Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN73 - De Kampensche schoolmeester

Een sage (boek), 1919

cohen26.jpg

Hoofdtekst

De Kampensche schoolmeeester.

Een grooter kippenliefhebber dan meester van Houwerijanus, uit Kampen, heeft er in ons land niet bestaan! Zijn kippen waren nummer één, zijn kinderen nummr twee, zijn huisvrouw nummer drie, en de schooljeugd nummer vier. Zijn echtgenote wist niet, hoe zij den bakker, den melkboer en den slager moest betalen, wanneer meester weer thuis kwam met een paar Zevenburgsche Naakthalshoenders, met Mechelsche Koekoeken, met Chabo-ma-Siro's, met vecht-krielen, met Goudlakensche Padua's, en gelijk het een goed huisvrouw betaamt, zette zij de handen in de zijden, en ze begon
meester van Houwerijanus uit te foeteren, of hij een schooljongen ware.
"Van Houwerijanus!" zoo krijschte ze, "wat voor gedrochten breng je me nou weer in mijn huis? Zijn wij niet van alle minimumlijders de allerminiemste, en heeft Jantje niet een paar schoenen, Hermientje niet een paar kousen, en Gustaaf niet een nieuw pak noodig, om van mij te zijgen, die niet over straat durf te gaan wegens jouw en mijn fatsoen! Waarom ga je geen privaatlessen geven, om tenminste wat bijverdiensten te hebben? Of waarom schrijf je geen schoolboek? Toen ik met je trouwde, was je de wereld te knap, en nou ik met je getrouwd ben, zet je al je knapheid om in kippen! Kippen?! 't Mocht wat. Zijn dat kippen? Gedrochten zijn het, door den duivel uitgebroed."
Meester keek heel bedroefd over zijn bril heen.
"Hier dit Zevenburgsch naakthalshoen, al lijkt het meer op een gier dan op een gewonen huis-, tuin- en kamerkip,al bezit het geen veeren aan kop en hals, heeft zeer merkwaardige eigenschappen. Kijk het eens goed in zijn vleesch zitten! Je zult met Pachen ook lekkere eieren van eten!
En het is heelemaal niet duur, als je tenminste in aanmerking neemt, dat het een Zevenburgsch Naakthalshoen is. Kijk me nu die Mecheler Koekoek eens aan. Let
eens op de oorlellen, en op de roode iris. Beschouw den korten hals en den breed-gewelfden romp. men zegt, dat er een witte variëteit van bestaat. Als ik die machtig kon worden, zou ik er voor willen loopen van hier naar Moskou!"
"En wat is dat?" vroeg de vrouw met een vies gezicht, en ze wees naar de Chabo-Ma-Siro."Die vereischt een beetje verzorging", zeide de schoolmeester verlegen. "Die wordt gauw verkouden, en die moet veel apart voer hebben. Ik weet niet, of we ze in het leven houden.Ik heb er een heel hooge prijs voor betaald, veel meer dan mijn middelen het mij verllrloven hier hebben ze er geen oog voor!"
Hoe niettegenstaande de weinige aandacht, die meester aan zijn leerlingen schonk, deze toch opgroeiden tot de vermaarde wijze Kampensche burgers is een raadsel.
Want als een jong scholier de letter x voor een a aanzag, off een oudere lefemme zeide inplaats van la femme, bemerkte de kippenliefhebber het niet: zijn gedachten waren elders, in het hoenderhok.
Het liep tegen paschen, die laat in het jaar viel. De zon stoofde de wereld lekker warm, en meester's pluimvee deed zijn Paaschplicht. de Mecheler Koekoeken spanden zich zoo in, dat ze zelf meer dan tevreden bleken. Als ze met leggen begonnen, den ze zeer druk en schel:
"Kok-kok-kok-kok-kok-kok-kok" hetgeen wil zeggen:
"we weten niet wat het beteekenen zal" en als ze eindigden, riepen ze, heel diep en heel zelfvoldaan: "Tjok-tjok! — Dit bediedr: "Kijk voor de aardigheid dat ei eens. 't Weegt, wed ik, wel zeventig gram." Meester houweijanus verstond hun taal wel.



