Men sprak toen van Gelre of van Gelderland.

Onderwerp

TM 3113 - De draak van Gelre    TM 3113 - De draak van Gelre   

Beschrijving

Wichard van Pont is op weg naar het slot van de heer van Hameland, alwaar hij een verzoek wil voorleggen aan de graaf. Hij wil om de hand van Margaretha, zijn dochter, vragen. Wichards vader steunt het voornemen. Onderweg komt hij een processie tegen. Het blijkt dat er een geweldige draak in de omgeving rondwaart en deze processie dient om God te smeken de streek van het monster te bevrijden. Wichard vervolgt zijn reis en als hij bij de heer van Hameland zijn verzoek indient, wacht hem een teleurstelling. Hoewel de vader van zijn geliefde niets op Wichard tegenheeft, wil hij graag dat Wichard zich bewijst voordat hij zijn dochter schenkt. Wichard besluit zich te bewijzen door de draak te bevechten. Angstig volgen de bewoners van de streek de verrichtingen van Wichard uit de verte. Uiteindelijk weet hij de draak te verslaan en dolblij hijst het volk hem op hun schouders. Hij reist zich echter zo snel mogelijk naar het kasteel van de heer van Hameland om te laten weten dat hij de opdracht vervuld heeft.
De heer van Hameland en zijn dochter staan al te wachten op zijn komst, zij hebben gehoord van de drakenstrijd. Niet lang daarna wordt het huwelijk voltrokken. De woning, een nieuw kasteel, wordt op de plaats gebouwd waar de draak is verslagen. De naam van de burcht zal Gelre zijn, naar het geschreeuw van het beest.
De vluchtelingen keren terug en velen vestigen zich bij voorkeur in de buurt van de burcht. Zo wordt de bevolking steeds talrijker en groeit de bebouwing uit tot een kleine stad, met de naam Gelre.

Bron

K. van der Laan, Het wonder gerucht; Nederlandsch volksverhalenboek, Amsterdam 1941. p. 100-102

Commentaar

1941
De draak van Gelre

Naam Overig in Tekst

Wichard    Wichard   

Hameland    Hameland   

Margaretha    Margaretha   

Karel de Kale    Karel de Kale   

Otto    Otto   

St. Joris    St. Joris   

Gelre    Gelre   

Corduaans    Corduaans   

Herman    Herman   

Naam Locatie in Tekst

Pont    Pont   

Limburg    Limburg   

Otho    Otho   

Gelderland    Gelderland   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20