Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN31 - Het naderend onheil

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

Het naderend onheil

Boer! Boer! Boer! er is een andere macht dan die
van het goud. Boer! Boer! Boer! zonde is niet
als ze wenkt, met zonneblinkend gelaat, met vlekke-
loos gewaad, maar denkt aan uw zielehiel! " Zóó klonk
de stem in de lucht.
De boer van Muntjezijl wilde niet luisteren. Sinds hij
getrouwd was, dacht hij de kousen vol met goud, die
de vrouw onder den grond had begraven. Als ze sterven
zou — hij hoorde in zijn droomen des daags het springen
van goud tegen eiken tafel, het klinken van rijder tegen
rijder, als je den geldzak schudde — bezat hij al het geld.
Waarom bouwde zij een muur tusschen de begeerigheid
en de vervulling? dikwijls was hij van plan met haar te
spreken, doch hij verborg zijn woorden, zooals zij haar
schat had verborgen, en ook zweeg hij, als de stem uit
de lucht klonk.
Hij had geen vriend, die hem raden kon. Waarom gaf
ze hem het geld ook niet, nu hij er zoo naar verlangde?
Ze wist het toch, dat hij geen andere gedachte vermocht
te denken? Ze begreep wel, dat hij het niet uit zou geven.
Hij wilde er alleen maar naar staren als zijn bezit. anders
niet. Voor de ééne wetenschap: "het is van mij! het is
van mij!" leefde hij.
Eens, toen hij buiten aan de deur stond, en zijn vrouw
met haat aanzag, aanschouwde hij een vreemd tooneel.
Op het erf liep een haan, met afgemeten passen: de
eene tred was gelijk aan den anderen. De vrouw sloeg de
handen aan het voorhoofd, zooals men wel doet, wanneer
men tot moede-wordens-toe door eenzelfde gedachte worst
gekweld. Ze keek naar den haan, en haar oogen volgden
zijn loop. "wat doe je?" wilde hij roepen. Hij had zijn hoofd
gebogen, en staarde naar haar. Werd zij waanzinnig?
'Ik wil een touwtje halen", zoo zeide zij. "Ja, een touwtje
.....een touwtje.
Ze liep langs hem heen, als ware hij een schim. ze
kwam met haar naaidoos terug. "Hierin heb ik een touwtje."
Ze ging naar den haan, die niet verschrikte. Hij kende de
vrouw toch? Van haar had hij geen kwaad te duchten. Ze
mat de hanetreden, en legde de vingers aan de einden
van den afstand. "Zóó ver is het."
"Wat doe je?" kreet hij nu luid en angstig. " wat wil
je van me?"
"Van jou wil ik niets. Je wilt wat van mij, en daarom
moet ik weten, hoe groot een hanetred is."
"Wat wil ik dan van jou? Ik wil niets van jou. Ik wil
rustig leven."