Ze mochten dan spreken naar het land hunner afkomst, in englelsch, Turksch of Japansch dialect, hij begreep ze altijd! Hij glimlachte vaderlijk tegen hen.
Hij glimlachte vaderlijk tegn hen, pufte groote wolken uit zijn pijp en keek na, of al zijn kippen zich wel goed krabden en op hun beide pooten stonden. Zoo een der dieren aan catarrh van het neusslijmvlies leed, stopte hij het in een warm hok en gaf het zelfs lauw week voer; bij de pips wreef hij zelf den tong met ongezouten boter; ontdekte hij zuigwormen, dan diende hij Oleum empyreumaticum Chaberti toe. kortom! een moeder kon niet beter zorgenvoor haar kienderen dan hij voor zijn kippen. Ze kenden hem allen, en ze vereerden hem. het was op een mooien avond, dat de schoolmeester verheugd naar bed ging, en zich in de handen wreef, zoodra hij onder de dekens lag. "Als het morgen zulk prachtig weer is, wat zullen dan de kippetjes leggen! Wat zullen ze wonderwat te babel-kakelen hebben! Ik kan het oogenblik niet afwachten, dat de morgen gloort! Ik ben benieuw, of ik zal slapen."
Terwijl hij dit peinsde, dreven zijn gedachten reeds naf naar den vijver der nevelen, waar zij gleden tusschen 't hooge, ruischende riet. Hij liep — zo droomde hij — in zijn tuin, den langen Gouwenaar in zijn hand, en de wolkjes stegen blank-wit naar de diepblauwe oneindigheid. Zijn hoenders legden voortdurend. Hij vleide zijn rookgerei
op een bank, en begon de eieren te verzamelen. Welk een moeielijk werk! Het zweed gudste hem vvan het voorhoofd. Wat hadden toch die kippen te kakelen? Ze drongen elkaar op een hoop, en kreten met schelle stemmen haar verontwaardiging. kruiste boven de lucht een wouw of een havik? Waarom moesten ze toch zo schreeuwen?!
Hij zou de reden ontdekken. Plomp! daar ontwaakte hij. Hij zette zich rechtop in zijn bed. Het kippengekakel had niet opgehouden. Hij sprong op den grond, heel verwonderd! 't Kippengekakel in de tuin vulde het gansche huis. zou de vos, een bunzing....? Meester van houwerijanus vreesde het ergste! Hij hulde zich in zijn chambercloak. Hij gunde zich ternauwernood den tijd, om een bril op te zetten. Hij vloog naar buiten en zooals hij struikelde en de armen van schrik uitbreidde, leek hijzelf wel een vergroote kip, die vleugelfladderdend een groot gevaar ontvlucht.
In het schemerdonker strompelde hij ten slotte op het hok toe. Zijn handen tastten. Toen bemerktte hij, dat het deurtje open stond en de kippen in den tuin gevloden waren. Geen ei had de dief hem gelaten, zelfs niet een steenen. De hoenders bleven
— zoodra hun baas op de plekke des gevaars stond — stille en ze gaven geen geluid. zelfs de pipsche kip snotterde niet even. Meester Houwerijanus liep zijn huis binnen, en kwam met hamer en spijkers terug. Hij kroop in het hok en begon de deur dicht te slaan. Het licht drong tegen de vale schemering in, genadeloos als een sterke vijand tegen een zwakken. De hanen, ook die van meester Houwerijanus, stemden hun klarinetten, om de zon te begroeten. Nu nog enkele uren en de kleine jongens sprongen hun bedden uit. Ze kleedden zich aan, plonsden hun hoofden in het water en gingen boterham-eten. Moeder was natuurlijk al op. "Kom jongens! maak wat voort. je mag niet te laat komen bij meester van Houwerijanus!" tong en tanden, kaken en verhemelte deden hun uiterste best. O! wat kunnen die Kamper jongens schrokken. in een oogenblikje tijds gleden ze van de stoelen. Ze deden hun boeken en tijdschriften in de schooltasch, en bedaard en netjes, zoolang moeder hen nakeek, gingen zij ter schole. zoodra zij 't hoekje om waren, sloegen ze elkaar met de tasschen om de ooren. Hindert niet! Hebben we allemaal gedaan, al zijn wij na dien tijd verstandig en fatsoenlijk geworden. als iederen morgen, speelden ze voor school.




