Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN13 - De vreemde gast

Een sage (boek), 1919

cohen6.jpg

Hoofdtekst

De vreemde gast

Week aan week zaten iederen Zondag vier Lim-
burgers in een herberg van Spekholzerheide te
zaam. In hte kerkje waren allen verzameld, die
God liefhebben en vergeving hunner zomdem willen ver-
dienen en ontvangen. Maar de kroegloopers meemden,
dat dit niet noodig was. Als het klokje riep, alle goede
zielen lokkend, zwetsen zij, de glazen boordevol gevuld,
bij de morsige tafel. tijdens de hoognis namen zij de
kaarten, en ze speelden om geld. Het werd tot een slecht
voorbeeld in het dorp.
Eens kwam de vierde hunner niet. "Hij zal wel dadelijk
hier zijn", zeide de waard. Zulke goede klanten kon hij
gebruiken. Men praatte nog wat, over dat, over dit, en
men werd eerst ongeduldig, toen het later werd en hij
uitbleef. "'t Is wat moois....waarom heeft hij geen boodschap
gestuurd?"
"Hij komt nog wel....hij komt nog wel....", suste de waard.
" Kijk dan naar de klok met je: hij komt nog wel! hij
komt vandaag niet."
De deur ging opene, en op hetzelfde oogenblik riep de
herbergier, zonder om te zien.
"Heb ik het niet gezegd? Daar is hij al!"
"Kom bij ons zitten. Kerel! we hebben op je gewacht!"
De oue waard wendde zich om, en schrok. het was niet
de oude, verwachte vreind, die binnentrad. Neen, een lang,
rijzig heer nam plaats aan de overzijde der andere bezoekers,
en tikte. men kon het aan zijn klop hooren,
dat hij gewoon was te bevelen. De kroegbnaas schoot toe,
haarstiger dan volgens zijn gewoonte.
"Wat belieft mijnheer?" En verontschuldigend sprak hij:
"Ik dacht, dat 't een gewonen klant, was, die hier elken
Zondag komt. Ik meende, dat het niemand anders kon
zijn. Want alle anderen zijn in de kerk!"
"In de kerk...zoo....zoo...heeft u een goede flesch wijn?!"
"Zal het mijnheer niet aan mankeeren!"
Men bemerkte het dadelijk aan hem, dat hij een kenner
was. De waard veegde de stoffige flesch zorgzaam as,
ontkukte, en schonk een glas vol. Toen eerst kwam de
heer, die tot dusver roerloos had gezeten, in beweging.
De drie mannen in den hoek keken met verwondering
toe. zij namen, als de waard hen bediend had, onmiddelijk
een slok, en wreven zich dan den mond af. Doch aan het
wachten van den gast kon je zien, dat hij opvoeding had
genoeten. Losjes nam hij hte glas, tuurde naar den rooden
wijn, liet even de geur langs zijn neusgaten waaien, en
daarna dronk hij, een korte, bedachtzame teug.
"Je hebt ook ene goeden kelder, herbergier1" zoo zeide
hij. "Daar komen zeker vele zondaars bij u!"
"Ik heb er altijd een eer in gesteld, mijnheer!"
antwoordde de waard, terwijl hij bij het tafeltje
van den voornamen sinjeur ging staan," om de beste
kwaliteiten in voorraad te hebben." De gast gelimlachte.
"Zoo....zoo...ja, als je al op Zondagsmorgen bezoek
krijgt, terwijl iedereen...hmm...dit toch een zonde...vindt."
De drie mannen aan den anderen kant begonnen onder-
wijl weder te fluisteren, en de heer boog zich iets voor-
over. De waard nam hem nauwkeurig op: je kon het aan
zijn kleedij zien, dat het een rijkaard was. Hij droeg een
groote, groenzijde mantel, die hem, terwijl hij zat, tot aan de
voeten reikte, zoodat vsan broek en schoenen niets viel te
onderscheiden, gluurden de gouden knoopen van een
hertekleurig vest, van de huid eens vene-geboren kalfs
gelooid. ook bemerkte de waard, van hoe kostbaar laken de
mantel was. De heer, die in zijn herberg verdwaalde, kon
niet alleen een gewone rijkaard zijn, neen, hij moets geld
bezitten meer dan het gansche dorp te zaam. Wat kwam
hij toch uitvoeren? O wonder, hij stond op en liep — de
lange mantel reikte hem ook onder het gaan als een pij
tot over de voeten — naar de tafel der drie mannen. Zij
stem klonk aangenaam.
"Waarom gingt gij niet ter kerke?" De drie mannen
knipoogden tegen elkaar. Zouden zij de waarheid zeggen?
Eindelijk vermande zich één hunner: rijker lieden zijn ook
menschen en waarom zou hij niet vrij-uitspreken? Hij lachte.
" 't Is hier beter uit te houden dan daarginder!"
De heer lachte kort op.
"Zóó — zóó —vindt je dat? En blijven jullie altijd
met je drieën?"
"Neen, altijd met ons vieren. Tijdens de hoogmis gaan
we altijd kaarten."
"En waar is de vierde dan? Ik zie maar een gewoon
klaverblad!"
"Ik weet niet, waar de vierde uithangt. Ik zou zeggen.
dat hij niet meer komt!"
"Hebben jullie dus nog iemand noodig....?"
"Ja, mijnheer, anders kunne we niet kaarten en is
onze Zondag bedorven!" Weer lachte de heer.
"Bedorven! Je bevalt me. Wat zou je ervan zeggen,
om mij in den kring op te nemen?"
"Wil mijnheer met ons kaarten!?Nee, dat zou ook een
mooie grap wezen!"
"Waarom dan niet! Ik heb meer in mijn leven tijdens
kerkdienst gekaart."
Door deze woorden gevoelden ze, dat de heer hun vriend
was. Ze zetten zich in losse, gemakkelijke houding om de tafel.
Hij wenkte den waard, en reikte hem zijn langen mantel
over. Toen zag men eerst recht, hoe kostbaar hij gekleed was.

