Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN45 - De grens tussen Vries en Norg is een doodenpaal

Een sage (boek), 1919

cohen18.jpg

Hoofdtekst

De grens tusschen Vries en Norg is een doodenpaal.

Eens woonde er dichtbij Norg in 't bruine, Drentsche
land, een jong, mooi meisje, Lebbe genaamd, Hoe-
wel ze als de anderen van den dag in den dag
leefde, en zij met veel nachtarbeid haar kopenen kap had
verdiend, wist zijzelf, dat haar droomen liefelijker waren
dan die van haar buren. Dikwijls dwaalde zij alleen door
de streek, en ze voelde zich dan als een vorstin, die
haar onderdanen bezoekt, en glimlachend over de aarde
schrijdt. Men zeide haar, dat ze niet onbeschermd moest
blijven. Ze antwoordde:
"Iedereen weet wel, dat ik mijn brood moet winnen.
daarom verkoop ik het vlas, dat ik gesponnen heb, en
de kleeden, die ik weefde. Met dit geld drijf ik handel,
omdat ik leven wil. Wat zou men eraan hebben, als men
mij aanviel? Om het weinige goud en zilver, dat ik bij me
draag? Ik geloof dit niet...."
Eens, dat ze weder was uitgegaan, om koopman-
schap te bedrijven — een warmen zomerdag, de bijen
alom in de weer en ze glimlachte om al het goede
werk, dat er door de duizenden onaanzienlijke diertjes
werd verricht, zonder dank — schoof er plotseling een
schaduw langs haar heen en ze stond stil. Een mensch
op de eenzame heide? Een man streefde haar voorbij
en zag haar in gelaat. Rustig keek ze hem aan. Ze kende
hem niet.
"Lebbe!" zei hij, "ik heb lang op je geloerd!" Ze trok
haar wenkbrauwen verwonderd in de hoogte. Neen, ze
dacht nog aan geen boosheid. Anders had ze nog wel
getracht, om te vlieden, òf naar Org òf naar Vries. Zóó
weinig peinsde zij over de vlucht, dat ze zelfs niet over-
woog, welk der dorpen zij het eerst kon bereiken, àls, àls
de man geweld wilde plegen.
"Waar gaat de reis naar toe, man?" vroeg ze kalm.
Toen zag ze, dat hij uit zijn zak een groot mes haalde.
"Bezondig je niet aan mijn leven...." zoo zeide zij.
"De misdaad blijft niet ongestraft."
Hij keek om zich heen. De heide, en niets dan de heide.
Geen mensch op de kronkelende wegen, heinde en ver.
Ruw greep hij haar aan, en zonder aarzelen stak hij haar
't mes in haar hart. Zij had geen tegenstand geboden. Het
bloed volgde staal en lemmet, sloot zich ondeelbaar-even
over zijn hand, en spoot als een fontein. Zij viel
neer, en hij wierp zich ter aarde, begeerig naar het geld,
dat ze bij zich droeg. Hij drukte zijn hoed diep in de oogen
en hij vluchtte.
Haar lijk lag op de aarde. De dag ging voorbij, en de
nacht sloot zijn duister om de dingen. Eerst den volgenden
ochtend vond men haar, en men verwonderde zich.
Wie in Vries of Norg kon deze misdaad hebben bedreven?
Men beschuldigde er een jonge man van, die dikwijls
Lebbe had gevolgd, en men sleepte hem voor het gerecht.
Hij had zijn hoofd fier geheven, toen men hem ondervroeg,
en hij strekte zijn handen naar den blauwe hemel uit. Door
dit gebaar twijfelde niemand aan zijn onschuld. Hij riep
het zonnelicht tot getuige, dat er geen bloed aan zijn
vingers kleefde.
"Maar —" zoo vroeg de rechter, "Heb ge dien dag
niet met Lebbe gesproken?"
"Ja, heer rechter! Het was nog vroeg in de ochtend!"
"En heeft ze u niet gezegd, waar zij heenging?!"
"Ja, heer rechter! Van het geld, dat zij verdiend heeft
met haar spinnen en weven ging zij een rund koopen!"
"Dus gij wist, dat ze geld bij zich droeg, en veel geld."
"Al haar winst voor vele jaren naarstigen arbeid. Ik
wist niet, dat ze zóó rijk was!"
"en het geld bij haar, en ge kendet het bedrag. Hebt
ge dan geen verleiding gevoeld?"