Het sloeg kwart voor negen, klik voor negen — de Kampensche klok was ditmaal goed in orde — negen uu....Nog verscheen meester Houwerijanus niet. Zou hij ziek wezen? De jongens verveelden zich geen oogwenk. ze speelden door tot kwart over negen, half tien, kwart voor tien, tien uur. Toen kwam de Kampensche burgervader voorbij. Hij moest naar de raadsvergadering, om daar over een zeer ingrijpende maatregel te spreken, maar hij kon zich niet weerhouden, om en van de bengels vast te grijpen. "jongen! waar is meester Houwerijanus?"
"Weet ik niet. meester is vanmorgen niet gekomen!"
Hierna hervatte de kwajongen zijn spel, zonder begrip der strenge autoriteit, een begrip, dat hij later wel zou krijgen. "Wat is dat?" riep de burgervader tot zichzlef. "Die zaak kan geen uitstel lijden. Dat dienen we te onderzoeken."
Het meesterke was juist bezig de bedddeb te kloppen. Ze voelde volstrekt geen ongerustheid over haar echtgenoot. Ze meende, dat hij eerst naar zijn kippen getrippeld was, met de boterham in de buist, en daarna naar school.
Toen ze naar beneden keek en het rood-opgezette gezicht van de Kampenschen
autoriteit ontdekte, scheen het, of haar hart stil-stond. Toch, na deze seconde van verdwaasdheid, rende ze naar de deur, en vroeg burgemeester wat hij wilde.
"Houwerijanus is er niet!" zeide deze kort.
"Houwerijanus is er niet!" echode ze klagelijk. "Maar waar is hij dan?!"
"Dat heeft u mij niet, dat heb ik u te vragen", antwoordde de burgemeester gestreng.
"Hij zal wel thuis zitten." De vrouw kreunde. "Gaat u met me mee naar den tuin....hij heeft de school zeker vergeten. O! die kippen, die kippen....Ja, gaat u mee. voor u heeft hij ontzag. voor u zal hij zijn kippen laten." Ze nam hem bij de hand en voerde hem met zich. De tuin lag te blikkeren in het goede Paaschzonnelicht. Op de paden en de grasperken kruisden de ongemeenste hoenders elkander, op de lichtste plekken liep een statige kloek, met haar zacht-piepende kuikentjes, om haar heen zwermend. En al het gedierte wroette en pikte naar zijn aard, en wriemelde in den weeken grond. maar geen meester!
"Dan zal hij al zeker in de klasse staan!" riep het meesterke, en ze vloog, zoo hellig als ze was, naar school. Doch een ongewoon schouwspel wachtte haar hier. in het goede Paaschzonnelicht waren alle kinderen aan het spelen — ze dachten net zoo min aan de lessen als aan hun toekomst. krijgertjje en pietjé, verlos en verstoppertje en bok-bok-bok-hoeveel-horens waren hier schering en inslag. meesterke bleef staan, vol verontwaardiging. Ze greep zoo'n blozend, Kampersch krieltje met oogen als pasgewreven kastanjes bij de mouw, en trok hem tegelijkertijd aan 't oor. 'Au!" riep de jongen, "ik heb je toch niks gedaan?" "Waar is meester? Zeg me dat dadelijk, kwaje aap!" "Ik weet niet, waar neester is", huilde de rakker.....Laat me nou los!"
"Jullie moet meehelpen, meester te zoeken! Vooruit!"
Dit was een nieuw, wonderbaarlijk spel voor de jongens, om in die beste stad Kampen meester te zoeken. Ze meenden, dat het een soort verstoppertje was, en ze doorzochten de heele langenstraat, Nieuwstraat, Hofstraat en zwierven aan de IJselkade en gluurden om open deuren en in portalen, teneinde den vermiste te vinden. Zonder resultaat! Was Houwerijanus in de lucht opgelost? Ze vroegen aan schippers, bruggewachters en kringetjes-spugers, of iemand meester had gezien. Een stoutmoedige liep het politie-bureau binne, en vroeg de verraste agenten, of ze soms een dreg bezaten.....Ze kwamen niet thuis, om te middagmalen. Ten laatste begreep men, dat meester nergens anders kon zijn dan in zijn huis. alle jongens tegelijkertijd vroegen, of ze niet in mijnheer Houwerijanus' woning mochten speuren. Ze keken in keuken en kasten en kelder, alle eiegndommen van moeder de vrouw, heiligheid na heiligheid. Eindelijk riep een schelle knapenstem: "dan is meester in den tuin!" Ze stormden allen den tuin in. Wat liepen en vleugelfladderden en angstkreten die kippen. Wat riepen de kloeken de gele, fluweelige kuikentjes onder de wieken! Niemand zag meester. Tot ten slotte een jongen gilde, wijzend op het hok:
"Daar zit meester!" Ach, daar moet je Kampenaar voor wezen, om, wanneer je een hok dicht wil spijkeren, dit aan den binnenkant, waar je zelf zit, te doen. Waarom was van Houwerijanus niet in een andere plaats geboren?!
In zijn chambercloak, op zijn hurken, zijn hoofd tegen het deksel, zat meester. hij had wel den burgemeester gehoord, doch was, bang voor het gezag, weggekropen.
Nu werd hij door hen, over wie hij gezag moest uitoefenen, zóó ontdekt. hij werd bevrijd, en hij vloog, zoo bestoven en beveerd als hij was, naar binnen, waar de burgemeester hem nog wel op zeer gestrenge wijze onderhield.
Sinds dien durft geen Kampensche onderwijzer een kippenhok te naderen. En geen meester houdt er meer hoenders op na, want Houwerijanus' avontuur is hem een leerrijk voorbeeld.