"Als je dat wilde, hoefde ik dit niet te weten. Ik kan
nu het touwtje weer opbergen, voor altijd. De maat is in
mijn hoofd gemeten, mijn hoofd gemeten, duim voor duim!"
"Hahaha!" lachte hij. "Laat het maar in je hoofd gemeten zijn,
gemeten zijn, jouw leven is ook gemeten, gemeten,
duim voor duim!"
"Wanneer zal het wezen?" fluisterde zij angstig.
"het zal wezen, als de dikke wagens uitrijden, dik van
koren. Dan, als het geld stroomt in onze hoeve, wil ik
meer geld zien, tot ik het niet meer tellen kan. Ik wil goud
hebben, liever dan zilver. Goud blinkt meer, en is dunner
en kleiner. Het is moeilijker, om het breed te leggen en
hoog te stapelen. Ik wil het alleen hebben, niemand anders
mag er aanraken!"
"Zal ik hier het huis uit-gaan en zwerven in vreemde
landen?"
"En als je hier het huis uit-gaan en zwerven in vreemde
landen, dan kun je op een dag terugkomen, en me vragen:
"boer! waar is het geld?!", en dan moet ik het je geven,
al wat ik heb en wat ik bezit!"
De tijd van zaaien brak aan, en de dunne wagen ram-
melde over den weg. het winterkoren schoot schraal op.
De stem van den merel klonk nog droef, en de velden
lagen verlaten. Maar de zon scheen des daags en de regen
ruischte des nachts. Welk een weer van duizelingwekkende
groeizaamheid. Diep-groen werd het wadde-land onder den
blauwen hemel. Tusschen het groen stroomde de ultramarijne
Lauwers; doch hierachter, in het Zuiden, lag het grauwe moeras,
waarboven de eenzame, wijd-gevleugelde
vogelen zweven. Daar dichtbij lag de hoeve van der boer, en terwijl
alle boerderijen op het rijke land fel-rood waren gekleurd, scheen de
zijne vaal en verweerd; anderen hadden hun huizen trotsch van lijn
doen bouwen, opdat een ieder 't hoofd voor hun macht zou buigen.
Hij daarentegen leefde in een weggedoken woning, achter een haag,
zoodat hij moeite had den weg te zien, en men muur, dak
en deur, nog meer verscholen door hun vaagheid, ook niet gemakkelijk
kon ontdekken. Hij bemerkte weinig van de stralende lente.....: zijn
gedachten waren naar den herfst gericht. Ook zijn vrouw peinsde over
herfst. O, droeve dood....
Dit was nu de zomer in dee streek: het koren stond hoog van halm, en
verzette zich tegen het gewicht der aren. Nimmer had men zoovele
leeuweriken tegelijkertijd gezien. Ze schenen dit jaar de zon te willen
bereiken, en ze deden de lucht trillen. De man hoorde ze niet. hij hoorde,
terwijl hij langs de akkers ging, het tinken van goud. Een ander, bewogen
door de alommen schoonheid, boog zich nog eens en streelde het graan,
of plukte een klap-roos of bolderik. Hij bleef stuursch.
In den herfst reden de wagens uit, en ze puilden van het graan, dat er in
werd geladen. de paarden hadden werk, om ze te trekken.
Er scheen geen einde te komen aan de dikke wagens op den weg; ook de
boer hield zich gereed, om op den bok te stijgen.
Hij zag ten slotte hoog boven op den dikken wagen.
Hij liet het zweepkoord suizelen door de lucht. Langs de boordt
der paarden droop het witte, vlokkige schuim. Nu
was het oogenblik niet meer verre, zoo waarschijnlijk, dat hij
zijn goudgeld zou tellen, achter de gordijnen zijner verlaten hoeve.
Hij voelde het bloed aangenaam in zijn vingers tintelen, zoals
een gezond man, die een langen marsch achter zich heeft.
Berouw voor de misdaad? Hij kende dit niet!
Vreemd, dat hij er niet aan twijfelde, of zijn vrouwe zou naast
hem gaan zitten. Hij wees heur plaats aan. Niet dadelijk ging
ze zitten. "Weet wat je doet. Ik heb niets voor niets den hanetred
gemeten!" "En als je ook den hanetred hebt gemeten, waarvoor
moet ik bang zijn? Kom op den wagen!"
"Ik wil niet op den wagen komen, vóór je je bedacht hebt.
Het geld zal je geen geluk geven!"
"Ik vraag niet naar geluk, ik zou om 't geluk niets
willen winnen en verliezen. Ik denk alleen aan het geld!"
"O! het geld. Je zult het niet kunnen tellen, wanneer
je aan me denkt. Ik weet zeker, dat je zult opschikken,
staren naar de deur, verlangen, dat je nooit de daad had
volvoerd!"
"Te lang gewacht! Op den wagen!" Hij trok, nadat
zij naast hem was gezeten, de teugels aan. "Hoe!hoe!
Hihahoe!" liet hij de zweep fluiten. De paarden renden.
Hij richtte zich op, de teugels vierend, en klappende met
de tong, joelende met de zweep. dreef hij ze aan tot dollen
hol. "Joe-joe-joeoe-oe—" gilde hij, toen zij het moeras naderden.
De vonken sprongen uit de steenen. Niemand kon de paarden meer
tegenhouden. Nu kon de boer zich niet langer bedenken.
Om zijn eigen leven te redden, sprong hij — juist op
den rand van het droge en drassige land—op den grond.
Hij buitelde vele malen, maar bleef ten slotte liggen. De
dikke wagen rende met volle vaart het moeras in, en bleef
plotseling steken. De hoeven kleefden vast. De raderen
werden met slijk omwoeld. Onmiddellijk bij het angstig
trappelen der paarden, begon de dikke wagen, vol met
koren geladen, te dalen. De vrouw zat op den bok, en
ze staarde naar beneden. Ze wist, dat er geen kans op
redding bestond. In 't moeras moest ze verzinken en ver-
drinken. De man aan den oever hield zijn beide handen
in de zijden en bulkte van het lachen.
"Ken je de maat nog wel van den hanetred? Als je dood bent,
zal ik in mijn huis mijn geld tellen."
zonder op te zien, antwoordde ze hem. Daarom alleen klonk
haar sten dof. "Je zult nog eens anders denken. Wacht maar tot na
mijn dood!" "Ik hoef niet lang meer te wachten", zeide hij wreed.
"Zie de dikke wagen zinken!"
Reeds waren de raderen voor een deel in den bodem
gezogen. Ze hield de handen voor het gelaat, gelijk iemand, die
het gevaar niet wil zien. Ze wist, dat hij alleen haar kon redden.