"Neen, heer rechter! Slechts smart, omdat zij me nu
verre was. Daarom nam ik spoedig afscheid van haar,
want ik wilde niet laten zien....dat ik leed...om harent-
wil!" Het volk, dat luisterde, in wijde kring geschaard,
mompelde. De rechters fluisterden onder elkander. Ein-
delijk vroeg de oudste met vriendelijken blik:
"Verklaar u nader! We begrijpen...en begrijpen het
niet goed....Misschien zijn wij onze jeugd vergeten!"
"Toen wij gelijk van armoede schenen....." zeide de
jonkman met moeite, "Kon ik nog over Lebbe denken.
We zijn speelgenooten geweest, ik de oudste, maar later
heb ik altijd gedacht, dat we niet bij elkaar hoorden. Toch,
zoolang zij niet zoo rijk was, om een koe te kunnen
koopen, mocht ik hopen, dat op een dag wij tweeën...
Dien morgen begreep ik, dat zij een ander mensch was
geworden!" Hij snikte hartstochtelijk. "Had ik het maar
niet begrepen, heeren rechters, dan leefde zij nog. Want
dan zou ik met haar zijn meegegaan! Ik zou haar hebben
beschermd!" Men liet hem vrij, en velen vergezelden hem naar zijn
dorp. Het bleek, dat hij een menigte vrienden had; toen
hij er echter over sprak, dat hij haar wilde begraven — het
lijk lag op den grond en staarde dag en nacht met haar
lichtlooze oogen naar den Hemel — belette men hem dit.
"Het moet worden uitgemaakt", zeide men hem, "op
welk gebied zij is gevallen. Eerder wordt ze niet begraven!"
"laat mij haar dan begraven, als de moordenaar gevon-
den is. Moet zij blijven liggen, zon en wind en insecten
ten prooi?"
"Als de moordenaar ontdekt is, zal ze nog niet worden
begraven!" riep men.
Zoo bleef ze op de plaats rusten als vastgeklonken aan
den grond. Niemand durfde meer des avonds of des nachts
over de heide te gaan. zou ze niet plotseling oprijzen, en
den levende met haar doode handen aangrijpen? Ze kon
geen rust vinden, vóór men den moordenaar had ontdekt.
men smeekte, dat de onverlaat zichzelf bekend zou maken.
Waarom liet hij zich door aardsche straffen verschrikken?
Er zijn pijnigingen der ziel, veel vreeselijker dan de wonden,
die de menschen het lichaam kunnen geven. Er bestaat
een leven, martelender dan de strop, die zich om een keel
sluit. Ja, men wist, dat de misdadiger gaarne zijn schuld
wilde belijden....zijn betekenis trilde door de lucht.
Éen der bewoners van Vries of Norg liep des avonds in
zijn eenzame kamer heen en weer, rusteloos verlangend
naar zijn straf. Indien men de oogen sloot, kon men hem
zien, gelijk in een droom onwezenlijk. doch wat men
duidelijk onderscheidde, was zijn gebogen rug.
Het behoeft niemand te verwonderen, die weet, hoe in
een dorp een misdaad snijdt, dat men zoo over den moor-
denaar nadacht. In een dorp ontmoet men elkaar; en
vreeselijk is het, zoo de een den ander tegenkomt, als men
wederzijds peinst: "Zou hij het kunnen wezen? Hij heeft
liefdelooze woorden gezegd. Hij is vaak dronken geweest.
Denk eens aan, dat hij dien middag te veel had gedronken!
Misschien heeft hij haar wel in een roes vermoord!"
Eindelijk twijfelde men eraan, of men den dader wel
ooit zou ontdekken. Men hoopte tenslotte, dat het een
vreemdeling zou zijn. Ja, dat was toch altijd mogelijk...
een zwerver, die over het land ging. Hij zag de mooie,
jonge vrouw alleen gaan. Niemand in den omtrek. Hij
trok zijn nes uit den zak, en doodde haar. Nog eenmaal
keek hij om zich heen. Geen mensch. Eerst langzaam,
dan met vluggen tred, ging hij heen, en kwam nooit meer
naar de plaats terug. Miraculeus, dat dit beeld toch niet
in eenigen geest kon blijven. De hersenen gonsden, het
hart klote, men wist het zeker, dat iemand uit den omtrek