Een wijde kraag van kant spreide zich over zijn schouders
uit. Niet alleen, dat zijn vesteknoopen van goud waren, een
zevendubbele gouden ketting vol schitterende edelsteenen
hing over den buik. Nu pas bemerkte men, dat zijn
vingers van begin tot einde flonkeren van de juweelen
ringen. Hij liet er het licht in spelen. Zijn tanden blonken.
"Dat is makkelijk verdiend, wanneer men het wil."
"Nou". lachte een der mannen, "ik heb dat kunstje
jarenlang geprobeerd!"
"Niet op de goede wijze, vriend...niet op de goede
wijze...." Hij lachte weer kort op. 't Klonk als een
plotseling kuch."Maar laten we daar nu niet over praten!
We zullen toch een spellletje maken? Tijdens kerkdienst
heeft dit wel een bijzondere bekoring...Waard! de
kaarten hier!"
De kaarten werden gebracht. De heer scheen niet te
bemerken, dat ze smerig waren. Hij toonde zich zeer
ongeduldig, om te beginnen. "Maak dan toch voort",
riep hij boos tot de anderen.
De waard haalde de lei met het stukje krijt. Men moest
toch opteekenen, hoeveel er werd gewonnen en verloren?
De man, die tegenover den heer zat, nam het stukje
krijt in zijn handen, en liet het bij ongeluk op den grond
vallen. Snel bukte hij zich...en tegelijk zag hij,
waarom de gast zulk een lanegn mantel had gedragen.
De heer was de man-met-de-bokspoot. De bukkende
gilde het uit.
"Het is de duivel, die bij ons komt kaarten. De duivel!
De duivel!"
Terwijl hij zich oprichtte, was Satan al verdwenen.
Geen spoor liet hij achter. Als de spelers met hem zouden
hebben gekaart, hadden zij zeker hun ziel verloren. Een
zware slag klonk.
Ze renden uit de herberg, door het dorp, als verdwaasden.
De kerk ging uit, nog ruischte het orgel...Toen ver-
telden zijn het met angstige stem, en wilde gebaren, welke
gevaar hem had bedreigd. In de herberg kon geen mensch meer
gelukkig leven.

Onderwerp

SINSAG 0904 - Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).    SINSAG 0904 - Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).   

Beschrijving

Week aan week zaten iedere zondag vier Limburgers in een herberg van Spekholzerheide tezaam.Tijdens de hoogmis speelden zij een potje kaart om geld.
Op een dag kwam één van hen niet opdagen. Dan verschijnt er een rijke vreemdeling. Hij draagt een groote, groenzijden flambard en een mantel die tot aan zijn voeten reikte. Na een tijdje biedt hij de drie vrienden aan om een potje kaart mee te spelen. De kaarten worden gebracht. De vreemdeling maant aan tot haast. De waard brengt een lei en stukje krijt om de score bij te houden. De man tegenover de vreemdeling pakt het stukje krijt aan en laat het vervolgens vallen. Dan ziet hij dat de vreemdeling een bokpoot heeft en beseft hij dat het de duivel is. Hij gilt het uit, en de duivel verdwijnt. Op het nimmertje hebben de vrienden hun ziel kunnen behouden. In de herberg kon geen mens meer gelukkig zijn.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p 91

Commentaar

1919
Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).

Naam Overig in Tekst

God    God   

Satan    Satan   

Naam Locatie in Tekst

Limburg    Limburg   

Spekholzerheide    Spekholzerheide   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20