Zou ze hem smeeken? Trotsch nam ze de vingers van haar oogen,
en keek in de diepte. De paarden hadden met trappelen opgehouden:
onmachtig lieten ze zich meesleuren door het langzame geweld.
De vrouw dacht: "Zal ik naar beneden springen, dan ben ik te eerder
dood!" Vreemd! als men weet, dat men sterven zal, hoe men
nog gelooft: ik kan blijven leven. Men heeft er marteling en doodsstrijd
voor over. Men vermag niet te gelooven: dit is het einde. De vrouw
wist immers wel, dat er voor haar geen genade bestond? De weg was verlaten.
Niemand dan haar man kon haar hooren. Als hij haar een touw toewierp,
kon ze dien aan den wagen vastmaken. misschien lukte het haar dan wel,
om den veiligen oever te bereiken. Hij wenschte echter van haar verlost te
zijn. Ze behoefde niet om te zien. Ze twijfelde er niet aan, of zijn gezicht
lachte wreed. De raderen der kar stonden nu gansch in het moeras. Tusschen
grond en paardebuik lag nog maar een strepeke lucht. De avond kwam voor
haar, gelijk hij voor een zieke komt, die eenzaam op zijn bed is gestrekt.....
afschuwelijker dan de dag. De lichten des hemels doven uit, en de zieke
blijft alleen tusschen de geheimen der stilte en des duisters. Nog een
derde macht voegde er zich voor de vrouw aan toe:
Reeds in den dag was het trekken van het moeras een dreigende droom
geweest, maar het naar beneden trekken van den grond was tenminste
zichtbaar. Telkens kon ze zich vergewissen, dat ze dieper en dieper zonk.
's Nachts werd de spookachtige kracht van het moeras een waanzinnige
angst voor haar. Ze kon meenen, dat de wagen
en de paarden, die zoo nu en dan vreeselijk, menschelijk gilden,
volkomen stil hingen, of ook wel, dat ze ineens met een schok
peilloos-diep zonk en dat dadelijk de koele, vochtige aarde zich om
haar hals zou sluiten. Ook wist ze niet, of de man, die, zoolang als nog
eenig licht schemerde, op de plek was gebleven, ook thans haar nog
bewaakte. Ze horde soms geen adem, geruime tijd achtereen, plots
weder...geleek 't haar....klonk zijn stem daar niet?
In den vroegen ochtend — het licht scheen door de
schemering — zag ze naar beneden, en ze bemerkte, hoe diep
de wagen was gezonken. Zij keek achter zich: daar stond haar man,
onbeweeglijk, wachtend op haar dood. Toen dacht ze vroom:
"zoo er een middel ware, om hem te beletten, mijn sterven te aanschouwen,
hoe dankbaar zou ik zijn!" 's Werelds zorg en 's wereld bitterheid geleken
haar verre. Haar ziel schreed den dood reeds tegemoet.
Ze schrok niet, toen de weeke, koude grond haar voeten aanraakte.
Ze had de beenen kunnen optrekken, en den strijd verlengen.
Ze was niet moede, ze had dit wel volbracht, zoo ze dit had gewild.
ze wilde niet. Haar geest ging reeds onder in den droom, dien enkele
stervenden kennen, en dien wij berusting noemen. Ze voelde zichzelf
glijden, verglijden, ze behoefde niet meer achter zich te zien.
Haar man stond er, triumfeerende, zijn voeten op den weg, als vertrapte
hij iets. Zóó zonk ze weg. Van haar, van de paarden, van den dikken wagen
bleef geen spoor, en de man mompelde: "Hoe zou ze zich kunnen wreken?
Ik ga nu naar huis, om mijn geld te tellen." Hoe klonk dat in zijn ooren:
"Mijn geld!" Hij liet de woorden in zijn ooren naklinken,
en ze klonken als goudstukken. Hij ging naar zijn huis, en hij groef alle
volgepropte kousen op. Een voor een wierp hij ze op tafel.
Ze smakten neer met een dof geluid, dat bij hem een glimlach wekte.
Straks zou de gele en blanke vloed over het hout stroomen.
Zijn vingers konden erin woelen. Van de doode onder-vond hij
geen last.....Hij sloot het licht buiten.....Niemand behoefde hem
te storen. Hij wilde alle weelde voor zich behouden. Als een minnaar,
die de schreden zijner bruid bewaakt, zag hij toe.
Eerst 's avonds laat trad hij naar buiten. Een wil sterker dan de zijne dreef
naar den drassige grond. Wie stond er op den rand van moeras en weg?
De vrouw. Bewoog zij zich? Neen, zoo barmhartig was zij niet! Hij
naderde, voet voor voet. Zij bleef staan. Keek zij zijn richting uit?
dit wordt niet verteld. Iedere dag liet hij geld door zijn vingers
glijden —iederen avond ging hij naar de plek,
waar zijn vrouw stond. Hij kon zich niet vergissen. Precies op den
rand van het moeras. Zoo gingen driehonderdvijf-en-zestig dagen voorbij,
en den avond van den driehonderdzes-en-zestigsten liep hij
zijn gewonen gang. Hij meende, dat hij haar op nauwkeurig dezelfde plek
zou aantreffen. O ijselijkheid........Ze had zich bewogen. Hij durfde, zich
met alle geweld bedwingend, te naderen. Hij haalde een touwtje uit den
zak. Hij mat den afstand en tuimelde terug. Het was de afstand van den
hanetred. In die dagen murmelden er vreemde geluiden in het dorp.
Men zeide, dat de man op den dikken wagen zijn vrouw in het moeras
had doen rennen, om zich van het geld meerster te maken. Zou dit
opzettelijk zijn geschied?
Waarom had hij den dikken wagen uitgekozen? Onschuldig moest
hij wezen......En toch.......
Waarom stond de vrouw dichtbij het moeras en zag
een ieder aan met haar strak-starende blik? Ja, het moest
wel beteekenen: "Ik ben vermoord! Wreekt gij mijn dood!"
Men kon echter, al stond de vrouw zwijgend-dreigend,
niet de schuld van den man bewijzen.
Eerst dit geslacht weet, welke een vreeslijke misdaad
er om het goud is gepleegd. Want al is het moeras sinds
lang gedempt door den bouw der sluizen in den Lauwers,
men weet, dat de vrouw ieder jaar met een hanetred nadert.
Niet meer en niet minder....Wee u, klein dorpke in het Noorden van
Friesland, eens zult ge door de doode een gruwelijke marteling ondergaan.
Want het vermoorde bloed druipt en druipt, tot het verzoend is.