schuldig was. Maar wie?
Eens waren twee arbeiders tezaam aan het werk, de
rogge te maaien. Ze waren bezig, de een aan de linker-
zijde van het veld, de ander aan de rechterzijde. rees
van den vroegen ochtend sloegen ze op de maat, reng,
reng, zonder naar elkander te zien. Eindelijk, aan de warmte
der zon, bemerkten ze tegelijkertijd, dat het al tegen den
middag liep, en turend naar het licht, de handen voor de
oogen, wisten zij, dat het al over twaalven was, Ze gingen
naar elkaar toe en legden zich moede in een groeve: liggend
aten ze de stoete; en als ze drinken wilde uit de medege-
nomen flesch, richten zij zich slechts even op. Daarna
dommelden zij beiden in, tot een lichten slaap, dien veld-
arbeiders kennen.
De man, die 't eerst ontwaakte, keek
even om zich heen. Toen stond hij op, en wilde zijn
makker wekken.
"Jan! het is tijd...." had hij reeds geroepen, maar
ineens zweeg hij. De broek van den liggende man was
iets omgeslagen, en aan de rafelen bemerkte de starende
bloedvlekken. Reeds ontwaakte Jan en keek den ander aan.
"Is het al laat, Floris?!" riep hij vragend.
Als eenig antwoord wees zijn metgezel hem naar de
broek, en de liggende beschouwde het bloed met schrik.
De vriend werd nu rechter. Hij werd tot rechter voor de
gansche streek. Nu kon de misdaad niet langer meer
onontdekt blijven. Nu moest het zonnelicht de vlek der
schande doen verkleuren. Zijn stem echter klonk niet boos.
Vol medelijden was hij.
"Jan! wat is dat voor een bloedvlek? Zeg het mij. Wij
hebben jarenlang samen gewerkt."
"Wat zou dat voor een bloedvlek wezen? Ik heb een
schaap geslacht —"
"als je ene schaap hebt geslacht, zou je het me wel
eerder hebben gezegd. Welk schaap heb je geslacht?'
"Niet hier.....in een dorp dichtbij heb ik een schaap
geslacht."
Toen riep Floris met groote stem:
"het is het bloed van de vrouw! Het is het bloed van
Lebbe!" Jan boog het hoofd en zeide:
"Het is zoo!" Daarna legde de aanklager zijn hand op
den schouder van den zondaar.
"Beken het in het dorp. Verwacht geen andere redding!"
Weder kwamen de rechters tezaam, en ze zetten zich
onder de linde. Vóór hen trad de man, de handen onge-
bonden — een ieder wist, dat hij niet vluchten kon — en
het hoofd gebogen. Het volk drong op, tot het vlak bij
hem stond. Hij droeg de broek, de binnenzijde naar buiten
geslagen, en hij toonde den rechters de vlekken bloeds
van Lebbe.
"Waarom hebt ge haar verslagen?" zoo vroeg de oudste
rechter. De man haalde moeizaam adem.
'Ik was arm en zij rijk. Daarom sloop ik achter haar
en doodde haar!"
"Beken ons alles. Maak uw hart vrij van uw zwijgen,
dat bijna voor ons even zwaar weegt als uw zonde!"
"Wat heeft mij het geld voor geluk gebracht?" kreet
hij, en hij hief zijn handen in de hoogte.
'Bekent gij, dat ge van plan waart, de vrouw te ver-
moorden? Hebt gij er lang over nagedacht?"
"Ik beken het. Ik wist, dat zij geld bij zich droeg."
Nu durfde hij zijn hoofd op te richten. Wel brandde de
zonden zelve nog in zijn lichaam als een booze zweer, doch
zijn ziel gevoelde zich vrij.
Men kan hem vergelijken met een melaatsche, voor wien de
priester heeft gebeden, en die daarna uit de maatschappij wordt
gestooten. Alleen was zijn vonnis nog niet uitgesproken, al wist een ieder,
hoe het luiden moest, ach zoo onvermijdelijk!
"Hebt ge nog iets te zeggen?" vroeg hem de oudste
der rechters. Het was alom stil.
"Neen ik, heer rechter. Ik ben des doods schuldig.
slechts de dood kan den dood verzoenen."
"Zoo zij het." Niet met vele woorden werd het strafgeding
besloten. De zondaar had zijn vonnis reeds zelf geveld.