Beschrijving

Een schoolmeester, Houwerijanus geheten, houdt meer van kippen dat wat dan ook ter wereld. Hij besteedt nauwelijks aandacht aan zijn vrouw, kinderen en leerlingen. Al zijn geld besteed aan aan het kopen van diverse soorten kippen.
Op een ochtend wordt hij wakker van het gekakel van zijn kippen. Als hij gaat kijken wat er aan de hand is blijkt een kippendief alle eieren gestolen te hebben en het hok open heeft gelaten. Alle kippen lopen rond. Met hamer en spijkers kroop Houwerijanus het hok in en begon de deur dicht te slaan. Als de burgervader merkt dat Houwerijanus niet op school is komen opdagen gaat men naar de meester op zoek. Nergens kan men hem vinden. Tot tenslotte een jongen de meester vindt in het kippenhok. De meester had het hok dicht getimmerd terwijl hij er zelf in zat. Sindsdien durft geen Kampense onderwijzer een kippenhok te naderen. En geen meester houdt er meer kippen op na, want Houwerijanus' avontuur is hen een leerrijk voorbeeld.

Bron

J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.340

Commentaar

1919

Naam Overig in Tekst

Houwerijanus    Houwerijanus   

Zevenburgsche Naakthalshoenders    Zevenburgsche Naakthalshoenders   

Mechelsche Koekoeken    Mechelsche Koekoeken   

Chabo-ma-Siro's    Chabo-ma-Siro's   

Goudlakensche Padua's    Goudlakensche Padua's   

Engels    Engels   

Turks    Turks   

Japans    Japans   

Naam Locatie in Tekst

Kampen    Kampen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20