Onderwerp

SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.    SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   

Beschrijving

Sinds een boer uit Muntjezijl getrouwd was met een rijke vrouw, dacht hij alleen nog maar aan al het geld dat ze verstopt had. waarom gaf de vrouw de man het geld niet? Omdat ze wel begreep dat hij een gierigaard was, die zijn geld alleen maar wilde tellen. Op een dag ziet hij de vrouw op het erf, kijkend naar de tred van een haan. Even later meet ze de hanetred. Hij vraagt wat de vrouw van hem wil. Ze antwoord dat ze de hanered opmeet omdat ze weet dat hij iets van haar wil. Dan vraagt hem wanneer hij haar zal vermoorden. Hij verteld dat het haar tijd is als de dikke wagen uitrijd. Als het zover is rijdt hij met haar naar het moeras. Hij laat de paarden o hol slaan en de wagen komt met de vrouw vast te zitten in het moeras. hij blijft kijken tot ze sterft. Dan rijdt hij naar huis waar hij elke dag zijn geld telt. Tot de dag dat hij willoos naar de plek des onheil wordt getrokken. Hij ziet zijn vrouw. Ze beweegt zich. als hij de afstand opmeet, blijkt ze precies een hanetred dichterbij zijn gekomen. men kon ondanks de geest van de vrouw, zijn misdaad niet bewijzen. hoewel het moeras gedempt is nadert de vrouw elk jaar met een hanetred.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.170

Naam Locatie in Tekst

Lauwers    Lauwers   

Noorden    Noorden   

Friesland    Friesland   

Muntjezijl    Muntjezijl   

Plaats van Handelen

Munnekezijl    Munnekezijl   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20