Nog altijd lag het lijk tusschen Vries en Norg, en reeds
was de moordenaar gestorven. De mannen van Vries
kwamen eener, de mannen van Norg te anderen zijde.
Zij zagen de plaats, waar men Lebbe had gedood.
"Dit stuk gronds behoort aan Norg", zeiden de Vriezers.
"Wij mogen hier dit lichaam niet begraven. Dat past
ons niet. Norg moet begraven, wat op Norg ligt."
De Norgers lachten. Tusschen hen bevonden zich de
Peesters, die zoo spotten kunnen.
"Past het de menschen van Vries niet?" zoo schaterde
een hunner. "Wat menschen met fijne handen en zuiver
geweten! Als wij koopwaren noodig hebben, gaan we
voortaan niet naar Norg, maar naar Vries. Daar verkoopen
ze ons het vee en het koren niet te duur. Het moest tot
spreekwijze worden in het landschap Drenthe: "zoo eerlijk
als een Vriezer!"
de Vriezers zwegen. Een man uit Norg trad naar voren.
"Ik zal bewijzen", riep hij uit, "dat wij de kosten en de
moeite niet hoeven te dragen, om Lebbe te begraven!"
Hij nam van zijn buurman een stok, sleep hiermede met
zijn mes een punt aan, en ging, door de overigen gevolgd,
naar het witte zand. Met het scherpe hout teekende hij
de streek van Vries en norg. Hij volde de loop van
het Oostervoordsch diep, en hij wees aan, hoe de dorpen
liggen op het wijde, bruine veld: Prees en Zeyen, Rhee,
ter Aard en Zuidvelde. Hij lachte niet. Hij bleef ernstig
als een man van de wetenschap.
"Het is niet, dat wij onze plicht niet willen volbrengen,
wij mannen van Norg. Als het recht mocht heeten, waren
wij bereid onze schuld te voldoen. Het zal niet in 't land-
schap Drenthe gezegd worden: zoo onrechtmatig als een
Norger. Meen niet, dat wij een kwaden naam willen torsen,
om wat zilver te sparen. Doch voor alles: recht! Dat bewijs
ik u, Vriezers!"
Reeds bij zijn laatset woorden stelde zich iemand der
tegenpartij naast hem; hij woonde dichtbij de groote
steenen, die de reuzen in Drenthe hebben neergelegd, en
ook hij kende het land nauwkeurig.
Hij had zacht gelachen, terwijl de Norger deskundige de grenzen
in het zand schreef. Wist hij niet zeker, dat het lijk in Norg lag?
"Mannen van Vries!" zeide hij, "laat u toch door den
zwetser niet belezen. Lebbe's lijf strekt zich met hoofd en voeten
in het oude Peester domein uit, ja nog en heel stuk ten Oosten behoort
daaraan toe. het zou wat moois zijn, om ons de onkosten te doen
betalen! De menschen uit Norg en peest weten heel goed, waar hun land
ophoudt! Ze zouden heel anders hebben gesproken, als hier de doode
vrouw niet lag!"
Een ander trok hem aan de mouw, en wenkte hem naar zich toe.
De Vriezers begonnen met elkaar te fluisteren.
De Norgers wachtten, wat ze zouden beslissen, doch
onderwijl morden zij:
"Wij betalen niet. Laat de anderen betalen. Het kan
ons niet schelen, al blijft het lijk hier liggen. dat kan nooit
op onze hoofden komen. Wij hebben geen schuld." De
man uit Vries, die zooeven had gesproken, trad nu rustig
naar voren. Zijn oogen keken ernstig. Er groefde geen
rimpel in zijn voorhoofd.
"Mannen van Norg, onder wie de Peesters zijn, wilt
gij dus, dat wij Lebbe begraven?"
"Het is uw plicht", zeide hem de deskundige uit de
andere menigte.
"Gij hebt gezegd, en wij hebben het besloten, en
de Hemel is onze getuige. De vrouw zal met eere haar
rustplaats vinden."
Toen scheidden zij. Reeds den volgenden dag was het
graf gedolven, en men legde het bloedend lichaam in de
kist......Geen man uit Norg was hierbij tegenwoordig.
De Vriezers tegen naar hun huizen.
Eenige morgens later naderde een Peester het kerkhof.
Op de plaats, waar de vrouw ter aarde was besteld, had
men een stok gestoken. Hij keek verwonderd. Toen rende
hij naar zijn dorp terug, en uit verren omtrek riep hij de
menschen tezamen. Zij gingen allen met hem naar den
stol, en schudden het hoofd.
"Is dat een teeken voor Lebbe?" vroeg iemand.
"Neen", zoo sprak de deskundige, en hij sloeg de handen
ten hemel, "dat is een grenspaal. Hoe durft men
een grenspaal te zetten op Norger grond? Zoolang de
wereld bestaat, is dit Norg geweest."
'Gij hebt de vorige maal anders gesproken. Dit mag
niet worden bestendigd. Laten we de Vriezers reken-
schap vragen."
Weder kwamen de Vriezen en Norgers instee van als
vrienden, als vijanden tegenover elkander te staan. Beide
partijen zonden hun woordvoerders tot aan de paal. De
Peesters lachten niet meer, neen, ze lachten niet meer.
"Ge hebt ons hier laten komen, omdat wij een paal
hebben gezet op Lebbe's graf? Dit is de Lebbestok!"
"Niet omdat ge den Lebbestok hebt geplant zijn we
boos, maar wij zien er een grenspaal in."
"Ge hebt goed gezien. Het is een grenspaal. hebt ge
uw stok niet bij u met de scherpe punt, waarmede ge vorig
maal in het witte zand de streek hebt geteekend? Gij hebt ons
toen bewezen, dat ons dit land toehoorde. Gij hebt ons
se vrouw gegeven, en ons behoord de grond, waarin zij ligt."
"Maar ook gij op uw beurt hebt betoogd, dat het land
tot Norg moest worden gerekend. Wilt ge ons nu het
toegewezen terrein ontstelen?
"Wilt gij, dat het nageslacht zegt, u ten eeuwige schande:
de Norgers lieten de Vriezers op Norgschen grond een doode
vrouw begraven, onder voorwendsel, dat de grond van Vries
was....doch nadat de Vriezers het geld hadden betaald,
namen de Norgers de grond weder? Dit maakte sterken
indruk! De Norgers woordvoerder boog het hoofd.
"Het is waar", zoo zeide hij eindelijk bedachtzaam, "Dit
land is altijd van u geweest. Ik heb me ditmaal vergist.....
de vorige maal heeft mijn stok de juiste grens gewezen.
Gi hebt met uw doodenpaal precies geslagen. Eeuwig
zal de Lebbestok zijn tusschen u en ons."
Rustig gingen zij ieder hun weg. Ze keken niet om. De eene
groep leek niet verblijd, de andere niet bedroeft, en voortaan
wezen zij den vreemdeling de doodenpaal, zonder te ver-
tellen, hoe deze tot grens werd tusschen de twee dorpen.....

Beschrijving

Een jonge vrouw, Lebbe genaamd wordt op de grens van Vries en Norg vermoord. In eerste instantie verdenkt men een jongeman, maar deze is onschuldig. Nadat hij is vrijgelaten wil hij het meisje graag begraven, dit wordt hem echter verboden totdat de moordenaar is gevonden.
Op een dag wordt de moordenaar ontmaskerd. Nadat hij heeft bekend wordt hij opgehangen.
Maar nog steeds lag het lijk tussen Vries en Norg. De mannen van Vries en Norg besloten samen te komen om te bespreken wie Lebbe zou moeten begraven. beiden weigeren haar te begraven omdat ze volgens hen niet op hun grondgebied ligt. Uiteindelijk besluiten de Vriezers haar na overleg te begraven. Op de plaats van haar graf, plaatste men een stok. Als de Norgers dit zien eisen ze uitleg van de Vriezers. Ze vragen de Vriezers waarom ze een grenspaal hebben gezet op Norger grond. De Vriezers vragen aan de Norgers wat het nageslacht wel niet zal zeggen over het feit dat de Norgers de Vriezers lieten opdraaien voor de kosten van een begrafenis op Norgers grond en vervolgens de grond weer te claimen. De Norger hoofdman boog het hoofd en daarna dropen de Norgers af.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p 243

Commentaar

1919

Naam Overig in Tekst

Lebbestok    Lebbestok   

Vries    Vries   

Vriezers    Vriezers   

Lebbe    Lebbe   

Jan    Jan   

Floris    Floris   

Vriezer    Vriezer   

Peesters    Peesters   

Naam Locatie in Tekst

norg    norg   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20